21 mei 2026

Hongerkunstenaar 


Patricia Van den Eeckhout


Op 9 april 1926 werd Reinhold Illmer door de politie van Leipzig gearresteerd. Op dat moment bevond hij zich in een glazen kooi. Onder de artiestennaam Harry Nelson probeerde hij een record te breken: hij wou niet minder dan 45 dagen zonder eten blijven. Daarmee probeerde hij beter te doen dan een zekere Jolly die kort tevoren in Berlijn “wereldkampioen” was geworden door 44 dagen niet te eten. Jolly had met zijn exploot een Italiaan verslagen die 43 dagen niet had gegeten. In de pers werden deze showfiguren “hongerkunstenaar” genoemd. Heel wat mannen en een enkele vrouw probeerden het als hongerkunstenaar te maken en daarmee geld te verdienen.


 

“Nog een hongerkunstenaar”, titelde de Belgische krant De Schelde op 26 februari 1926 (BelgicaPress), toen Jolly aan zijn recordpoging bezig was en een concurrent op het toneel verscheen. Toen moest Harry Nelson nog aan zijn recordpoging beginnen.


Op 9 maart had Illmer, alias Harry Nelson, zich in een glazen kooi laten opsluiten in het gezelschap van 1000 sigaretten en vele flessen spuitwater. Hij zou gedurende 45 dagen niets anders consumeren. Heel wat mensen bleken bereid om hem in zijn glazen kooi te bewonderen à rato van 50 pfennig per persoon. Op die manier hadden Nelson en zijn manager al 37.000 mark opgehaald. Als alle kosten in rekening werden gebracht, zou er nog zo’n 11.000 mark overblijven. 

Maar na 32 dagen hongerlijden kwam er een einde aan het exploot. Een anonieme brief beschuldigde Nelson van bedrog. De politie onderzocht de zaak. Nelson, zijn manager (een handelaar uit Berlijn) en een bewaker bleken onder een hoedje te spelen. De uitdager consumeerde veel meer dan sigaretten en spuitwater. Via een rubberen slang kon hij zich tegoed doen aan kippenbouillon die met eieren was verrijkt. De bouillon werd bereid door een oude dame die verder nergens van wist. ‘s Avonds haalde de manager de flessen bouillon op. Daarnaast nam Nelson Biomalz, een moutsiroop die als krachtvoeding diende. Een fles Pepsinwein (een soort maagmiddel op basis van alcohol) en suikerbonbons vervolledigden zijn “illegale” voorraad. De opgestapelde flessen spuitwater beletten dat het publiek de extra’s zag liggen. Ook bleken sommige dozen gevuld met bonbons in plaats van met sigaretten. 

Harry Nelson werd naar een ziekenhuis gebracht en zijn manager werd aangehouden. In juli van datzelfde jaar moest het drietal voor de rechter komen. De manager probeerde zich eruit te praten door te benadrukken dat Nelson beloofde zich te onthouden van vaste voeding. Bouillon, moutsiroop en “medicinale” wijn konden dus perfect. Het mocht niet baten. De manager kreeg vier maanden cel en 400 mark boete, Nelson moest 2,5 maand naar de gevangenis en de bewaker kwam ervan af met een week. 

De belangstelling voor de kunst van de uithongering ebde na het “topjaar” 1926 vrij snel weg. In het digitale krantenarchief zeit.punktNRW wordt het woord “Hungerkünstler” in 1926 meer dan 2.500 keer vermeld; tien jaar later amper 150 keer.

Op 10 april 1930 stapte Reinhold Illmer in Bremen op een boot die hem naar New York zou brengen. Als beroep gaf hij op: artiest.



 Een tweede keuken in het paleis


Peter Scholliers



 

Het koninklijk paleis in Brussel, jaren 1870.

Illustration Européenne, 13 februari 1875, p. 1 (Belgicaperiodicals)


In 1860 was de zeventigjarige Leopold I een vermoeide man die leed aan jicht en galstenen. Hij had weinig belangstelling voor galadiners, recepties, bals of luncheons. Zijn zoon, toen 25 jaar, betreurde dat omdat hij het belang van eten en drinken bij diplomatieke betrekkingen hoog inschatte. Daarom bemoeide hij zich almaar meer met het dagelijks leven aan het hof.

Samen met de grootmaarschalk en de chef de cuisine, boog de jonge Leopold zich over de organisatie van de keuken. Een nieuw reglement zag het licht in januari 1860. Het voorzag onder meer een striktere controle door de hoofdkok verantwoordelijk te maken voor de aankoop van het voedsel. Deed hij dat oordeelkundig, dan werd hij daarvoor financieel beloond.

Maar de jonge Leopold ambieerde meer. Begin oktober 1865 vroeg hij Edouard Oehm, de chef de cuisine van het paleis, te berekenen wat een tweede ploeg keukenpersoneel zou kosten. Leopold wou deze ploeg inzetten bij galadiners en zo zijn vader omzeilen. Dat zou jaarlijks 47.400 frank kosten, schreef Oehm, wat een gigantisch bedrag was. Een tweede ploeg leek hem dus onverantwoord. Hij besloot: “Op een dag zal Monseigneur kunnen veranderen wat hij wil en verbeteringen invoeren waaraan ik ten volle zal meewerken. Dan zullen ze gepast zijn”. Maar nog dezelfde dag schreef de chef de cuisine een tweede brief die een andere toon aansloeg: “Ik wens mijn eerdere mening te herzien en uw visie te aanvaarden”. 

Van een tweede keukenploeg kwam niets in huis. Twee maanden later, op 10 december 1865, overleed Leopold I. Nog enkele maanden later deed Leopold II wat Oehm had voorspeld: hij ontvouwde zijn plannen voor de herinrichting van de keuken en de grondige renovatie van de ontvangstruimten van het paleis van Brussel. De werken zouden tot het midden van de jaren 1870 duren.

De Marmerenzaal, de Spiegelzaal, de Troonzaal en de Grote Galerij kregen een radicale opknapbeurt die hen tot bijzonder geschikte en indrukwekkende ontvangstruimten maakten. De ene was gepast voor een kleine receptie, de andere voor de ontvangst van alle parlementsleden van het land en nog een andere voor een galadiner met meer dan honderd gasten. L’Indépendance belge, een Brussels dagblad, was enthousiast over de vier zalen die met elkaar in verbinding stonden, wat toeliet grote gezelschappen te ontvangen.

