09 juli 2026

 Koninklijke wijn te koop


scroll down to the translating tool and access 101 languages

Peter Scholliers

De Nederlandse Koning Willem I regeerde over het Verenigd koninkrijk der Nederlanden tot 1830, toen de revolutie hem afzette en België ontstond. Willem I had schulden bij heel wat Belgische handelaars en ambachtslieden. Misschien moet de wijn uit zijn Brusselse paleis worden verkocht om de schuldeisers te betalen, opperden enkele Belgische kranten in november 1831. Dat gebeurde niet maar de idee werd twee jaar later opgepikt, niet alleen om schulden te betalen maar ook om de staatskas van het jonge België te spekken. 

De wijnkelder van Willem I was goed gevuld. Hij dronk dagelijks wijn en de drank vloeide ook gul bij diplomatieke contacten waar heildronken de toespraken afrondden. De kelder van het paleis van Brussel bevatte wijn van befaamde producenten uit de Bordeaux-streek zoals Margaux, Lafite, Saint-Julien en Latour, naast gerenommeerde Spaanse en Duitse wijnen.

Le Belge, een Brusselse krant van republikeinse strekking, schatte de waarde van de paleiswijn op 40.000 frank (zo’n 310.000 euro) voor 23.000 flessen. Elke fles kostte gemiddeld 1,75 frank (14 euro). Er was goedkope wijn van 30 centiemen voor een liter (2,30 euro) die werd gebruikt voor het koken, maar ook dure à 20 frank voor 75 centiliter (155 euro) die op galadiners werd geschonken.

In oktober 1833 vroeg Le Belge waarom de paarden van Willem I verkocht waren, maar nog niet de meubels, boerderijen, gronden, schilderijen of wijn. Deed dit bericht de Belgische administratie nog geen maand later beslissen de wijn van Willem I in beslag te nemen en openbaar te verkopen? De krant en vele Belgicisten triomfeerden.


 

Deel van de aankondiging van de openbare verkoop van de wijn van Willem I. 

Le Belge, 3 januari 1834 (Belgicapress – KBR).

De verkoop gebeurde in het paleis van Brussel op 26 december 1833 en 7 januari 1834 onder toezicht van een ambtenaar van het sekwester. De pers publiceerde de officiële aankondiging van de verkoop met de inventaris van de koopwaar: 18.000 flessen Rüdesheim, Johannisberg, Porto, Bergerac, Latour, Graves, Chablis, Lafite en vele andere prestigieuze soorten, naast honderden flessen likeur en evenveel vaten bier. 

De verkoop trok veel geïnteresseerden en bracht goed op (maar het juiste bedrag is ongekend). Een krant schreef dat vooral aanhangers van het huis van Oranje de wijn van de koning hadden gekocht en daarbij niet op een frank hadden gekeken. Ze besloot dat “dit de ideale manier was om hun verdriet te verdrinken”. Het jonge België had de staatskas gevuld en de Hollandse koning te kijk gezet.

Willem I betwistte de verkoop van zijn wijn, maar hij werd volslagen genegeerd. De Willemsgezinde Messager de Gand vond dat er een verschil moest worden gemaakt tussen de publieke figuur en het individu dat recht had op eigendom: de inbeslagname van de wijn was dus diefstal. Le Belge fulmineerde “Moeten wij dan de schulden van een tiran betalen?”.

Vijftien jaar later bood een Brusselse notaris 2.000 flessen wijn van topkwaliteit in openbare verkoop aan. Hij meldde dat enkele flessen uit de wijnkelder van Willem I kwamen. De Hollandse koning was vergeten, maar de reputatie van zijn wijn blijkbaar niet.

*

Wie meer wil weten over de wijnconsumptie aan het koninklijke hof, kan terecht bij dit artikel : "Wine Diplomacy at the Brussels Royal Court priot to 1914" in Storia e Futuro (juni 2926, open access).



 Wie heeft er zin in aartshertoginnenroereieren? 

Scroll down to the translating tool (and access 101 languages)

Patricia Van den Eeckhout


De taal van de gastronomie is het Frans en soms hebben anderstaligen daar genoeg van. Zo publiceerde M. Lunnebach in 1871 een boekje van 72 pagina’s waarin alle mogelijke culinaire uitdrukkingen en gerechten van een equivalent in het Duits werden voorzien. De hegemonie van het Frans in de keuken en op de spijskaart moest een halt worden toegeroepen. Lunnebach wou zijn moedertaal zuiveren van vreemde invloeden, maar vooral het Frans was hem een doorn in het oog.


