Posts tonen met het label Conserven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Conserven. Alle posts tonen

05 februari 2026

 

Corned beef, extra kwaliteit

 

Patricia Van den Eeckhout

 

“Sedert eenige jaren komen uit Amerika konserven van ossenvleesch, welke in blikken doozen, onder den naam van corned beef verkocht worden”, wist de Standaerd van Vlaenderen in 1880. In Nederland werd corned beef ook bussenvleesch genoemd. Heel Europa deed zich aan de Amerikaanse vleesconserven te goed. Maar in 1900 kondigde Duitsland een verbod op de invoer van Büchsenfleisch af. Het land wou komaf maken met de Amerikaanse dominantie op die markt en bovendien doken er regelmatig verhalen op over onhygiënische toestanden in de Amerikaanse vleesverwerkende nijverheid. Een telg van een vooraanstaande familie uit Hamburg zag zijn kans: Walther Bintz richtte zijn eigen fabriek van corned beef op in Oldesloe.

 

 

Afbeelding met tekst, krant, boek, Publicatie

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Deutscher Reichsanzeiger, 3 november 1903 (Deutsches Zeitungsportal)

 

 

Bintz liet Amerikaans vee in Canada slachten en bracht het vlees in gepekelde vorm naar Oldesloe, waar het tot corned beef werd verwerkt. Hij maakte veel reclame en rijfde bestellingen van het leger en de marine binnen. In 1903 kreeg Bintz een prijs omdat hij zich als eerste “op Amerikaanse wijze” met vleesconserven bezighield. Dat was allicht bedoeld als compliment, maar er deden geruchten de ronde dat Bintz ook minder stichtende Amerikaanse voorbeelden volgde. Zijn bedrijf zou minderwaardig vlees tot corned beef verwerken.

 

            In februari 1906 publiceerde de Amerikaanse journalist Upton Sinclair het spraakmakende boek The jungle. Zowel de abominabele werkomstandigheden als de hygiënische wantoestanden in de vleesverwerkende bedrijven van Chicago kwamen er uitgebreid in aan bod. Het werk had de vorm van een roman, maar er bestond weinig twijfel over dat de wereld die Sinclair beschreef geen fictie was. Het boek werd op korte tijd wereldbekend.

 

            In de lente van datzelfde jaar moesten verschillende verantwoordelijken van de firma Bintz voor de rechter komen omdat er sprake zou zijn van wanpraktijken in de vleesfabriek. De zaakvoerder verzekerde de rechter dat er in alle lokalen borden hingen die het personeel aanmaanden ondeugdelijk vlees te signaleren. Alle betrokkenen werden vrijgesproken. Toch zou Bintz nog voor het einde van het jaar ten onder gaan. Niet de sanitaire wantoestanden, maar financiële fraude deden hem de das om.

 

Bintz was opzoek geweest naar kapitaal en hij had in de Hamburgse handelswereld ook geïnteresseerden gevonden. Toen een onder hen de fabriek wilde bezoeken, werd een regelrecht toneelstuk opgevoerd. Bintz investeerde voor één keer in vers en deugdelijk vlees. Toen de potentiële geldschieter een lokaal betrad, zag hij net geklede arbeiders die druk in de weer waren. Telkens als hij naar een ander lokaal stapte, moesten de arbeiders ervoor zorgen hem voor te zijn, opdat de zakenman ook daar een drukke bedrijvigheid zou aantreffen. Opgestapelde blikken en kisten moesten de indruk van ruime voorraden wekken, maar waren leeg. De list werkte: de investeerder kwam met een grote som geld over de brug. In november 1906 bleek dat Bintz met het geld naar Canada was gevlucht.  

 

Toen de gerechtelijke autoriteiten de vleesfabriek bezochten, troffen ze wagonladingen bedorven vlees aan. “Chicago in Duitsland” titelde een krant. “Amerikaansche toestanden”, schreef een andere. In 1910 werd Bintz in de buurt van Berlijn aangehouden. Hij bleek al sedert 1908 terug in het land te zijn en alweer een vleesfabriek uit te baten.

