29 januari 2026

 

De moorddadige oesters van Sète

 [scroll down for translating tool]

Patricia Van den Eeckhout

 

“Les huitres meurtrières de Cette”, de moorddadige oesters van Cette, titelden Franse kranten in 1907. De oesters van de Franse badplaats Cette (Sète geschreven vanaf 1928) hadden doden op hun geweten. Tien jaar eerder had de bacterioloog André Chantemesse, een leerling van Louis Pasteur, de oesters van Sète al aangeklaagd. De man werd echter niet geloofd. Hij werd er zelfs van beschuldigd de Franse oesterkweek te willen kapot maken. Ook in het buitenland irriteerde zijn boodschap. Het Algemeen Handelsblad karakteriseerde hem als “een zeer bekwaam maar niet geheel van phantaisie ontbloot bacterioloog”.

 

Maar de geest was uit de fles. De consumenten waren ongerust en daar leden niet enkel de oesters van Sète onder. Terwijl de Fransen in 1896 niet minder dan 1247 miljoen inheemse oesters kochten, was dit in 1903 gezakt tot 731 miljoen. De overheid publiceerde een sussend rapport in 1904. Maar tussen september 1906 en januari 1907 hadden in verschillende Franse steden mensen last van zware gastro-intestinale problemen. Allen hadden oesters van Sète geconsumeerd. Er werden 67 gevallen van buiktyfus vastgesteld, waarvan 18 met dodelijke afloop.

 

Afbeelding met buitenshuis, water, gebouw, schip

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Oesterpark in Sète

 

Aan de oesters zelf was niets te merken: ze zagen er fris en smakelijk uit. Heel wat van die oesters werden zelfs uiterst vers geconsumeerd, met name in Sète zelf. Maar dat was geen garantie op ongestoord genieten, zo wisten de arbeiders van de staalproducent Schneider. Omdat die onderneming uit Le Creusot een vestiging had neergepoot in Sète, werden een aantal arbeiders naar het kuststadje gestuurd, waar ze prompt met maag- en darmproblemen af te rekenen kregen.

 

            Wat was er mis met Sète? In de kanalen die het stadje doorkruisten, werden de oesters “vet gemetst” die in het nabijgelegen bassin van Thau waren opgevist. Die kregen het gezelschap van elders geoogste oesters. Probleempje: de riolen van de stad Sète mondden uit in die kanalen. Maar die “bemesting” werd ook gezien als een verklaring voor het feit dat de oesters van Sète sinds het einde van de 19e eeuw spectaculair goed gedijden. Het groeiproces waar een oester uit de Atlantische oceaan drie jaar overdeed, klaarde een oester uit Sète in een jaar. Bij de oesters van Sète werd echter de Eberth-bacterie aangetroffen, vandaag salmonella typhi genoemd.

 

            De verdedigers van de oesters van Sète spraken over spijtig toeval en dat er in het stadje, waar heel veel oesters werden gegeten, niet meer gevallen van buiktyfus waren dan elders. Maar dat bleek niet te kloppen: de ziektegevallen lagen vijf keer hoger. De bewoners hadden bovendien een bepaalde immuniteit verworven, die al van in de kindertijd werd opgebouwd. Buitenstaanders waren echter veel minder bestand tegen de ziekteverwekkers. Twee arbeiders van Schneider hadden hun oestermaaltijd met de dood bekocht.

 

            In 1907 konden de klachten over de oesters van Sète niet langer worden weggewuifd. Chantemesse die tien jaar eerder werd weggehoond, kreeg nu de uitnodiging om deel uit te maken van het comité dat de redding van de Franse oesterkweek moest verzekeren. Dat gezelschap werd voorgezeten door de bekende Parijse restaurateur Marguery en ook de baas van restaurant Prunier was van de partij.


 

Ondergang van de rode kruidenier

 [Scroll down for translating tool]

Peter Scholliers

 

 

Afbeelding met tekst, krant, Lettertype, document

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Voor Allen. Weekblad van de B.S.P., 13 april 1974, p.8 (Digitaal krantenarchief Aalst).

 

 

 

De Belgische coöperaties kwamen verzwakt uit de Tweede Wereldoorlog en kregen vanaf 1960 te maken met supermarkten naar Amerikaans model. Die scoorden met een functionele architectuur, locaties buiten de stadscentra, ruime keuze, voorverpakte producten, zelfbediening, discountprijzen, centrale kassa’s, schreeuwerige reclame en winkelkarretjes.

           

De socialistische coöperaties bleven niet bij de pakken zitten. Ze fuseerden onder de naam Coop, wat toeliet in te kopen voor alle winkels samen en dus lagere prijzen te bedingen, nationale reclame te maken en het aanbod uit te breiden. In de jaren 1960 opende Coop “discounts”: dat waren winkels met een kleine oppervlakte, weinig personeel, een beperkt maar doelgericht aanbod, scherpe prijzen, smalle winstmarges en lage algemene kosten. Dat scheen te lukken. Maar tegen het geweld van de supermarkten waren de Coop-winkels niet opgewassen.

 

            Daarom nam in februari 1970 de federatie van Coop-winkels een gerenommeerd Zwitserse privéconsultant in de arm voor advies. De analyse van dat bureau was grondig, scherp en onverbiddelijk: Coop had te veel kleine winkels met een fout aanbod, te laag arbeidsrendement, te hoge loonkost, ondermaatse zorg voor verse producten, krakkemikkige organisatie en te weinig mechanisering. Oplossingen leken logisch: aantrekkelijke winkels, dagelijks verse producten, uitbreiding van het aanbod, afname van de loonkost, marktonderzoek en efficiëntere behandeling van de waren. Vier ordewoorden: reorganisatie, rationalisatie, planning en rendement. Gedetailleerde tekeningen en berekeningen vergezelden het rapport.

 

            De kritiek op de filosofie van de Coop-winkels kwam hard aan. Het rapport schreef: “De basisfilosofie van de coöperaties is thans voorbijgestreefd”. Willen ze blijven bestaan dan moeten de coöperatieve winkels onverwijld alle aspecten van de moderne kleinhandel toepassen en radicaal elke verwijzing naar de politiek laten vallen. Een nieuwe naam was daarom wenselijk.

 

            De leiding van de Coop-winkels nam het advies van de privéconsultant ernstig en bouwde een tiental supermarkten die sterk leken op Delhaizes of GB-winkels. De naam Coop bleef echter behouden. De concurrentie met die supermarkten werd erg bemoeilijkt door het gebrek aan kapitaal, de strubbelingen binnen de directie, vastgeroeste opvattingen, de aftandse winkels en het oudere cliënteel van de coöperaties. De Coop-winkels nieuwe stijl deden het niet slecht, maar ze konden niet beletten dat het marktaandeel van de hele keten snel daalde. Cijfers voor de verkoop van voedingswaren logen niet: in 1966 verkochten alle Belgische coöperatieve winkels nog 4,2 procent van de voedingswaren, in 1970 was dat 3,4 en in 1975 een povere 1,9 procent.

 

De ene na de andere Coop-winkel sloot. De linkse pers haalde uit naar de “harde en onverbiddelijke konkurrentiestrijd”, terwijl de rechtse pers zich verkneukelde in de teloorgang van de rode winkels. Intussen schreef de directie van de Coop-winkels ontslag- en aanbevelingsbrieven. De laatste Coop-winkel sloot de deuren in 1981, een eeuw na de oprichting van de coöperatieve bakkerij Vooruit in Gent.

 

 https://ertsberg.be/boek/vooruit-kameraden/