 


Fragment uit M. Lunnebach, Anfang zur Reinigung unserer Muttersprache von allen fremden Brocken (1871) Google Books


In België was en is er niet enkel een taalstrijd op “papier”. De verhoudingen tussen Nederlandstaligen en Franstaligen hebben mee de Belgische geschiedenis van de laatste tweehonderd jaar vorm gegeven. Frans was niet enkel de voertaal van de gastronomie, maar werd ook geassocieerd met status. Het “Vlaams” leek niet thuis te horen in oorden van goede smaak en elegantie. Wie in hotels en restaurants werkte, kende doorgaans enkel de Franse benamingen van keukentermen en gerechten.

In 1969 publiceerde de Gentse filoloog en vertaler René Haeseryn een boekje getiteld A.B.N. in hotel en restaurant. A.B.N. staat voor “Algemeen Beschaafd Nederlands”, een uitdrukking die in onbruik is geraakt. Het was de bedoeling de dialectsprekende Vlamingen het standaard Nederlands bij te brengen, inclusief vakjargon uit bepaalde sectoren.

Vlaamse toeristische instanties publiceerden in 1978 een tegenhanger van de woordenlijst van Lunnebach, maar de toon was heel wat beminnelijker. Onder leiding van Freddy Seynaeve werd een brochure van 64 pagina’s uitgegeven, getiteld Smakelijk. 1500 keukentermen in het Nederlands. Voor een waslijst van gerechten werd een equivalent in het Nederlands  gepresenteerd. Het boekje werd naar restaurants in Vlaanderen en Brussel gestuurd, in de hoop dat het de spijskaarten zou inspireren.  

Het streven om alles mordicus in het Nederlands te benoemen, gaf af en toe aanleiding tot omslachtige, knullige of zelfs misleidende benamingen. Wat te denken bijvoorbeeld van de vertaling van het gerecht fondue blankenbergeoise? Dat werd: “Blankenbergse gegratineerde croquet”. Een fondue is geen kroket en een gegratineerde kroket moet wel heel krokant zijn uitgevallen. De crème à la vanille aux macarons werd vertaald als “vla met bitterkoekjes”. Maar een bitterkoekje is niet hetzelfde als een macaron.  

De oeufs brouillés archiduchesse werden in het Nederlands: aartshertoginnenroereieren.  Wie pigeon à la bonne femme bestelde, kreeg “duif naar huisvrouwentrant” geserveerd. De cabillaud à la boulangère bleek een “kabeljauw op bakkerinnentrant”. Dat zijn allemaal zeer omslachtige benamingen die, vertaald in het Nederlands, de consument even weinig informatie geven als hun Franse tegenhangers. 

In een aantal gevallen nodigt de Nederlandse vertaling niet echt uit om te eten. Een assiette niçoise die een “schotel zoals in Nice” wordt, spreekt niet tot de verbeelding. Met een crêpe pousse-café die een “flensje in koffiesaus” blijkt te zijn, zou ik mijn maaltijd niet willen eindigen. Ook de pomme meringuée die een “appel op schuim” wordt, sla ik liever over. Maar een enkele keer blijkt de Nederlandse vertaling meer informatie te bevatten dan het Franse origineel. Wat een crêpe Suzanne is, blijft een raadsel. In het Nederlands komt men echter te weten dat dit een “flensje met gesneden ananas” is. 



01 juli 2026

 Macaro, macaro, macaroni

Read this article in your own language by using the translation tool on your mobile or by scrolling down to the bottom of this page. Enjoy!


Patricia Van den Eeckhout


Wie in het Belgische digitale krantenarchief BelgicaPress op zoek gaat naar het woord “spaghetti” heeft (inclusief spellingsvarianten) tot 1914 welgeteld 14 hits. Het woord “macaroni” daarentegen komt meer dan 5.000 keer voor; het woord “vermicelli” (inclusief spellingsvarianten) vinden we meer dan 2.800 keer terug. 

Mogelijk was het woord “macaroni” veel eerder populair dan het woord “spaghetti” omdat het een verzamelnaam voor diverse soorten pasta was. Maar waarom besloot men dan na de Eerste Wereldoorlog in toenemende mate om een welbepaalde pasta (spaghetti) met zijn specifieke naam aan te duiden? En waarom benoemde men vermicelli al veel eerder wél met zijn eigen naam? 

Het lijkt erop dat de lange deegslierten die kenmerkend zijn voor spaghetti in het België van voor de Eerste Wereldoorlog vrij marginaal waren. Met macaroni en vermicelli daarentegen was de consument al veel langer vertrouwd. Zo schaften de adellijke families de Merode Westerloo en d’Ursel in de 18e eeuw zowel macaroni als vermicelli aan. 




