Posts tonen met het label Vergiftiging. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vergiftiging. Alle posts tonen

19 februari 2026

Massavergiftiging in België?

 

Patricia Van den Eeckhout

 

Leval-Trahegnies, een gemeente in de buurt van carnavalsstad Binche. In augustus 1928 komt de slager van het dorp, de 27-jarige Jacques Gossuin, zich bij de politie beklagen over roddels die de ronde doen. Klanten zouden ziek zijn geworden van het vlees dat ze bij hem hebben gekocht. Gossuin wil dat de laster stopt. De man had eerder een paardenslagerij, maar verkoopt nu alle soorten vlees. Zijn prijzen zouden iets lager liggen dan bij de concurrentie.

 

De politie start een onderzoek. Klanten van de slagerij zouden inderdaad last hebben van zware spijsverteringsproblemen. De meid van de slager en haar gezin zijn bij de eerste zieken. Zij had een stuk kalfshart en kalfslongen mee naar huis genomen en bereid. Het aantal zieken stijgt snel. Zowel de politie als de plaatselijke dokters zijn van in het begin stellig over de oorzaak van de ziektegolf: alle betrokkenen zouden kalfsvlees (veelal in de vorm van gehakt of worst) hebben gekocht bij slager Gossuin. Wie ander vlees dan kalf had aangeschaft bij dezelfde slager, zou geen problemen ondervinden.

 

Ondertussen hebben kranten uit binnen- en buitenland lucht gekregen van de zaak. Er zou sprake zijn van honderd zieken. De communistische krant Le Drapeau rouge spreekt zelfs van honderdvijftig slachtoffers. Het leven van sommigen zou aan een zijden draadje hangen. “Massavergiftiging in België”, titelt de Nederlandse socialistische krant Voorwaarts. Terwijl het onderzoek nog volop loopt, beschuldigt Le Drapeau rouge slager Gossuin ervan een gifmenger te zijn. Groot is daarentegen de bewondering voor de jonge dokter die meteen naar Gossuin wees. Hij was het die Gossuin door zijn bezoek aan de politie het zwijgen wou opleggen.  

 

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, wit, zwart

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

De internationale pers pikt de gebeurtenis op.

Sächsischer Elbzeitung, 18 augustus 1928 (Deutsches Zeitungsportal)

 

De slager wordt op de rooster gelegd. Waar kwam dat kalf vandaan? Het blijkt van een buurman te zijn gekocht. Het dier had zijn poot gebroken en moest naar de slachtbank. Dat gegeven inspireerde de communistische krant om Gossuin een “charognard” te noemen, iemand die handeldrijft in krengen. Maar het kalf blijkt goedgekeurd te zijn door een veearts. Er blijven nog enkele stukken kalf over. Die worden naar een labo gestuurd om te worden onderzocht. Nog voor de maand augustus voorbij is, is de uitslag bekend: met het kalfsvlees van Gossuin is helemaal niets aan de hand. Bitter weinig kranten nemen de moeite om dit aan hun lezers te vertellen. Sommige doen dat enkele maanden later, andere nooit. Overigens is iedereen na enkele dagen hersteld.

 

Wat heeft zich in Leval-Trahegnies voorgedaan? Massahysterie? Iemand voelt zich na het consumeren van voedsel of drank niet lekker, waarna bepaalde omstandigheden maken dat ook anderen menen eenzelfde ongemak te voelen en er een collectieve paniek uitbreekt. Mogelijk was het kalfsvlees van Gossuin een enkeling niet goed bekomen en meenden anderen ook “iets” te voelen. Misschien maakte de herkomst van het kalf de mensen argwanend. Het kalf was “afgedankt”, want het had een poot gebroken. Dat een figuur met autoriteit, de jonge dokter, resoluut in de richting van slager Gossuin wees, kan de zaak in een stroomversnelling hebben gebracht.


