01 januari 2026

 

Brood dat doodt en zot maakt

 

Peter Scholliers

 

Op 16 augustus 1951 trof een ramp Pont-Saint-Esprit, een Zuid-Frans stadje aan de Rhône. Tweehonderd mensen werden met pijnlijke maag, spieren en hoofd in het lokale ziekenhuis opgenomen. Er viel een dode, gauw gevolgd door vier anderen en later nog twee. Ongeveer vijftig mensen, jong en oud, kregen aanvallen van razernij en werden in een psychiatrische instelling geplaatst. Een golf van paniek rolde niet alleen over de Gard en de Vaucluse, maar over heel Frankrijk. Franse kranten berichtten uitgebreid over de zaak, maar ook Belgische, Britse, Duitse, Nederlandse en zelfs Noord-Amerikaanse dagbladen volgden de kwestie op de voet. Vergiftigd brood bleek de boosdoener. Brood, hét basisvoedsel, stond de bewoners naar het leven.

 

 

Afbeelding met tekst, Menselijk gezicht, boek, kleding

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Le Parisien, 6 september 1951, cover: “Le pain de la mort” (Gallica.fr).

 

           

Het onderzoek naar de oorzaak leidde lange tijd tot niets, ondanks deskundige hulp van internationale experten. Velen dachten aan moederkoren (claviceps purpurea), een schimmel die bij slecht bewaarde rogge en tarwe opduikt en leidt tot hallucinaties en afsterven van weefsel. Maar de zieken vertoonden andere symptomen, wat leidde tot allerlei speculaties. Werden verdacht: de frauderende bakker, zijn helper, de louche molenaar, het vuile water van de fontein, de nieuwe mengmachine, het klooster in de buurt van het stadje, Josef Stalin, spionagediensten, de duivel en de Franse spoorwegmaatschappij. Pas in 1965 kreeg de zaak een juridisch sluitstuk: de Union meunière du Gard, de maalderij, werd veroordeeld. Maar of die de schuldige was…?

 

            Intussen kende de streek geen rust. In december 1951 kocht een boerin oud brood bij bakker Landrand uit Pont-Saint-Esprit om haar kippen te voederen. Enkele dagen later stierven vijf kippen en ook de kat gaf de geest. Net op dat moment vertoonden enkele patiënten en personeelsleden van het plaatselijke hospitaal ziektesymptomen die leken op deze uit de zomer. Bakker Langrand had brood aan het hospitaal geleverd. Het giftige brood was terug! De media, medici en justitie haastten zich naar Pont-Saint-Esprit. Brood- en meelstalen werden getest, molenaars en bakkers werden ondervraagd. De kippenboerin zag haar kans, beschuldigde bakker Langrand en chanteerde hem: 2.500 Franse frank in ruil voor haar stilzwijgen. De bakkerszoon dokte af, maar alles kwam uit: de bakker werd formeel van fraude beschuldigd en moest zijn zaak sluiten.

 

            Meer onderzoek volgde. Snel bleek dat de ziektesymptomen verschilden van deze uit de zomer en dat er niets mis was met het brood van de bakker. Een deskundige stelde vast dat enkele oude conserven met vleesballetjes de oorzaak waren. De doodsoorzaak van de kippen bleef onopgelost: de dode diertjes werden nooit gevonden. De affaire uit december 1951 illustreert mooi de vijf klassieke fasen van een crisis omtrent voedselveiligheid. Aan de basis ligt een gerucht of een feit. Dan volgt de wijde verspreiding via de media en praatjes die de angst doen toenemen. Onderzoeken vormen de derde fase, die vaak controverse opwekken (wat fase vier is), wat tot nog meer onzekerheid leidt. De laatste fase duidt de verantwoordelijke aan en stelt gerust.

 

            De affaire uit augustus 1951 kreeg nog een verrassend staartje. In 2009 ontdekte een Noord-Amerikaanse journalist dat de CIA proeven had gedaan met LSD in het kader van de koude oorlog met de Sovjet-Unie en dat Pont-Saint-Esprit testgebied was. Getuigen bevestigden het verhaal. Zou het?

 

 

 

Een geschenk van uw kelner

 

Patricia Van den Eeckhout

 

Kelners moesten leven van hun fooien en daarom was het belangrijk om de klanten gunstig te stemmen. Niet alleen een uitstekende service, maar ook een klein extraatje kon de klant in een goed humeur brengen. De nieuwjaarsdagen leenden zich daar uitstekend toe. Kelners met een vlotte pen schreven een gelegenheidsgedicht, waarin in niet mis te verstane bewoordingen werd duidelijk gemaakt dat er een flinke fooi werd verwacht. Sommige serveerders maakten niet enkel hun hartelijkste wensen over, maar gaven de klant ook iets tastbaars. Zo overhandigden de kelners van het Antwerpse Café suisse rond de jaarwisseling van 1874 aan hun trouwe klanten een mooie prent van de gelagzaal van het etablissement.

 

 

Afbeelding met kunst, fotolijst, museum, Beeldende kunst

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Industriemuseum (Gent)

 

    In 1862 boden de kelners van de Café suisse aan de stamgasten zelfs iets aan met praktisch nut: een kalender.

Afbeelding met kunst, tekening, tekst

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Felixarchief (Antwerpen)

 

    In de Weense koffiehuizen was een kalender als nieuwjaarsgeschenk voor de Eerste Wereldoorlog een traditie. De stamgasten waren doorgaans niet happig op dit nieuwjaarsritueel, maar er was geen ontkomen aan. Sommige kalenders bevatten een foto van de uitbater of somden de vele kranten en tijdschriften op die in de gelagzaal ter inzage lagen. De kalender kon een mooie fooi opleveren, maar van kelners werd ook verwacht dat ze het drukwerk meefinancierden. Koffiehuisuitbaters deelden in de kosten, maar de Weense caféhouders wilden almaar luxueuzere kalenders uitdelen. Dit joeg de kelners op kosten.

 

    Maar hoe konden serveerders hun klanten ook buiten de eindejaarsperiode gunstig stemmen? De Franse garçon de café Claude Loup had daar iets op gevonden. In 1913 adverteerde hij met de timbrogramme. Dat was een papieren kleinood met de grootte van een postzegel, waarvan er tien verschillende versies bestonden. Op elk van die “vignetten” was een jonge vrouw afgebeeld die zich in wisselende weersomstandigheden bevond: in de sneeuw, in de regen, in de wind, bij grote hitte enz. Het was de bedoeling dat de afzender de timbrogramme op de omslag of op zijn brief plakte, zodat de bestemmeling wist welke de weersomstandigheden waren toen de brief werd verstuurd.

 

 

Journal d’Yvetot, 30 oktober 1912

(gallica.bnf.fr / Bibliothèque nationale de France)

 

    Claude Loup heeft de timbrogramme niet uitgevonden. Dat was het werk van de kunstenaar Paul Riquet, maar Loup kwam wel op het idee om het kleinood aan kelners aan te prijzen. Als invoerder voor België introduceerde hij de timbrogramme in een kelnerblad, met de belofte dat wie aan zijn klanten een timbrogramme overhandigde, met hogere fooien zou worden beloond.