Zoeken in deze blog

04 november 2026

Een met wijn overgoten werkdag

Patricia Van den Eeckhout


De Parijse grootwarenhuizen voeden hun personeel, stelde Pierre Giffard, toen hij in Les grands bazars (1882) het grootwarenhuis Au Bon marché beschreef, waar zo’n 3.600 mensen werkten. De personeelsmaaltijd was een deel van het loon. Wie ’s middags liever thuis at, diende elders werk te zoeken. 

Het reglement van Au Bon marché uit 1894 leert dat het personeel recht had op twee warme maaltijden per dag. De werkdag was dan ook lang. De winkel ging open rond 8u ’s morgens (de openingsuren in winter en zomer verschilden) en sloot al naargelang het moment van het jaar om 19u30 of 19u55. Terwijl het reglement preciseerde wanneer de werkdag begon, werd er geen officieel einde van de werkdag aangekondigd. 

Twee warme maaltijden per dag was in die periode lang niet slecht. Onder meer om die reden werd Au Bon marché in een korte monografie uit 1894 kritiekloos bejubeld. De werkgever zou zijn bedienden als vrienden behandelen, schreven Cucheval-Clarigny en Flavien. 


 

De eetzaal voor vrouwen. A. Cucheval-Clarigny, E. Flavien, Les grandes usines de Turgan. Etude sur le Bon Marché (gallica.bnf.fr / Bibliothèque nationale de France)


Er waren drie eetzalen: een voor de afdelingshoofden en bedienden, een voor de vrouwen en een voor de magazijnjongens en koetsiers. Omdat er zoveel eters waren, werd elke maaltijd in drie shiften geserveerd. Wie in de eerste shift at, consumeerde zijn “middagmaal” om 9u30 ’s morgens. De tweede reeks ging door om 10u30 en de derde om 11u30. ’s Avonds werd het eten opgediend om 17u, 18u en 19u.  

Bij elke maaltijd kreeg het personeel een vleesschotel naar keuze, groenten en een dessert. Het avondmaal voorzag daarnaast ook een bord soep en een portie sla. Per maaltijd had elke persoon (ook vrouwen) recht op een kruik wijn van 0,5 liter. Omdat er twee maaltijden per dag waren, kon elk personeelslid per dag een liter wijn consumeren.

Volgens het reglement van Au Bon marché van kort voor de Eerste Wereldoorlog blijkt het gros van de werknemers geen recht meer te hebben op een avondmaaltijd. De winkel ging vroeger dicht (19u), maar het personeel moest nog steeds om 8u ’s morgens present zijn. Zoveel korter was de werkdag niet geworden. Mogelijk gaven de winkelbedienden er de voorkeur aan ’s avonds samen met hun gezin te eten, eerder dan te genieten van een “gratis” maaltijd in het bedrijf (en was de bedrijfsleiding hen daarin gevolgd).

Dat het middagmaal later werd geserveerd dan vroeger kan ook een rol gespeeld hebben in het goeddeels afschaffen van de avondmaaltijd. De middaghap werd opgediend om 10u15, 11u10, 12u05 en 13u. De maaltijden waren nog altijd op dezelfde manier samengesteld. De halve liter wijn stond onveranderd op het menu, maar voortaan kon die worden vervangen door een fles bier.

De maaltijden kostten aan het grootwarenhuis een aardige duit, maar zij hadden het voordeel dat het winkelpersoneel onder toezicht bleef. Beter een 0,5 liter wijn in de kantine dan ongecontroleerd gedrag in de cafés in de buurt.



 Krachtvoedsel


Peter Scholliers

Gojibessen, tarwegras, rode druiven, knoflook, vette vis, algenextract, quinoa, noten en zwarte chocolade worden vandaag superfoods genoemd. Hun vitamines, mineralen en antioxidanten beletten hart- en vaatziekten, doen vermageren, geven energie, vermijden depressies en slapeloosheid, voorkomen rimpels en verhogen het libido. Te mooi om waar te zijn. En niet origineel. Levertraan kreeg al in de negentiende eeuw fantastische eigenschappen toebedeeld. In 1912 bejubelde een producent zijn levertraan als een ‘machtige bron voor de geneeskunst, bewerkt tot smakelijke, geurige en voedzame krachthersteller’ (De Nieuwe Gazet, 3 maart 1912). 