Bijzonder was dat een grote, moderne keuken pal onder de Troonzaal werd geïnstalleerd. Via trappen en liften konden gerechten van de keuken snel naar de ontvangstruimten worden gebracht. Dat was van belang, want precies in die periode —de jaren 1870— verving de service à la russe de oude service à la française: gerechten werden niet alle tegelijkertijd op tafel geplaatst in een magnifieke ordening, maar verschenen na elkaar en moesten warm zijn. De keuken en de zalen waren op tijd klaar om het diplomatieke offensief van Leopold II in de jaren 1870 ten volle culinair te schragen. 




 

Galadiner in de Marmerenzaal, 1906.

Postkaartcollectie van Belfius, https://tresorsdelacademie.be/fr/cartes-postales)


14 mei 2026

 Vuil water


Peter Scholliers


In 1891 publiceerde de Finse dokter Albert Palmberg in Parijs zijn Traité de l’hygiène publique, 650 bladzijden dik. Hij vergeleek zeven Europese steden met elkaar, waaronder Brussel. Bevolkingscijfer, wetgeving, epidemieën, riolering, ziekenhuizen, weldadigheid, voedselveiligheid, schoolkantines, toiletten en waterbevoorrading kwamen aan bod. Palmberg was een hygiënist die, geconfronteerd met overbevolkte, stinkende en gore wijken, de stad als een ziek lichaam zag dat moest worden genezen. Zijn onderzoek moest toelaten de diagnose te stellen.

Vuil water bevatte bacteriën en virussen die in de loop van de 19e eeuw duizenden doden hadden veroorzaakt. De cholera-epidemie in Europa van 1866 deed decennia later iedereen nog huiveren. Palmberg bestudeerde de maatregelen van steden in verband met proper water. Brussel kwam daar redelijk goed uit.

Brusselaars haalden hun water uit verschillende plaatsen. Sinds oudsher waren er de vele stedelijke bronnen met water dat niet hoefde te worden gezuiverd. Maar rond 1800 volstond dat niet langer en almaar meer inwoners groeven putten. Pas in 1850 bouwde de stad citernes en aquaducten om water uit de rivier de Hene en het Zoniënwoud aan te voeren. De aanleg kostte geld, maar na jaren leverde het “stadswater” winst op. Palmberg ging niet in op de vraag of dat water zuiver was, noch of het alle inwoners bereikte.

Sinds 1856 beschikte de stad Brussel over een scheikundig laboratorium. Het was opgericht om meel en brood te analyseren, maar onderzocht gaandeweg vooral andere voedingswaren. Ook water werd vanaf de jaren 1870 gecontroleerd. Dat gebeurde steeds vaker (zie de afbeelding). Het water van de fonteinen en putten bleek “totaal ongeschikt”: tussen 1875 en 1940 was zowat 90 procent van de waterstalen onzuiver. Niet drinken, dus! 

Dat was nu net het water van de volkswijken, want stadswater kostte geld. De kwaliteit van dat laatste kreeg een pluim. In 1885 werd het “perfect zuiver” bevonden, wat decennia onveranderd bleef. Een zeldzame keer bleek er wat mis, zoals in 1930 toen 6,5 procent van de 138 stalen onzuiver was, wat kwam door wegenwerken. De stedelijke waterdienst besloot toen: “Deze anomalie kan verwaarloosd worden”.



 


Rechts: chemische analyse van water door het laboratorium van de stad Brussel, 1875 tot 1892. E. Janssens, Album de statistique graphique. Démographie & hygiène de la ville de Bruxelles (Brussel, Hayez), 1897 (niet gepagineerd) (Google Books).


Het verschil tussen het gratis, gevaarlijk en het duur, zuiver water was groot. De socialistische krant Le Peuple klaagde dat aan toen ze in september 1893 schreef, “Vorig jaar viel een hele arbeiderswijk ten prooi aan de tyfus, wat te wijten was aan het vuile water gebruikt door de armen”. Daarom ijverden de Brusselse socialisten en progressieven voor uitbreiding van het stadswater aan betaalbare prijs. De stad mocht geen winst maken op de levering van proper water.

Na 1895 breidde de stad de voorziening van stadswater systematisch uit, voorzag bevoorrading uit de provincies Henegouwen en Namen en zorgde voor betaalbare prijzen. De ongelijkheid voor de dood door slecht water nam toen af.


 David tegen Goliath


Patricia Van den Eeckhout 


Restauranthouder Paul Moitry liet in 1954 volgende advertentie verschijnen: het is op mijn eigen verzoek dat mijn restaurant L’Auberge d’Armaillé ontbreekt in een gids, uitgegeven door een producent van autobanden. Bij de keuze van autobanden kan ik u niet helpen. Maar specialisten in rubber zijn op hun beurt incompetent op gastronomisch vlak.

De “producent van autobanden” was uiteraard Michelin. Met deze advertentie verklaarde Paul Moitry (1913-1975) de oorlog aan de restaurantgids die de culinaire wereld vanaf de jaren 1930 steeds meer ging domineren. De uitbater had genoeg van de tirannie van het orakel Michelin. Hij was verontwaardigd dat zijn restaurant L’Auberge d’Armaillé in 1953 “slechts” één ster had gekregen. Dat zijn goede collega van La Tour d’argent een jaar eerder een ster verloor, zat hem ook hoog.  

Ik zal die firma een koekje van eigen deeg geven en een gids op autobanden publiceren, kondigde Moitry aan. Hij poseerde met een autoband waarop hij zijn groot keukenmes richtte. Die gids is nooit verschenen. Ook de mobilisatie van restauranthouders was geen succes.


 

L’Est républicain, 4 februari 1955 (gallica.bnf.fr/Bibliothèque nationale de France).


Het opnemen tegen Michelin: weinig restaurateurs durfden dat aan. Maar Moitry was geen doorsnee restaurantuitbater. Als kind droomde hij ervan piloot te worden. Het werd echter de landbouwschool. Vervolgens kwam hij terecht in het leger, waar hij zich met de mess van de officieren bezighield. Dan deed hij verschillende pogingen om patissier te worden, maar hij haakte af. 

Er zat niets anders op dan te gaan helpen in het café van zijn moeder. Er kwam een goochelaar op zijn pad, bij wie hij in de leer ging. Moitry trad een tijdje op als illusionist. Ook daaraan kwam een einde, toen hij vanaf zijn 22ste met de luxueuze slaaptreinen van de Wagons-Lits Europa doorkruiste. Hij begon als afwasser, maar wist zich op te werken. 

Toen de Tweede Wereldoorlog begon, kwam hij weer in een officiersmess terecht. Dat duurde niet lang, want (al dan niet per ongeluk) verwondde hij zichzelf. Hij trouwde met de verpleegster die hem verzorgde en trok naar Parijs om er in 1941 het Russische restaurant Korniloff te kopen.