 

25 december 2025

 

Creatief met alcohol

                                                                                 [Scroll down for translating tool]

Patricia Van den Eeckhout

 

De Berlijnse daklozenopvang Die Palme bestond sinds 1886. Elke nacht zochten honderden daklozen er een toevlucht: zij kregen er een bed, wat soep, brood en de mogelijkheid om zich te wassen. Een krant noemde de bezoekers van het nachtasiel “schipbreukelingen van het leven”. Ook op tweede kerstdag van het jaar 1911 zat Die Palme stampvol. In de loop van de nacht weerklonk plots luid gekerm in de slaapzalen. Verschillende daklozen voelden zich ziek en hadden hevige krampen. In de nacht van 26 op 27 december stierven 18 mensen. Er zouden er nog heel wat volgen.

 

Koortsachtig werd naar de oorzaak van de ziekte gezocht. Dagenlang verkondigden kranten en wetenschappers dat bedorven vis de schuldige was. Daklozen zouden na afloop van de markt afgedankte bokking (gerookte haring) hebben opgeraapt, er zich aan hebben tegoed gedaan en de rest hebben uitgedeeld in het nachtasiel.

 

Afbeelding met tekst, zwart-wit, Lettertype, wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Het Handelsblad van 28 december 1911 (BelgicaPress) brengt de these van de

visvergiftiging met iets meer voorbehoud dan andere kranten.

 

Dat de these van visvergiftiging indruk maakte, blijkt uit het heftige verweer van de Berlijnse visverkopers: de bokking kon absoluut niet als schuldige worden aangewezen! Men zou beter de ketels inspecteren die werden gebruikt om de meelsoep van het asiel te bereiden, klonk het. Als koperen ketels niet goed werden onderhouden, kon er ook vergiftiging optreden. Maar de asielkeuken bleek met vernikkelde ketels te werken. De Berlijnse visverkopers hadden alleszins reden om zich zorgen te maken want de verkoop van vis en vooral van haring zou ineengezakt zijn.

 

Verschillende feiten wezen in een andere richting dan een visvergiftiging. Sommige daklozen stelden dat ze helemaal geen vis hadden gegeten. Verder bleef het aantal ziektegevallen maar toenemen: de partij buitgemaakte bokking moest wel zeer groot zijn geweest. Ook bleken sommige slachtoffers noch in de buurt van de markt, noch in het nachtasiel te zijn geweest.

 

Terwijl ze volop de piste van het vergiftigde voedsel bewandelde, nam de politie ook enkele stalen van de sterke drank die in de kroegen in de omgeving van het asiel werd verkocht. Die bleek methylalcohol te bevatten, een zeer giftig product. Vervolgens kwam vrij snel de man in beeld die de vergiftigde alcohol had geleverd: de drogist Julius Scharmach.

 

De 28-jarige Scharmach was zo’n tien jaar eerder bij een drogist beginnen werken. Geleidelijk aan leerde hij het vak, maar de organisaties van drogisten benadrukten dat hij geen formele opleiding had genoten of examens afgelegd. Hij was wat men een “wilde drogist” noemde. In 1910 begon hij een eigen zaak met geld van zijn broer. In zijn kelder werden verschillende vaten met de giftige drank aangetroffen.

 

In maart 1912 moest Scharmach voor de rechter komen. De vergiftiging had 92 doden geëist. Vijf mensen werden blind. De beklaagde ging nochtans niet gebukt onder schuldgevoelens. Hij toonde in tegendeel een zekere fierheid omdat hij meende een goedkoop alternatief te hebben gevonden voor drank gestookt op basis van graan of aardappelen. Met vrienden had hij meermaals van zijn brouwsel geproefd en niemand had er iets aan overgehouden, beweerde hij.

 

Het proces duurde zes weken. Had Scharmach, gezien zijn ervaring in de drogisterij, moeten weten dat de drank die hij verkocht giftig was? Daar raakte men het niet over eens. Anderzijds oordeelde de rechtbank dat hij niet bewust mensen had willen vergiftigen. Al bij al kwam Scharmach er goedkoop van af: hij kreeg vijf jaar cel en 2.000 mark boete. Zijn beroep werd verworpen.

 

Vergiftiging - alcohol