De analogie tussen superfood en krachtvoedsel (‘power food’) ligt voor de hand. Al voor 1914 verscheen ‘krachtvoedsel’ in de pers, vaak als veevoeder maar ook als verrijkt voedsel voor mensen. Liebig, bijvoorbeeld, adverteerde voor ‘Malto-leguminose chokolaad in tabletten-form en pastillen’. Die pastilles bestonden uit suiker, cacao- en melkpoeder, en waren ‘vloeibaar vleesch en brood ter zelvertijd’ (Het Handelsblad, 18 juni 1880).

Tussen 1918 en 1960 explodeerde het gebruik van het woordje ‘krachtvoedsel’ om voedingswaren aan te prijzen. In de jaren 1920 ging het om eenvoudige waren als suiker, honing, zuivel, voedzame soep, vlees, pruimen, havermout, eieren en volkorenbrood. Maar het betrof ook nieuwe producten.

Toen verschenen advertenties met het predicaat krachtvoedsel voor margarine (Solo), cacaopoeder (Kwatta en Ovomaltine), koekjes (Quakers), kindermeel (Molenaar), thee (Horlicks), havermout (Avena), roggebrood (Finnbrot) en chocolade (Côte d’Or). Die producten heetten ideaal te zijn voor jonge kinderen, zieken en herstellenden, zwangere vrouwen, zenuwlijders, lijders aan slapeloosheid, oude mensen of sportlieden. 

Kwistig met reclame was de Zwitserse firma Wander, sedert 1904 producent van Ovomaltine, ‘een vitaminenrijk, energievormend krachtvoedsel’ (De Telegraaf, 24 november 1926). Het poeder bestond uit Zwitserse melk, mout, eieren, suiker en cacao. Met warme melk gaf dat een ideaal ontbijt. Binnen het jaar waren dozen van 250 gram te koop in heel Europa (à 2 frank in België — niet goedkoop). Dat ging gepaard met gigantische publiciteitscampagnes.

 


Gezondheid, kracht en sterkte voor kinderen, jonge moeders, zieken, zwakken, zenuwlijders, lijders aan bloedarmoede en ouderen (La Meuse 8 juni 1905, KBR- Belgicapress).


Al een jaar na de lancering van Ovomaltine in 1904 verscheen publiciteit in de Nederlandse en Belgische pers: het product werd geadverteerd als krachtvoedsel voor zwakken en zieken. Na de Eerste Wereldoorlog geraakte dat medisch accent wat op de achtergrond en sprak de publiciteit specifieke groepen aan. Kantoorbedienden waren gebaat met Ovomaltine tegen futloosheid. Mensen die leden aan slapeloosheid waren gediend met een kopje voor het slapengaan. Jonge moeders werd gewezen op de ‘melkvormende eigenschappen’ van het poeder. Sportlui presteerden uitstekend met gebruik van ‘geconcentreerd krachtvoedsel’. Jongelui deden het beter op school.

 


Welke jonge moeder streeft niet naar een gezond kind? (De Stad 3 mei 1929, KBR-Belgicaperiodicals)

 


Het krachtpoeder heeft zijn efficiëntie bij het wielrennen bewezen! (Sportwereld 21 januari 1938, KBR- Belgicaperiodicals)


De publiciteitscampagne zette door na de Tweede Wereldoorlog, maar zonder het woordje ‘krachtvoedsel’ te gebruiken. Een gratis autootje, een lat of een latex dinosaurusje moesten de jonge consumenten verleiden, terwijl een reep (‘meer dan lekker snoepgoed!’) een moderner publiek moest aanspreken. Naderhand benadrukte de producent vooral de vitamines, calcium, magnesium en ijzer: terug naar het medische accent van voor 1914.


*


Lees ook over de frauderende hongerkunstenaar die Biomalt at.