Moitry doopte het restaurant om tot L’Auberge d’Armaillé. De zaak bleef echter de Russische keuken serveren. Ook voor Franse klassiekers kon men er terecht. Het “huis van de kaviaar” groeide na de Tweede Wereldoorlog uit tot de verzamelplek van Franse en internationale vedetten. Film- en theateracteurs, zangers, kunstenaars, bekende sporters, diplomaten en politici gingen er (duur) dineren, begeleid door een zigeunerorkest. 

Moitry deed er alles aan om in de kijker te lopen. Hij haalde zijn pilotenbrevet, voerde goocheltrucs op in zijn restaurant en gaf ruchtbaarheid aan het nieuwtje dat hij van een reis naar Afrika een leeuwin had meegebracht. Ter ere van het huwelijk van de Engelse prinses Elisabeth in 1947 liet hij door zijn patissier een karos maken waarvoor 45 kg suiker werd gebruikt. In 1955 ontving de (toen zeer bekende) actrice Dora Doll haar gewicht in kaviaar tijdens een spektakel in zijn zaak. 


 


Moitry en zijn leeuwin. Qui, le magazine de l’énigme et de l’aventure, 28 januari 1952 (gallica.bnf.fr/Bibliothèque nationale de France).


De korte kruistocht van Paul Moitry haalde niets uit. Hij verkocht zijn restaurant en begon opnieuw in Saint-Nabord, in de Vogezen. Zijn Hostellerie Clairefontaine kreeg een Michelinster.


07 mei 2026

 Kelnerkoers 


Patricia Van den Eeckhout


Waar de allereerste kelnerwedstrijd werd georganiseerd, is onduidelijk. In 1906 was er een “course des garçons de café” waarbij de deelnemers van Perpignan naar de badplaats Canet-Plage moesten stappen en terug. Dat was echter een tocht van 26 km en van het typische attribuut van een kelnerwedstrijd was geen sprake. Geen kelnercompetitie zonder plateau of dienblad. De opdracht van kelnerkoersen luidde doorgaans: zo snel mogelijk een parcours afleggen met een dienblad zonder dat de gevulde glazen vielen of een deel van hun inhoud verloren. 


 

Images, 23 november 1930 (gallica.bnf.fr / Bibliothèque nationale de France). Kelnerkoers in Montmartre, 1930. De deelnemers legden het parcours af met een dienblad voorzien van een fles en een glas en dienden al lopend een aperitief uit te schenken aan toeschouwers verspreid over het parcours.


Vanaf de jaren 1920 werden heel wat kelnerwedstrijden georganiseerd. Er was geen wijkfeest of braderij of er stond een “course au plateau” op het programma. Succes en een grote volkstoeloop gegarandeerd. Als die wedstrijden werden gesponsord door een krant, dan werd het gebeuren uitvoerig besproken. Zo besteedde de nationalistische krant La Nation belge heel wat aandacht aan de Brusselse kelnerkoers die zij in 1936 meefinancierde. In overeenstemming met de ideologische lijn van het dagblad moesten de (mannelijke) kandidaten Belg zijn. Wie wou meedingen, moest 5 frank inschrijvingsgeld betalen. Die kreeg de kandidaat terug als hij na afloop het dienblad en de glazen had ingeleverd. 

Bij de meeste kelnerkoersen golden er kledingregels en die waren er ook bij de competitie van La Nation belge: zwarte broek, wit vest, “col cassé” (vleugelboord) en een zwarte das. Officials met tricolore armbanden leidden alles in goede banen. Wie door zijn houding of taalgebruik de waardigheid van de wedstrijd in het gedrang bracht, werd uitgesloten. De kandidaten mochten tijdens de proef niet met eten of drinken worden bevoorraad. 


De kelnerkoers die in 1925 door de krant Journal de Charleroi werd georganiseerd, had daar geen probleem mee. Deelnemers mochten zich te goed doen aan glazen champagne, citroenen en bananen. Als ze daardoor vertraging opliepen, was dat uiteraard hun eigen verantwoordelijkheid. 

De kelnerkoersen waren ludieke gebeurtenissen, maar werden toch met enige ernst georganiseerd, zeker als er kranten mee aan het roer stonden. Er werd verslag over gedaan alsof het sportwedstrijden waren en vaak stonden er aan de eindmeet indrukwekkende bekers en andere prijzen te wachten. De kelnerkoers was een gelegenheid om het imago van de garçon de café op te krikken. Dat beroep werd doorgaans niet met vakmanschap geassocieerd. Zo’n wedstrijd zorgde niet enkel voor entertainment, maar liet de kandidaten ook toe met hun behendigheid en snelheid uit te pakken.  

De glazen die ongeschonden de eindmeet moesten bereiken, waren niet noodzakelijk gevuld met bier of wijn. In de competitie van La Nation belge gebruikte men gekleurd water. Bij de plateaukoers van 1928 in Oostende werden de glazen half gevuld met zand om te vermijden dat de wind ze wegblies. De organisatoren van de Rijselse kelnerkoers in 1924 gingen ervan uit dat vrouwen minder behendig waren dan mannen: de karaf en de drie glazen van de serveersters bevatten minder vloeistof dan bij hun mannelijke collega’s.  


Bericht aan huismoeders


Peter Scholliers


 


(Vooruit, 1 maart 1912, p. 4, AMSAB-ISG)

In 1881 verkocht de Samenwerkende Maatschappij Vooruit brood om de levensstandaard van de Gentse arbeidersklasse op te krikken en deze te winnen voor het socialisme. Dat lukte. Eduard Anseele, de baas van Vooruit, scoorde goed tijdens lokale verkiezingen, het ledental steeg en de winst liet toe vele winkels te openen. In 1910 had Vooruit een omzet van 4,1 miljoen frank (vandaag bijna 32 miljoen euro). 

Naast brood verkocht Vooruit gaandeweg geneesmiddelen, kruidenierswaren, steenkool en kleding. Vooral de kledingwinkel bloeide, omdat het aanbod sterk uitbreidde, arbeidersgezinnen het grauwe plunje beu waren en ze meer koopkracht hadden. Bovendien verkocht de winkel ook regenschermen, wandelstokken, hoeden, zakdoeken, juwelen, zakmessen, dassen, bretellen en nog tal van andere spullen.

Vooruits deuren stonden wijd open voor niet-leden. Hun aankopen brachten geld op voor de socialistische zaak en wie weet werd de klant alsnog lid van de coöperatie: dubbele winst. Maar het rode imago van de coöperatie schrikte af. Vooruit heeft daarmee rekening gehouden en stelde gerust, zoals in 1883 toen De Toekomst, het blad van de Vlaamse socialisten, titelde, “Geen schrik voor het Socialisme”, gevolgd door advies aan partijgenoten om werklui te overtuigen bij Vooruit aan te sluiten.

