Posts tonen met het label Eerste Wereldoorlog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Eerste Wereldoorlog. Alle posts tonen

05 februari 2026

 

Café-restaurant Vooruit in de Groote Oorlog

 

 

Peter Scholliers

 

 

Op 12 oktober 1913 opende het “volksrestaurant” van de Samenwerkende maatschappij Vooruit in het indrukwekkende nieuwe feestlokaal in de Sint-Pietersnieuwstraat (vandaag Viernulvier). Het dagblad Vooruit bracht verslag uit over de eerste dagen: 300 eters genoten er ’s middags en ’s avonds van een dagschotel à 0,60 of 1,30 fr en van diverse gerechten waaronder kalfsgebraad (1,00 fr), spiegeleieren (0,75 fr), beefsteak - frites (1,25 fr) of salade en mayonaise met kreeft (1,50 fr) (vermenigvuldig deze sommen met 8 voor de prijs in euro). “Dat de eters tevreden waren”, schreef de krant, “werd bewezen door de opgewekte gesprekken aan tafel”. Voor 60 centiemen kregen ze “een goede portie patatten met een flinke schep roode koolen en eene dito snede uitstekend malsch varkensvleesch”.

 

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Vooruit, 20 december 1915, p. 4 (Amsab-ISG)

 

 

            Exact een jaar na de opening van het Restaurant Vooruit viel Gent in handen van de Duitsers. Ze bleven er tot 10 november 1918 en zorgden voor vijftig maanden miserie met werkloosheid, gebrekkige bevoorrading, steile inflatie, lange rijen bij het winkelen, rantsoeneringen, honger en angst. Wat een contrast met de rijke spijskaart van het spijshuis van Vooruit voor de oorlog!

 

            De inval intimideerde het restaurant allerminst. In september en oktober 1914 ving het vele vluchtelingen uit Wallonië, Limburg en Brabant op. Einde oktober moest het even sluiten “omdat Duitsche soldaten er een al te hoogen toon aansloegen. Dat gaf de arbeiders aanstoot”. In november hervatte de activiteit. Het restaurant bleef de hele oorlog open, maar kampte gaandeweg met almaar meer problemen, waaronder de manke bevoorrading, de felle prijsstijgingen, de dalende koopkracht en, naar eigen zeggen, de strubbelingen met het Nationaal Comiteit voor Hulp en Voeding dat instond voor de bevoorrading van het land.

 

Restaurant Vooruit slaagde er in de prijzen ongewijzigd te houden tot 1915 en zelfs een groot deel van 1916. In december van dat laatste jaar kostte de beefsteak-frites nog altijd 1,25 fr, maar de prijs van de dagschotel was verhoogd van 60 naar 75 centiemen. In 1917 en 1918 verschenen er nagenoeg geen advertenties meer voor Restaurant Vooruit, behalve “Zooals vroeger wordt in den Café om 12 ure alle dagen warme soep opgediend aan 0,10 fr den grooten schotel”.

 

In november 1916 werden alle Gentse restaurants ervan beschuldigd te veel aardappelen en vlees te gebruiken ten nadele van de gewone Gentenaars, een verwijt dat Vooruit nog ‘ns kreeg in januari 1918. Het restaurant weerlegde de beschuldigingen door te benadrukken dat socialistische militanten én gewone Gentenaars er kwamen eten aan lage prijzen, en niet de burgerij of Duitse officieren.

 

De omzet van het restaurant daalde fors van 189.380 fr in het boekjaar 1915-1916 naar 127.173 frank in 1916-1917. In 1918-1919 steeg de omzet merkwaardig genoeg tot 314.438 frank. Maar houden we rekening met de scherpe inflatie na 1916 dan is het plaatje minder rooskleurig: in 1916/17 bedroeg de omzet van het restaurant 35 percent van deze van het vorige boekjaar, in 1918/1919 was dat iets beter (55 percent). De heropstart na de oorlog gebeurde zeker niet zonder kopzorgen.