De maître d’hôtel van de familie d’Ursel, die afwisselend in Brussel en in Hingene verbleef, maakte in 1786 een lijst van wat hij bij zijn kruidenier gekocht had. Hij bleek moeite te hebben met het woord vermicelli: hij spelde het als “vert michel” (Archief van de familie d’Ursel - Algemeen Rijksarchief)


Allicht verschenen macaroni en vermicelli geruime tijd enkel op de tafels van de gegoede klasse. Iedereen was het erover eens dat de beste deegwaren uit Italië kwamen, maar in de eerste helft van de 19e eeuw begonnen Belgische fabriekjes eveneens pasta te produceren. Dat drukte de prijzen.

In 1857 bleek de Brusselse typograaf Joseph Dauby, een goedbetaalde arbeider, zowel vermicelli als macaroni te kopen. Zo’n tien jaar later treffen we vermicelli aan in het assortiment van kruidenierswaren van de firma Delhaize. De winkelketen verkocht vooral aan mensen van de middenklasse. Nog enkele jaren later kon de klant er ook macaroni krijgen. In de jaren 1890 kwamen daar noedels bij en pasta in de vorm van letters en sterren, die zoals vermicelli voor de soep werden gebruikt. In de vroege jaren 1900 werd het assortiment van Delhaize uitgebreid met lasagne en schelpvormige pasta.

Ondertussen verscheen macaroni op de spijskaarten van restaurants. De deegwaar werd niet gebruikt om aardappelen, frieten of rijst te vervangen, maar werd vooral gesmaakt als op zichzelf staande schotel, bij voorkeur met kaas en een korstje. 


Menu van het Gentse café-restaurant A l’Entrecôte in 1897 (Vliegende bladen, Universiteitsbibliotheek UGent).

Macaroni werd een vertrouwd product. Handboeken voor huishoudscholen namen macaronirecepten op. In 1913 kwam de macaroni zelfs in een Belgisch carnavalslied terecht: “Ah, qu’il est beau quand il est cuit. Le macaro, le macaro, le macaroni”Vrij vertaald: “Ach, wat is hij mooi als hij gekookt is. De macaro, de macaro, de macaroni”.

Na de Eerste Wereldoorlog pakte de kruideniersketen Delhaize uit met nieuwe producten: rigatoni, mezzani, mezzanelli en …spaghetti. Ook de coöperatieve Union économique de Bruxelles ging spaghetti verkopen. Waarom heeft de introductie van spaghetti in België zolang op zich laten wachten? Nederlandse, Britse en Franse krantenarchieven laten zien dat ook in die landen de lange deegslierten pas doorbraken na de Eerste Wereldoorlog. Waarom? Een bevredigend antwoord op die vraag ben ik nog niet tegengekomen. Migratie vanuit Italië (die in België pas na de Tweede Wereldoorlog goed op gang kwam) kan niet verklaren waarom de Belgen spaghetti na de Eerste Wereldoorlog ontdekten.

*

Werp ook een blik op Macaroni in koude tomatensaus


Bakers in Court / Bakkers voor de rechter



Read this article in your language by using the translation tool on your mobile or by scrolling down to the bottom of this page


Peter Scholliers


Na de slag bij Waterloo in juni 1815 probeerde Europa te herstellen van de Napoleontische oorlogen. Nijverheid, handel en landbouw kropen uit een diep dal. Op hetzelfde moment barstte aan de andere kant van de wereld, in Java, de vulkaan Tambora uit, wat aan duizenden mensen het leven kostte. In de lente van 1816 bereikte een gigantische stofwolk Europa, met korte maar hevige klimaatsveranderingen tot gevolg: erg kil in de lente, overvloedige regen in de zomer en abnormaal koud in de herfst. Kranten kondigden een rampzalige oogst aan.

En inderdaad: slechte opbrengsten stuwden de prijs van tarwe en rogge omhoog. In Gent, bijvoorbeeld, werd een hectoliter rogge 2,5 keer duurder tussen december 1815 en juni 1817, wat sinds vier generaties niet meer was gezien. Honger, migratie, ziekte en angst waren het gevolg. Vrouwen, mannen en kinderen belegerden bakkerijen, de politie chargeerde en de justitie veroordeelde (zie ook: Slaet in de ramen en grijpt de brooden). 




 

Prijs van een hectoliter rogge op de markt van Gent, in schellingen (Gazette van Gend, 1816 en 1817, https://www.gentools.be/gazette-van-gend.htm).