Tot het midden van de jaren 1890 sprak de coöperatie haar klandizie aan met “geacht lid”, “beste leden”, “gezellen” of “partijgenooten”. Eén enkele keer werd “huismoeders” gebruikt. Dat veranderde naarmate Vooruit haar klantenbestand wilde verruimen, hoewel de woorden “leden” en “partijgenoten” nooit uit de reclame verdwenen

Maar na 1895 doken nieuwe, neutrale termen op, zoals “werklieden”, “klanten” of “niet-leden”. Doel was de ideologie uit de reclame te halen en zo veel mogelijk mensen, vooral bedienden, ambtenaren en ambachtslieden, tot kopen bij Vooruit aan te zetten. Na 1900 kwamen er nog meer algemene termen bij, die ook door het grootwarenhuis Innovation of andere winkels werden gebruikt. 

Enkele voorbeelden. “Buitenlieden, bemint uw profijt!” (1901), “Peters en meters, koopt uw nieuwejaarskoeken in Vooruit” (1901), “Huismoeders! Vooraleer uwe aankoopen te doen voor Klaasdag, gaat zien naar kruidenierswinkels van Vooruit” (1901), “Moeders, wilt gij voor uwe lievelingen iets fijn en lekker?” (1902), “Vrienden die boterkoeken verlangen, koopt bij Vooruit” (1905), “Gij ouders, die uw kinderen op Klaasdag wat geven wil, koopt in Vooruit” (1909), “Ter gelegenheid van het aanstaande Klaasfeest berichten we het geacht publiek dat er in al onze kruidenierswinkels lekkere groote taarten te bekoomen zijn” (1911), “Aan de liefhebbers van goedkoope lekkernijen” (1911) en, tenslotte, “Huismoeders, verlangt gij zuivere kruidenierswaren doet uwe aankoopen in de kruidenierswinkels van Vooruit” (1912).


(Vooruit, 28 juni 1911, p. 4; Amsab-ISG)


“Buitenlieden”, “ouders”, “vrienden”, “publiek”, “liefhebbers”, “peters”, “meters”, “moeders” en “huismoeders” zijn woorden die het socialistische imago van Vooruit moesten neutraliseren, zonder de Vooruiters te schofferen. Ook dat is gelukt, want het aandeel van niet-leden in de verkoop is na 1900 gestegen. De aanspreking “huismoeders” kwam in 1910 vijf keer meer voor in de krant Vooruit dan in de jaren 1890 of 1900: de coöperatie besefte dat vrouwen de gezinsportemonnee beheerden.


30 april 2026

 Socialisten aan het banket


Peter Scholliers



 


Bron: Vooruit, 25 april 1911, p. 3 (Amsab-ISG).




Samen eten creëert saamhorigheid. Dat geldt voor gezinnen, sportclubs, beroepsverenigingen en politieke partijen. Dat was niet anders voor de jonge socialistische partij die voet aan de grond kreeg in Vlaanderen in de jaren 1880. In Gent zorgde de Samenwerkende maatschappij Vooruit daarvoor. Het duurde echter jaren voor grote feestmalen van Vooruit de Gentse socialisten samenbrachten. Dat had te maken met een gepaste ruimte die pas in 1896 werd gevonden toen het gebouw in de Bagattenstraat werd aangepast.

De Bond Moyson, de ziekenkas van de socialisten, organiseerde al in 1884 een diner voor de leden, dat 1 frank per persoon kostte. Hoeveel eters er waren en wat de pot schafte, is niet geweten. Die diners werden nog enkele jaren georganiseerd. In 1897 kondigde de krant Vooruit een “Meibanket” aan. Vanaf dat jaar organiseerde de coöperatie Vooruit jaarlijks twee grote feestmalen: het diner naar aanleiding van 1 mei en het “partijbanket” in januari of februari. Het eerste kostte 1 frank, het tweede 75 centiemen, prijzen die “nergens anders te vinden zijn”. De keuze voor het woordje “banket” verraadde het streven van Vooruit de diners van de bourgeoisie te willen evenaren.

De aankondiging van het partijbanket van 1901 maakte duidelijk wat dergelijke bijeenkomsten beoogden: “In zulk gezellig samenzijn worden meermalen de groote plannen van strijd gesmeed, put men geestkracht en moed om den weg van veroveringen verder te bewandelen”. Het bericht had ook oog voor de maag: “Het banket zal puik zijn. Naast een smakelijk maal, zal men een genoeglijke avond genieten”. De deelnemers aten en dronken er niet alleen, maar zongen, dansten en luisterden naar speeches en muziek.

Het menu van de banketten werd zelden gepubliceerd. In 1897 meldde Vooruit: “Vijfhonderd partijgenooten, mannen, vrouwen en kinderen, zaten lustig aan tafel” en genoten van “roastbief met erwtjes en stoverij met bloempatatten”. In 1900 maakte de krant er zich vanaf met “soep, groenten met vleesch en patatten met vleesch”. In 1903 werd “erwtensoep, kalfskop met witte saus, lentegroenten, rundbraad met bruine saus, gefruite aardappelen” geserveerd, terwijl in 1904 “tomatensoep, ossenvleesch en groenten, kalfsvleesch met aardappelen” op tafel kwamen. Met de partijbanketten poogde Vooruit geenszins een chic diner (met voorgerecht, tussengerecht, hoofdgerecht, dessert) te imiteren. Het arbeidersbanket onderscheidde zich echter wel van een gewone maaltijd buitenshuis door het serveren van twee vleessoorten.

Maar dat veranderde. In 1910 kostte het 1 mei-banket 1,50 frank, of 50 procent meer dan tien jaar eerder. Daarvoor kreeg de eter wel wat meer. In 1911 serveerde het feestlokaal van Ons Huis vijf gangen: soep, twee hoofdgerechten en twee desserts. In 1912, ook aan 1,50 frank, leek de spijskaart een bourgeoisdiner te willen kopiëren, Franse vertaling inbegrepen. De eters kregen zeven gangen: “Nieuwe kervelsoep, Radijzen met boter, Boucher met duivenjongen, Kabeljauw met saus en aardappelen, Contre-filet met allerlei groenten, Pasteien van Vooruit, Bananen en oranjeappelen”. In het Frans klonk het nog wat gewichtiger. Deze maaltijd vergde discipline. De honderden eters zaten aan tafels van tien —geen persoon meer of minder-, mochten “den dienst” niet belagen met te veel vragen en wie “niet op tijd aan tafel komt, krijgt den overschot, veel of weinig, warm of koud”.



