Posts tonen met het label Congo. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Congo. Alle posts tonen

15 januari 2026

 

Moambe in Brussel

                                                                                     [Scroll down for translating tool]

Peter Scholliers

 

 

Afbeelding met buitenshuis, gebouw, hemel

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: L’Illustration Congolaise, 1 mei 1935, p. 35 (Archief Afrikamuseum).

 

 

 

De wereldtentoonstelling van 1935 in Brussel beloofde schitterend te worden. Aanvankelijk waren de vooruitzichten somber wegens de aanslepende gevolgen van de beurscrash van oktober 1929, maar in de loop van 1934 klaarde de hemel op. Almaar meer landen beloofden aanwezig te zijn, het Heizelplateau bleek zeer geschikt en overheids- en privékapitaal werd gevonden.

 

Net als bij vorige wereldtentoonstellingen in België en elders genoten de kolonies veel aandacht. Kunstobjecten, producten zoals ertsen of cacaobonen en folkloristische foto’s werden uitgestald tegen de achtergrond van geologische kaarten. Toppunt was de bouw van een “inheems” dorp waar mannen, vrouwen en kinderen het dagelijks leven naspeelden, door de bezoekers dommig aangestaard.

 

De Parijse expo van 1889 —die van de Eiffeltoren— was de eerste waar Afrika, Azië en Zuid-Amerika geproefd werden: restaurants, eetstalletjes en cafés lieten de bezoekers kennismaken met exotische spijs en drank. Daarmee was de trend gezet. De expo’s op Belgische bodem van 1894, 1897, 1905, 1910, 1913 en 1930 waren geen uitzondering, maar ze negeerden de keuken van Congo. De Belg vernam enkel dat de kolonie cacao- en koffiebonen produceerde.

De voorzitter van de afdeling Kolonialisme van de expo van 1935 kondigde de bouw van een “Hall van het toerisme” aan. Dat was een breuk met de eerdere visie op de kolonie waar agro-industrie en handel centraal stonden. Bij de nieuwe visie hoorde een koloniaal restaurant. Dat was een gok, want de Europeaan dacht dat Afrikaans eten armzalig, te kruidig en onveilig was. Hij associeerde dat continent bovendien met hongersnood en kannibalisme. Ook meende hij dat de kolonist enkel overleefde met voedsel in blik, terwijl een zonderling zich aan gerookt olifantenvlees waagde.

 

Een tijdelijke vennootschap zorgde voor geld, de befaamde architect Victor Bourgeois tekende de plannen en in mei 1935 opende Restaurant Colonial Leopold II. Het was prachtig met zijn groot terras dat uitgaf op een rozentuin.

 

De Belgische pers was verbaasd, aangenaam verrast en vooral nieuwsgierig. Een krant schreef, “Op aanvraag serveert het restaurant koloniale schotels met de vreemdste smaken, bereid door koks met jarenlange ervaring”. “Op aanvraag” toonde de voorzichtigheid waarmee het restaurant tewerk ging: hoe zou het publiek reageren? Een andere krant wist dat de Congolese keuken vooral kip bereidde: “Kip met aardnoten, kip in palmolie en kip met pilipili en voor dat laatste gerecht moet de eter een stevige maag hebben”. Andere kranten, geïnspireerd door de expo, brachten Congolese recepten, waaronder kip met bananen.

 

 

Afbeelding met schip

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Clarté, 1 februari 1938, p. 38 (KBR-Belgicaperiodicals).

 

 

            Kenners waren enthousiast over een échte Congolese schotel, de moambe (kip in palmolie met aardnoten en pilipili), die 45 frank kostte. Dat was veel, maar diende voor twee à drie eters. Een Europees menu met soep, voorgerecht, hoofdschotel, dessert en koffie in Restaurant Leopold II kostte evenveel, per persoon. Eind 1939 proclameerde Pourquoi Pas? de moambe tot Congolees nationaal gerecht. Het had niet veel om het lijf, schreef het magazine: “een kip gekookt in palmolie met wat pilipili”.

           

Het restaurant overleefde de sluiting van de expo in november, wat wijst op trouwe klanten. In juli 1936 verhuisde het naar het pas geopende Grand Hotel in de Brusselse Anspachlaan. Het serveerde “exquise Congolese schotels”, nog steeds op aanvraag. De Tweede Wereldoorlog gaf het restaurant de doodsteek: de liquidatie kwam er in april 1941.