 

Ontwerp van het Feestlokaal van de S.M. Vooruit, door F. Dierkens (1913). Bron: AMSAB-ISG, fotocollectie # fo000497.
 

 

 


 

 Vooruit, kameraden! De rode winkel van 

de belle époque.


15 januari 2026

 

Blacky op het menu

                                                                                             [Scroll down for translating tool]

Patricia Van den Eeckhout

 

Op 3 april 1917 kreeg de stad Gent van de Duitse bezetter de toelating een hondenslachterij in te richten. Het hondenvlees was bestemd voor de burgerbevolking, maar de horeca mocht het niet aanbieden. Een uitzonderlijk initiatief in uitzonderlijke tijden, lijkt het, maar niet overal in Europa rustte er een taboe op het eten van hondenvlees. De Duitse wet op de vleeskeuring uit 1900 rangschikte honden bij de dieren die in aanmerking kwamen om geslacht te worden. Een sanitaire controle voor en na de slacht was voorzien. Pas in 1986 werd de wet gewijzigd: voortaan was het slachten van honden en het verkopen van hondenvlees strafbaar. 

 

Vlak voor de Eerste Wereldoorlog werden er in Duitsland jaarlijks 6 à 7.000 honden geslacht. Die cijfers hielden geen rekening met de clandestiene slachtingen. Toch deed niet heel Duitsland zich te goed aan hondenvlees. De liefhebbers waren vooral te vinden in de deelstaat Saksen. Een stad sprong eruit: Chemnitz. Het hondenvlees werd er zelfs geserveerd in horecazaken. Maar ook in de “hondenstad” Chemnitz waren de hondenslachtingen peanuts vergeleken met de slacht van meer courante diersoorten. December en januari telden de meeste hondenslachtingen.

 

Statistiekje van het aantal geslachte honden in 1891

Afbeelding met tekst, ontvangst

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Statistisches Jahrbuch deutscher Städte 1893 (Google Books)

 

Aan hondenvlees schreven sommigen geneeskrachtige eigenschappen toe (het zou beschermen tegen tuberculose), maar het was natuurlijk vooral goedkoop vlees. In 1892 betaalde men in Dresden voor een kilogram hondenvlees 50 à 60 pfennig. Voor een stuk rundsvlees van 1 kilogram moest men 171 pfennig neertellen. Wie een roggebrood van een kilogram kocht, was zo’n 27 pfennig kwijt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog piekte het aantal hondenslachtingen in Duitsland.

 

Zelfs al was de consumptie van hondenvlees al bij al beperkt, toch leidde ze bij de keuringsinstanties tot ongerustheid. Veeartsen die de vleeskeuringen in Chemnitz uitvoerden, stelden vast dat honden in vergelijking met varkens vaker besmet waren met de rondworm, een ongezellig dier dat samen met het hondenvlees bij de mens terecht kwam, met soms fatale gevolgen. Dat nogal wat hondenvleesliefhebbers dat vlees graag “à la tartare” (dus rauw) consumeerden, vergrootte het risico. De veeartsen van Chemnitz meenden ook te weten hoe de honden met de parasiet waren besmet: zij hadden allicht ratten geconsumeerd.

 

Ook de veeartsen van de Brusselse veeartsenijschool, die in 1881 de vraag kregen of hondenvlees kon worden geconsumeerd zoals runds- of varkensvlees, waarschuwden tegen de rondworm en tegen hondsdolheid. Maar verder zagen zij geen bezwaren tegen de verkoop en het eten van hondenvlees. De geslachte honden dienden wel medisch gekeurd te worden en het kraam dat hondenvlees verkocht, moest dit duidelijk afficheren. Zouden niet voor consumptie mogen worden aangeboden: honden waar niet genoeg vlees aanzat, zieke dieren en de spijsverteringsorganen van de onfortuinlijke viervoeters. Maar volgens de veeartsen zou het met de consumptie van hondenvlees in West-Europa niet zo’n vaart lopen: niet alleen was er de affectieve band tussen hond en mens, maar hondenvlees zou ook sterk en onaangenaam ruiken.