 

Bron: Vooruit, 27 april 1912, p. 3 (Amsab-ISG).


 Muizenmelk 


Patricia Van den Eeckhout


Ernst Zieckow en zijn echtgenote baatten een groot restaurant uit aan de Heiligensee, een binnenmeer in de buurt van Berlijn waar ’s zomers heel wat stedelingen kwamen verpozen. In mei 1909 stond het etablissement in het middelpunt van de belangstelling. Maar het was niet het soort publiciteit waar restauranthouders om vroegen. Het koppel werd aangeklaagd voor verregaande Schmutzereien ofwel een stuitend gebrek aan hygiëne. Toen in de rechtbank de wantoestanden werden beschreven, werden sommige aanwezigen onwel.


 


Ook buitenlandse kranten hadden belangstelling voor de zaak. “Zwijnerij”, titelde 

De Preanger-bode van 2 juli 1909 (Delpher).


Het water dat in het restaurant werd gebruikt, werd met emmers uit de Havel-rivier opgeschept. Niet enkel werden groenten en fruit met dat verontreinigde water gewassen, maar dezelfde emmers werden gebruikt om de vloer van de danszaal en de toiletten te reinigen en de nachtemmers van het koppel te ledigen. Met het water uit de Havel werd ook koffiegezet. De ketel waarin het koffiewater werd opgewarmd, diende eveneens om de was van de uitbaatster te laten inweken. 


De broodjes voor de gasten werden bewaard in een kast die voortdurend door muizen werd belaagd. Om de muizenplaag tegen te gaan, lieten de uitbaters hun hond in de kast huishouden. Aan gasten zou melk zijn geserveerd, waaruit de waardin eerst enkele muizenlijken moest opvissen. De beschuldigden ontkenden alles. Eventuele onregelmatigheden werden op conto van het personeel geschreven.  


In eerste aanleg werd Ernst Zieckow veroordeeld tot een maand gevangenisstraf en 500 mark boete. Zijn echtgenote moest eenzelfde bedrag ophoesten, maar kreeg drie maanden gevangenis. De geldboetes voor beide beschuldigden werden in beroep gehandhaafd. De man kreeg echter slechts een week, zijn echtgenote vijf maanden cel. De rechter argumenteerde dat de keukenaangelegenheden in de eerste plaats de verantwoordelijkheid waren van mevrouw Zieckow en dat zij dus zwaarder moest gestraft worden.


Dat tijdens de beroepsprocedure een kok en een wc-dame opdraafden om te getuigen dat op het vlak van hygiëne de strengste normen werden gerespecteerd, had de beklaagden niet geholpen. De betrokkenen waren in dienst van het koppel, wat niet bevorderlijk was voor hun geloofwaardigheid. 


Inpikkend op de zaak schreef de stedelijke overheid restaurantuitbaters aan om hen op het belang van een goede hygiëne te wijzen. Ze vaardigde een politieverordening uit die bepaalde dat servetten op hoge temperatuur moesten worden gewassen alvorens ze door andere klanten werden gebruikt. Alle afgewassen eetgerei diende met proper water te worden nagespoeld. Het personeel moest de strengste hygiënische normen in acht nemen en daarom moest hen voortaan wasgelegenheid met zeep en handdoek ter beschikking worden gesteld.  


Enkele maanden later werd er weer aan de alarmbel getrokken: in het Berlijnse restaurant Zander zouden de kookketels eveneens worden gebruikt om de kleren van de uitbaatster te wassen. Bovendien werden de restjes die op de borden van de klanten bleven liggen, systematisch in “verwerkte” vorm terug opgediend. Ook deze uitbaatster werd veroordeeld: 1000 mark boete. In beroep bleef daar 100 mark van over. Er rees echter twijfel of de aantijgingen terecht waren. De klachten kwamen allemaal van ontslagen personeelsleden. Kranten suggereerden dat zij zich misschien door de affaire Zieckow hadden laten inspireren om wraak te nemen. 


Naar aanleiding van deze kwestie maakte een bestuurslid van een vereniging van restaurantuitbaters een forse uitschuiver. Hij stelde dat het hergebruik van restjes in de restaurantwereld niet ongewoon was. De man kreeg alle Berlijnse restaurateurs over zich heen. Zij waren unaniem verontwaardigd: dat gebeurde bij hen nooit! 


23 april 2026

 “Mogen de kleuters ijs eten?”


Patricia Van den Eeckhout 


Dat was de vraag die De Telegraaf in de zomer van 1921 stelde naar aanleiding van het ijsroomdrama in Meppel, een stad in de Nederlandse provincie Drenthe. Na het eten van roomijs op een warme zomerdag werden zo’n 250 mensen ziek en stierven er zes kinderen. Alle betrokkenen hadden last van braken en diarree, sommigen hadden koorts. De gebeurtenissen in Meppel werden internationaal opgepikt, vaak met redelijk wat overdrijving, zoals in onderstaand bericht te zien is.


 


New Zealand Times, 14 juli 1921 (paperspast.natlib.givt.nz)


Opvallend is dat nogal wat Nederlandse kranten het in hun verslaggeving over “roomijs” hadden, met aanhalingstekens, om duidelijk te maken dat er van room geen sprake was. Men kon ijs maken zonder room of eieren door gebruik te maken van ijspoeder. Vanaf het begin van de 20e eeuw werd dit product in de Nederlandse kranten aangeprezen. Met het ijspoeder, dat uit een mengeling van meel en suiker bestond, konden handelaars en huisvrouwen vlug en goedkoop ijs maken, zo beloofden de advertenties. Het poeder smaakte doorgaans naar vanille en moest met melk worden gekookt.  

Ook de venter die de dodelijke ijswafels had verkocht, was zo te werk gegaan. Sommige dagbladen benadrukten dat zijn woning nogal krap was. Enkele jaren later stelde een krant dat het bereiden van en het leuren met consumptie-ijs doorgaans werd beoefend door “de armste onder de armen”. De hygiëne liet geregeld te wensen over. Zo was men bijvoorbeeld gestoten op een venter die zijn ijsmengsel kookte in de pan die hij gebruikte om slachtafval voor zijn honden te bereiden. Een huisschilder bleek zijn werkplunje te wassen in de ketel die ook voor de ijsbereiding diende. Bij de venter uit Meppel werden dergelijke wantoestanden echter niet aangetroffen.

Omdat de ijscoman goede zaken had gedaan, was er van de kwalijke ijsbereiding niets overgebleven. Met het resterende ijspoeder en andere melk werd een nieuw ijsmengsel gemaakt. Daar was niets op aan te merken: “proefdieren aten den room met bijzonderen smaak en bleven volkomen gezond”. 