20 november 2025

 

Driegangenmenu van conserven in Congo

 

Peter Scholliers

 

 

In 1885 verwierf Leopold II een groot deel van het midden van Afrika, de Congo-Vrijstaat, 80 keer België. Hij baatte die gigantische ruimte uit als privébezit, oogstte caoutchouc en ivoor, legde koffieplantages aan en stuurde militairen, geestelijken en bestuurders. In 1908 werd de Vrijstaat een Belgische kolonie. Beetje bij beetje leerde België Congo kennen via tentoonstellingen, lezingen en reisverhalen.

 

            Die informatie stootte af en trok aan. Het exotisme maakte nieuwsgierig, maar de “vreemde” levenswijze wekte weerzin op. Dat laatste gold vooral het Congolese eten. In april 1887 rapporteerde een journalist over zijn reis naar Congo: “Het zal lang duren voor ik de Afrikaanse voeding gewoon zal zijn; wat een verschrikkelijke zaak, grote goden!”. Een andere reiziger walgde van het gebrek aan hygiëne: “Ik zag de boy bezig met de afwas. Hij likte de borden af, spuwde erop en droogde de boel af met zijn kroezelhaar en een vuile vod”. Eten van maniok of olifantenvlees deed eveneens huiveren. Wat de deur dichtdeed, was het verslag van een geograaf uit 1897: “In Congo zijn vele volkeren kannibalen; de Mangbetu koken met mensenvet, in Ruki is de lievelingskost een paté van maniokbladeren, mensenbloed en… mensenhaar; de Bazoko’s eten hun doden op”. Een zonderling waardeerde de Congolese keuken toen hij het had over “Poten van het nijlpaard, urenlang gekookt en dan gesmoord in ui”.

 

            De grote argwaan tegen de Congolese keuken plaatste de kolonisten voor een probleem. Graan, boter of kaas waren onbekend en verse groenten of fruit waren duur en onveilig. Het fokken van runderen en aanleggen van aardappelvelden vergden tijd. Gelukkig bestonden er conserven.

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, Afdrukken, etiket

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Albert Samuel Page, Guide pratique de la cuisine au Congo. Seconde édition, revue et augmentée, Antwerpen 1909, p. 11 (Archief Afrikamuseum).


            In februari 1896 wijdde La Belgique Coloniale, het weekblad van het koloniaal bestuur, een reeks artikelen aan de voeding van de blanken in Congo. Het eerste deel behandelde het ingeblikte voedsel, “het centrale element in de keuken van de kolonist”. Voor elke maaltijd “komen wonderlijke hoeveelheden blik uit kisten, die de zwarte koks zo goed en zo kwaad mogelijk bereiden”. Dat was de veiligste keuze. Bovendien breidde het assortiment elke maand uit. Naast vlees- en visconserven van vertrouwde merken, waren er ingeblikte boter, melk, groenten, fruit, kruiden, koffie, thee, koekjes, olie en chocolade.

 

            De conserven bleven populair. In 1910 schreef een journalist dat het in de brousse mogelijk was kaviaar, asperges, zalm en zuurkool te savoureren: was dat niet fantastisch? In hetzelfde jaar serveerden restaurants in de havenstad Boma Franse driegangenmenu’s op basis van conserven.

 

            Maar na de Eerste Wereldoorlog nam het enthousiasme voor conserven geleidelijk af. Almaar meer beschikte men over verse, gezonde en betaalbare producten, en bovendien verdween de grote argwaan voor de Congolese keuken stilaan. In juli 1930 meldde een krant dat een galadiner in Elisabethstad (Lubumbashi) voor 200 gasten uitsluitend Congolese producten en schotels bevatte. In 1932 foeterde L’Illustration Congolaise tegen conserven “die de gastronomie kapotmaken”. In de jaren 1930 bracht het Bulletin de l’union des femmes coloniales recepten voor antiloop in room, pikant geitenvlees, maïssoep of gestoomd vlees in bananenbladeren.

 

            Het duurde nog decennia voor de Congolese keuken op Belgische bodem ingang vond, want het wantrouwen bleef in het moederland nog zeer hardnekkig.