30 oktober 2025

Brooddiefstal tijdens de Groote Oorlog

 

Peter Scholliers

 

Scherp stijgende graanprijzen zetten sinds oudsher aan tot bedrog. Molenaars mengden oude rogge met tarwe, bakkers gooiden houtzaagsel of krijt in hun meel en hongerlijders stalen brood. Dat gebeurde natuurlijk ook tijdens de oorlogsjaren van de 20e eeuw.

 

        In april 1914 kostte een kilo huishoudbrood van grove tarwe 0,28 frank, in 1915 was dat 0,42 frank, maar in 1918 al 0,76 frank: de hoogste prijs sinds een eeuw. Matige graanopbrengst in eigen land en rampzalig lage graaninvoer leidden tot inflatie. Almaar meer mensen leden honger. Ze zouden een misdaad plegen om een stuk brood.

 

         Voor de Duitse inval van 4 augustus 1914 stal een kwajongen wel ‘ns een brood. Werd die gevat, dan volgde een bolwassing, een kleine boete of een korte gevangenisstraf. In 1915 en ‘16 werd langsom meer brood gestolen en werden de straffer zwaarder. In september 1916 bijvoorbeeld, werd een zekere Godeau in Brussel op heterdaad betrapt bij het stelen van twee broden, waarvoor hij acht maanden gevangenisstraf en 26 frank boete kreeg. Maar de erg scherpe stijging van de broodprijs in de winter van ’16-’17 zorgde voor een andere vorm van diefstal: het stelen in bende.

 

        Sedert de jaren 1880 waren brooduitdragers met grote handkarren, soms getrokken door honden, een vertrouwd beeld in de Belgische steden (zie de afbeelding). Tijdens de oorlog werden ze gemakkelijke prooien van doelgerichte overvallen. De pers had nog enigszins begrip voor “diegenen die door honger geplaagd bij gelegenheid een brood wegnemen”, maar absoluut niet voor bendes.

 

        In de lente van 1917 kwamen de eerste berichten over collectieve overvallen in de pers, maar die waren wellicht al eerder begonnen. In april 1917 schreef een krant: “Gisteren is het er met de plunderingen van broodkarren veel erger [aan] toegegaan dan eergisteren, en als de politie geen afdoende maatregelen neemt zal het erger en erger worden”. Dezelfde maand werd gemeld dat tientallen mensen vijf broodkarren van het hulpcomité hadden geplunderd en honderden broden buitgemaakt. Een maand later schreef een dagblad dat “om zes ure ’s morgens de bakkersgast Timmermans 31 brooden werd ontnomen door eenige straatbengels”. Nog dezelfde maand vernam de lezer: “Eene bakkerskar werd overvallen door een tiental kerels, die den inhoud plunderden”. In juli werd gemeld dat in Antwerpen op één week tijd verschillende bendes niet minder dan zeven broodkarren hadden beroofd.

 

Afbeelding met tekening, schets, kar, paard

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

 Een broodkar van de S.M. Vooruit in de jaren 1890. Bron: Le Monde illustré (Parijs), 13 april 1896, p. 217 (Gallica.fr). 

 

        Zulke berichten verschenen tot het einde van de oorlog. In mei ’18 klonk het nog: “De brooduitvoerder Verheyden van de bakkerij Help Uzelve werd door een 40-tal kerels aangerand, die 26 brooden uit zijn kar robberden”. Zelden volgde een arrestatie, maar wanneer dat het geval was, werden de daders soms overgedragen aan de Duitse politie. Wellicht gebeurde een overval de ene keer door een georganiseerde bende, de andere keer door een min of meer spontane actie.

 

        Na de wapenstilstand van 11 november 1918 verdwenen de berichten over collectieve overvallen. De graanbevoorrading was verbeterd, de regering regelde graan- en broodprijzen en de lonen stegen. Gedurende twintig jaar was er van collectieve diefstal van brood geen sprake meer. De Tweede Wereldoorlog bracht die helemaal terug.