Maar hoe zat het met de melk waarmee het eerste ijsmengsel werd vervaardigd? De ijsventer benadrukte dat hij verse melk had gebruikt. Was ze misschien al van bij de boer besmet geweest? Werd de melk met water verdund? Of waren de kannen waarin de melk werd geleverd vervuild? Soms werden die uitgespoeld met water van een sloot in plaats van met leidingwater. Maar om een smeuïg ijsmengsel te maken, diende de melk tot aan het kookpunt gebracht. Dat zou eventuele bacteriën moeten vernietigd hebben. 

Het onderzoek van de slachtoffers bracht niet meteen antwoorden, maar uiteindelijk werd de bacillus enteritis Gaertner als de boosdoener aangewezen. Vandaag spreken we over salmonella. Hoe de bacterie in de ijsbereiding terechtkwam, werd nooit opgehelderd. Dat de zomerse warmte er voor iets tussen zat, is discutabel. Een van de gezinsleden van de ijscoman had van de bereiding geproefd nadat ze pas gemaakt was. Ook die persoon lag ziek te bed.  

Als gevolg van het voorval nam de argwaan ten aanzien van ijs dat op die manier werd aangeboden sterk toe. Er werd gewaarschuwd tegen venters die langs de weg of op kermissen ijs verkochten. Sommigen wilden de straatverkoop van niet-verpakte artikelen zelfs helemaal verbieden. In 1929 werd in Nederland een besluit uitgevaardigd dat de bereiding en verkoop van consumptie-ijs regelde.


Stakers en ratten bij Vooruit in mei 1918


Peter Scholliers


Voor 1914 betaalde de socialistische Samenwerkende Maatschappij Vooruit haar bakkers de hoogste lonen van Gent, ze streefde naar de achturendag, ze overlegde over de werkomstandigheden, ze vergoedde nacht- en zondagwerk en ze promootte het lidmaatschap van de ziekenkas. Soms waren de verhoudingen tussen het bestuur van Vooruit en de bakkers wat gespannen, zeker wanneer de leden klaagden over slecht brood. Maar doorgaans stond werken bij Vooruit voor opperbeste werkomstandigheden.

Er was dan ook grote consternatie toen in 1918 een staking uitbrak in de bakkerij van Vooruit. De Algemene vergadering van de coöperatie had in april het werkreglement van de bakkers gewijzigd. Voortaan zou elke bakker per uur 70 broden van 1 kilo moeten bakken voor een uurloon van 1,08 fr. Normaal gezien moesten voor dat tarief slechts 68 broden worden gemaakt. Toen overleg werd geweigerd, gingen de bakkers op maandag 13 mei in staking.



Vooruit, 1 juni 1918, p. 2 (Amsab.be)


Het bestuur schoot onmiddellijk in actie. Het zette weliswaar de deur open voor onderhandelingen, maar liet intussen “enkele leden en partijgenooten het werk der stakende bakkers doen”. Vooruit produceerde dus gewoon door met deze “niet-bakkers”, zoals het bestuur deze mannen noemde. Het overleg met de bakkers leverde niets op, zelfs niet na een bijeenkomst met grote baas Eduard Anseele.

Het conflict bleef niet onopgemerkt. De Nieuwe Gentsche Courant en De Morgenbode hadden het over een “onrechtstreeksen aanslag op het loon van de bakkers”, over “ratten en onderkruipers” die Vooruit had geronseld en over een “zweetstelsel dat kapitalisten hebben uitgevonden”. Vooruit in alle staten. Van 28 mei tot 19 juni publiceerde de Vooruit uitgebreide artikelen om het beleid te verantwoorden en de stakende bakkers van alles en nog wat te verwijten. Het zou gaan om “buitenlieden, anti-socialisten die vijandig optraden tegen de gansche partij, tegen de duizenden leeden en hunne familiën, die ze poogden te treffen in hunne voeding te midden van den oorlog” (Vooruit, 12 juni 1918).

De staking duurde twee weken. In de loop van de tweede week klopten enkele stakers bedeesd op de fabriekspoort en op 24 mei 1918 was de staking voorbij. Elke bakker zou per uur 75 broden bakken à 1,04 frank. Dat was 4 procent minder loon en 7 procent meer broden dan het voorstel van de Algemene vergadering. Staken loont niet, besloot de Vooruit. Na de staking werkten er 31 bakkers, wat vijf minder was dan voordien. Werden de “leiders” geweerd? 23 stakers gingen terug aan het werk, terwijl er acht “niet- bakkers” in dienst bleven.

Vooruit meende dat ze niet anders kon dan het tarief te verlagen en hogere productie te eisen: de mindere kwaliteit van het oorlogsmeel verplichtte haar daartoe. Al bij al handelde de socialistische coöperatie zoals andere ondernemers dat deden voor de oorlog: tarief verlagen, productie verhogen en personeel (deels) vervangen.


*


Verslagen van het Bestuur van Vooruit, 23 maart 1918 – 10 december 1921: https://opac.amsab.be/Record/120050628 (Amsab-ISG, Gent).

 

15 april 2026

Don’t try this at home

 

Patricia Van den Eeckhout

 

Gepluimd gevogelte wordt soms geflambeerd. Dit betekent dat resterende haartjes en oneffenheden met een stevige vlam worden verschroeid. Die operatie is niet zonder gevaar, zoals de twee volgende verhalen illustreren. 

 

In 1901 werkte Felix Emile Alexis als chef de cuisine in het Hôtel du Palais d’Orsay dat voor de Wereldtentoonstelling van 1900 was opgericht. De man was 35 jaar oud en afkomstig van een dorpje in de Ardèche, waar hij als oudste zoon van een onderwijzer werd geboren. Hij werd kok en trok in 1888 naar Parijs.  

 

Alexis had een diepe schaal gevuld met alcohol. Die werd in brand gestoken en het gevogelte werd boven de vlammen gehouden. Toen het vuur begon te minderen, nam Alexis een bus alcohol om bij te vullen. Toen ging het mis. Het vuur in de schaal bleek nog niet helemaal gedoofd en sloeg over op de bus met alcohol. Een ontploffing volgde. Twee koks snelden toe en dompelden de bewusteloze chef onder in een bak koud water. De chef en zijn twee helpers werden naar het ziekenhuis gebracht. De hulpkoks, twee twintigers, waren vooral verbrand aan de borstkas en de handen, terwijl bij de chef vooral de benen zwaar waren toegetakeld. Op 17 december 1901 overleed chef de cuisine Felix Emile Alexis aan zijn verwondingen.