20 november 2025

 

Driegangenmenu van conserven in Congo

 

Peter Scholliers

 

 

In 1885 verwierf Leopold II een groot deel van het midden van Afrika, de Congo-Vrijstaat, 80 keer België. Hij baatte die gigantische ruimte uit als privébezit, oogstte caoutchouc en ivoor, legde koffieplantages aan en stuurde militairen, geestelijken en bestuurders. In 1908 werd de Vrijstaat een Belgische kolonie. Beetje bij beetje leerde België Congo kennen via tentoonstellingen, lezingen en reisverhalen.

 

            Die informatie stootte af en trok aan. Het exotisme maakte nieuwsgierig, maar de “vreemde” levenswijze wekte weerzin op. Dat laatste gold vooral het Congolese eten. In april 1887 rapporteerde een journalist over zijn reis naar Congo: “Het zal lang duren voor ik de Afrikaanse voeding gewoon zal zijn; wat een verschrikkelijke zaak, grote goden!”. Een andere reiziger walgde van het gebrek aan hygiëne: “Ik zag de boy bezig met de afwas. Hij likte de borden af, spuwde erop en droogde de boel af met zijn kroezelhaar en een vuile vod”. Eten van maniok of olifantenvlees deed eveneens huiveren. Wat de deur dichtdeed, was het verslag van een geograaf uit 1897: “In Congo zijn vele volkeren kannibalen; de Mangbetu koken met mensenvet, in Ruki is de lievelingskost een paté van maniokbladeren, mensenbloed en… mensenhaar; de Bazoko’s eten hun doden op”. Een zonderling waardeerde de Congolese keuken toen hij het had over “Poten van het nijlpaard, urenlang gekookt en dan gesmoord in ui”.

 

            De grote argwaan tegen de Congolese keuken plaatste de kolonisten voor een probleem. Graan, boter of kaas waren onbekend en verse groenten of fruit waren duur en onveilig. Het fokken van runderen en aanleggen van aardappelvelden vergden tijd. Gelukkig bestonden er conserven.

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, Afdrukken, etiket

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Albert Samuel Page, Guide pratique de la cuisine au Congo. Seconde édition, revue et augmentée, Antwerpen 1909, p. 11 (Archief Afrikamuseum).


            In februari 1896 wijdde La Belgique Coloniale, het weekblad van het koloniaal bestuur, een reeks artikelen aan de voeding van de blanken in Congo. Het eerste deel behandelde het ingeblikte voedsel, “het centrale element in de keuken van de kolonist”. Voor elke maaltijd “komen wonderlijke hoeveelheden blik uit kisten, die de zwarte koks zo goed en zo kwaad mogelijk bereiden”. Dat was de veiligste keuze. Bovendien breidde het assortiment elke maand uit. Naast vlees- en visconserven van vertrouwde merken, waren er ingeblikte boter, melk, groenten, fruit, kruiden, koffie, thee, koekjes, olie en chocolade.

 

            De conserven bleven populair. In 1910 schreef een journalist dat het in de brousse mogelijk was kaviaar, asperges, zalm en zuurkool te savoureren: was dat niet fantastisch? In hetzelfde jaar serveerden restaurants in de havenstad Boma Franse driegangenmenu’s op basis van conserven.

 

            Maar na de Eerste Wereldoorlog nam het enthousiasme voor conserven geleidelijk af. Almaar meer beschikte men over verse, gezonde en betaalbare producten, en bovendien verdween de grote argwaan voor de Congolese keuken stilaan. In juli 1930 meldde een krant dat een galadiner in Elisabethstad (Lubumbashi) voor 200 gasten uitsluitend Congolese producten en schotels bevatte. In 1932 foeterde L’Illustration Congolaise tegen conserven “die de gastronomie kapotmaken”. In de jaren 1930 bracht het Bulletin de l’union des femmes coloniales recepten voor antiloop in room, pikant geitenvlees, maïssoep of gestoomd vlees in bananenbladeren.

 

            Het duurde nog decennia voor de Congolese keuken op Belgische bodem ingang vond, want het wantrouwen bleef in het moederland nog zeer hardnekkig.