 

In een restaurant in de Franse gemeente Challes was maître d’hôtel Lebreton op 14 augustus 1909 alles in gereedheid aan het brengen voor een huwelijksfeest. In de keuken schroeide kok Georges Roncin de overgebleven haartjes van het gevogelte weg. Hij gebruikte daarvoor een rechaud op alcohol.

 

Toen Roncin vaststelde dat de vlam minder krachtig werd, vulde hij de alcohol aan zonder de rechaud uit te schakelen. De vlam sloeg over op de bus met alcohol, die ontplofte en naar de eetzaal werd gekatapulteerd. Daar was het driejarige kind van de maître d’hôtel aan het spelen. Het jongetje kreeg de vuurzee over zich heen en werd zwaar verbrand in het gezicht. De vader van het kind probeerde de vlammen te doven met een vest, maar het kind was niet meer te redden. De kok liep zware brandwonden op aan de benen.

 

De maître d’hôtel liet zich hierdoor niet uit het lood slaan. Hij zette de voorbereidingen voor het huwelijksfeest verder en ontving de gasten op het afgesproken uur. Dat maakte indruk op de kranten, die hem als een held portretteerden: zijn zoon werd levend verbrand, zijn kok was er erg aan toe, zelf was hij verbrand aan de handen, maar toch ging het huwelijksfeest door.

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, wit, zwart-wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

La Petite république, 17 augustus 1909 (gallica.bnf.fr / Bibliothèque nationale de France)

 

Ook de Belgische krant Journal de Charleroi deelde die bewondering. Zij vergeleek de maître d’hôtel met François Vatel. Die moest in 1671 een groots feest organiseren voor Lodewijk XIV. Toen een grote bestelling van vis niet tijdig toekwam, gooide Vatel zich op zijn zwaard. Hij werd het symbool van de Franse culinaire excellentie: in het streven naar perfectie was geen enkel offer te groot.

 

 

Een syndicaal haar in de soep

 

Peter Scholliers

 

 

De refter van de Koninklijk Munt van België, waar de bankbiljetten werden gedrukt, serveerde elke middag soep aan zijn personeel. Op dinsdag 6 mei 1952, iets voor de middag, belde Vervaete, een drukker die ook verantwoordelijk was voor de refter van de Munt, naar de onderdirecteur van de instelling. De soep rook naar zeep! De baas van de kantine, Schuyten, raadde zelfs af de soep te eten.

 

Vervaete legde daarop de hoorn neer en doorkruiste het hele gebouw om iedereen te verwittigen dat de soep alweer slecht was. Onmiddellijk holde de onderdirecteur naar de refter, trof er eters aan die de soep weigerden, proefde ze en vond ze goed. Hij vroeg de kok naar de refter te komen om haar mening te geven. Dat deed ze met luide stem: ze proefde de soep en verkondigde dat ze, als altijd, uitstekend was. Ze rook gewoon naar verse kervel, een geur die elke huisvrouw zou herkennen. De refterbezoekers waren gerustgesteld en aten de soep op. Maar hiermee was de kous niet af.

           

De onderdirecteur meldde het voorval aan zijn directeur, die het nodig vond de grote baas van de Munt op de hoogte te brengen. De directeur wist dat het niet de eerste keer was dat Vervaete en Schuyten de soep bekritiseerden. Eerder hadden ze een probleem met rundsvet in de soep, hoewel dat product niet werd gebruikt. Ook nu was er volgens de directeur met de soep niets aan de hand. Dezelfde soep werd geserveerd in de andere refters van het ministerie van Financiën en daar had niemand geklaagd. De directeur besloot: Vervaete en Schuyten waren onbekwaam de refter te beheren.

           

De grote baas van de Munt meende dat de affaire rond de soep het conflict tussen de twee grote syndicaten blootlegde. Vervaete en Schuyten vertegenwoordigden het socialistische Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV). Ze hadden het regelmatig aan de stok met collega’s die aangesloten waren bij het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV). Al in februari was ABVV-er Vervaete er door ACV-ers van beschuldigd bij de uitdeling van de soep “naar willekeur drukking uit te oefenen op de mensen die zich niet tot hun kleur bekennen”. Kreeg een socialistisch gezind personeelslid meer soep dan wie sympathie had voor de christelijke concurrent?

 

Volgens de grote baas was hier sinds enkele weken een bittere, persoonlijke strijd aan de gang. Vervaete en Schuyten probeerden de soep te gebruiken om hun socialistisch syndicaat te laten scoren. Ze hadden het recht de soep slecht te vinden, meende de chef, maar als medeverantwoordelijken voor de refter moesten ze hun commentaar voor zich houden. Vervaete en Schuyten mochten zich niet langer met de refter inlaten. De ACV-ers hadden hun slag thuisgehaald.

 

Wat had Vervaete en Schuyten bezield? Waren ze er echt van overtuigd dat ze via hun campagne tegen de soep sympathie konden winnen voor de socialistische vakbond? Maakte de christelijke vakbond van het voorval gebruik om hen te dwarsbomen? Nog merkwaardiger is het belang dat de onderdirecteur en de directeur van de Munt aan de hele kwestie hechtten. De instelling die ’s lands bankbiljetten drukte, was even in de ban van soep. Maar die soep was wel een van de weinige zaken die men in de refter van de Koninklijke Munt ’s middags kon krijgen. Als er daar onenigheid over bestond, kwamen de goede verhoudingen op de werkvloer misschien wel in gevaar.

 

 

Protest van het Christelijk Syndicaat tegen de

socialistische verantwoordelijke voor de maaltijden

(Algemeen rijksarchief, FOD Financiën, Dienst Logistiek, nr. 254).

 

 

09 april 2026

 

Schunnigheid en romantiek op het bord

 

Patricia Van den Eeckhout

 

“Het aspergeseizoen start uitzonderlijk vroeg”, schrijft de Belgische pers op 31 maart 2026. De adellijke familie de Merode Westerloo deed beter: op 18 februari 1721 kocht haar kok de eerste asperges van het jaar. Gewone stervelingen moesten langer wachten, maar voor wie het kon betalen, had Jean de La Quintinie (1626-1688) een teeltmethode ontwikkeld om deze groenten al in de winter te serveren. Als hoofd van de koninklijke tuinen deed hij er alles aan om Lodewijk XIV al in december asperges aan te bieden.

 

Andere fijnproevers hadden meer geduld. In 1779 schaften de paters van de Gentse Sint-Pietersabdij hun eerste “bondel aspersis” (bussel asperges) aan op 8 april. Bij de hertog van Ursel verschenen de asperges in 1786 pas de eerste mei op tafel, maar vervolgens werden ze quasi dagelijks geserveerd. Ook de keuken van de pedagogie Het Varken, een van de plekken waar de studenten van de Leuvense universiteit woonden en les kregen, wachtte in 1764 tot de maand mei om haar eerste asperges te kopen. Maar dan was er geen houden meer aan. Asperges stonden er geregeld op het menu en dat tot het einde van het seizoen in juni.

 

Gezien hun vorm werden stevige witte asperges geassocieerd met een fallus. Het Franse tijdschrift La Vie Parisienne kon in 1879 niet aan de verleiding weerstaan en wijdde een heel artikel aan het thema ”Comment elles mangent les asperges?”. Hoe eten vrouwen asperges? Bedoeling was niet de etiquetteregels op te frissen, maar de goegemeente wat te choqueren met suggestieve tekeningen en teksten die asperges-etende dames lieten zien. De netjes ondertitelde tekeningen overlopen hoe vrouwen asperges aanpakken: met gulzigheid, aarzelend, argeloos, zonder omhaal, met manieren, onwetend of op natuurlijke wijze.    

 

La Vie Parisienne, 7 juni 1879 (Google Books)

 

Het tekstje dat deze laatste dame becommentarieert, gaat ongeveer zo: “Zonder aanstellerij, zonder verlegenheid, draait en keert ze de asperge om en om, want ze houdt van veel saus. Dan opent ze de mond en duwt er de asperge in. Ze sluit de ogen: het is gebeurd!”

 

Zeven vrouwen nemen een asperge op een ostentatieve manier in de mond, maar de achtste eet de groente “à l’anglaise”. Zij verorbert de stengels met andere woorden met mes en vork. Daarin is niemand geïnteresseerd, besluit het artikel.

 

Asperges kenden uiteraard ook onschuldiger toepassingen. Als lentegroente prijkten ze op de feestdis van heel wat huwelijken. Dat was ook het geval bij het feest dat in 1900 door de Antwerpse traiteur Camille Vromman werd georganiseerd voor de trouw van de Antwerpse Hélène H. en de Berlijnse Martin K.

 

De traiteur had er zijn werk van gemaakt. Hij serveerde niet alleen een uitgebreid menu, maar elk van de gerechten kwam in een vierregelig vers met aangepaste typografie aan bod. Het weemoedige vers dat aan de asperges à la flamande werd gewijd, koestert de Vlaamse grond die deze succulente groente voortbracht, maar wenkt ook naar het nakende afscheid.

 

L’art culinaire, 1900. Extra nummer Noël gourmand

(gallica.bnf.fr / Bibliothèque nationale de France)

 

Vrij vertaald:

Ken je het land waar de asperge bloeit?

Je zal onze Vlaamse grond achterlaten.

Als je ginder bent en Duitse geworden,

Vergeet dan nooit hoeveel we hier van je houden!

 


 

Klopjacht op Brusselse restaurants

 

Peter Scholliers

 

 

Februari 1941. De Belgen zagen nog geen zwarte sneeuw maar leefden al 280 bezettingsdagen met rantsoenzegels, lange wachtrijen en stijgende prijzen. De collaborerende administratie had een prijzenstop ingesteld, maar kon de snelle groei van een zwart circuit niet beletten. Nochtans hield de Dienst voor Controle en Onderzoek de prijzen nauwgezet in het oog. Zijn agenten doken plotseling op in beruchte smokkelsteegjes, vielen beenhouwerijen binnen en controleerden de bolle tas van reizigers in de boerentram (de tram die het platteland en de stad verbond).

 

                  Begin februari ‘41 schakelde de Dienst een versnelling hoger, want de goederen verschoven almaar meer van de reguliere naar de zwarte markt. Die dwarsboomde de prijzenpolitiek en kon onhygiënisch zijn omdat het voedsel niet werd gecontroleerd. De Dienst wilde een sterk signaal geven dat een schok moest teweegbrengen: een razzia op Brusselse restaurants. Deze hadden de reputatie klanten te gerieven tegen erg hoge prijzen en zonder rantsoenzegels.

 

                  De actie werd grondig voorbereid. De directeur-generaal leidde de operatie, bijgestaan door een tiental districtshoofden. Op woensdag 19 februari, klokslag 12 uur, stuurden zij 400 agenten naar 120 goedbeklante restaurants in de buurt van de Beurs en het Noordstation.

 

 

Een zeldzame blik op de razzia van 19 februari 1941: agenten met de neus in de pannen en de boekhouding (Vooruit, 22 februari 1941, KBR, Belgicapress).

                 

De dag erna rapporteerde de pers over de actie. Een krant titelde “Een groote slag tegen den woekerhandel”, een andere “De hotelhouders zijn gewaarschuwd!”. Een uitgebreid verslag had het over zenuwachtig personeel, panikerende geranten, boekhouding die onvindbaar was, geheime ruimten vol etenswaren en wegsnellende klanten. Vooral luxerestaurants zaten in het vizier.

 

Twee dagen later had de pers het over een “verbazingwekkend succes”: 400.000 eieren, 30.000 kilo vlees, 10.000 kilo koffiebonen en 3.000 liter slaolie werden in beslag genomen. Hopen boekhoudkundige documenten werden opgeladen en een tiental arrestaties verricht. De actie legde een heus systeem bloot: de restauranthouders hadden werklozen in dienst die de markt verkenden, tussenpersonen om de waar te vervoeren en hulpjes om groenten, fruit, vlees of vis een eerste bewerking te geven. Het geconfisqueerde voedsel werd deels aan hulporganisaties geschonken, deels verkocht aan de officiële prijs.

                 

De gecontroleerde pers juichte de actie toe. Goed zo, schreef de Rexistische Le Pays Réel. Geef ons nu de namen van de restaurants en hun eigenaars! Maar het bleef stil. De krant haalde uit naar de machtigen en rijken, omdat er uiteindelijk slechts zes restaurants tijdelijk werden gesloten en maar vier restauranthouders werden veroordeeld. Op 120 gecontroleerde eethuizen was dat weinig.

 

De clandestiene pers zag het anders: de chique restaurants waren dé plek waar collaborateurs en nazi’s elkaar troffen en feestten (“ils s’empiffrent comme des cochons”, schreef een sluikblad), en dus genoten die plekken bescherming. De clandestiene pers had wellicht een punt. Toen in december 1941 een tweede razzia werd georganiseerd, bleken de Brusselse restauranthouders op voorhand getipt.  De actie was een fiasco. Wie had gelekt?

 

De Brusselse acties werden gevolgd door razzia’s op restaurants elders in het land, onder meer in Gent en Charleroi. Ook daar was het resultaat mager en bleek het vooral om propaganda te gaan: veel spektakel, maar weinig concrete gevolgen.