De autoriteiten wisten dat hoge graan- en broodprijzen tot onlusten leidden. Daarom bepaalden vele gemeenten de prijs van het brood, waarschuwden ze molenaars en bakkers dat speculatie zeer streng gestraft zou worden en probeerden ze ervoor te zorgen dat er voldoende graan werd aangeboden. Bakkers werden eraan herinnerd dat brood het correcte gewicht moest hebben, geen ongepaste stoffen mocht bevatten en dat de prijs duidelijk zichtbaar moest zijn.   

De prijsstijgingen brachten sommige bakkers in de verleiding om krijt bij hun meel te mengen of de broden lichter te maken. Het publiek was argwanend. Een gerucht volstond om bakkers van fraude te betichten. In juli 1817, bijvoorbeeld, beschuldigden enkele arbeiders een Brusselse bakker ervan aluin in zijn roggemeel te doen om het lichter en witter te maken, waarop de man direct naar het politiebureau werd geleid. Na ondervraging werd hij vrijgelaten.

Onderzoeken naar frauduleuze molenaars en bakkers stapelden zich op in 1816 en 1817. Regelmatig mondden die uit in arrestaties en processen, maar het is niet geweten hoeveel bakkers, molenaars en graanhandelaars voor fraude werden gestraft. Een paar voorbeelden. In juni 1816 kreeg bakker Speliers uit Gent een gevangenisstraf van een maand omdat hij te licht brood had verkocht en bovendien de politiecommissaris had beledigd. In oktober van hetzelfde jaar kregen Jérome Everards en Jacques Darien, twee Brusselse bakkers, een maand gevangenisstraf omdat hun brood te licht was. In dezelfde maand kreeg bakker Vanrobais uit Ieper twee maanden gevangenisstraf en een boete van niet minder dan 1.000 frank omdat hij zijn brood te duur verkocht. Dezelfde straf kreeg bakker Rémi Chapelle uit Nijvel in november 1817. Dat waren relatief zware straffen, die soms de sluiting van de bakkerij betekenden.

De pers bracht verslag uit van de veroordelingen van bakkers alsof ze wilde onderlijnen dat niet alleen de armoezaaiers die een stuk brood hadden gestolen voor de rechter verschenen, maar ook de malafide handelaars. Onvergelijkbare vergrijpen met zeer ongelijke straffen. Zo kregen enkele jongelui zes maand gevangenisstraf omdat zij de aanstokers zouden zijn van “beledigende geruchtmakingen voor het huys van eenen graankoopman”.




 

25 juni 2026

 Jong geleerd, is oud gedaan


Over 100 languages are accessible via the translating tool scroll down to the bottom of this page, or open the tool on your mobile


Patricia Van den Eeckhout 


In zijn gids How to enjoy Paris (1818) merkte de Engelsman Peter Hervé op dat kinderen hun ouders vergezelden bij een restaurantbezoek. Ook de Amerikaan John P. Durbin stelde in Observations in Europe (1846) vast dat kinderen van de partij waren. Als Angelsaksers verbaasden ze zich vooral over de aanwezigheid van vrouwen in deze publieke ruimten, maar kinderen meenemen op restaurant was voor hen evenmin evident. 

Was dit voor de Parijzenaars wel vanzelfsprekend? Er werd alleszins weinig ruchtbaarheid gegeven aan het feit dat kinderen in restaurants welkom waren of dat ze op een speciale behandeling mochten rekenen. Verschillende gidsen voor Parijs vermeldden in de jaren 1860/70 dat het restaurant Dîner du commerce een apart tarief had voor kinderen. Voor een avondmaaltijd betaalden de jonge restaurantbezoekers de helft van wat een volwassene moest neertellen. Geen enkel ander restaurant pakte daarmee uit. Als L’Illustration in 1903 stelt dat sommige familierestaurants een kinderportie aanbieden, dan geeft dit niet de indruk dat dit een doodnormale zaak was. 

 

K. Baedeker, Paris et la France du Nord (1867) (Google Books)


In België en Nederland was het niet de gewoonte kinderen mee te nemen naar een restaurant. Als een Nederlandse delegatie in 1950 verslag deed van haar bezoek aan de Verenigde Staten, dan stelde ze met enige verbazing vast dat restaurants er speciale kindermenu’s aanboden en kinderstoelen en kinderservies in huis hadden. Op die manier probeerden ze de sympathie van de ouders te winnen, merkte het verslag op. Al bij al kwam de delegatie niet zoveel kinderen in restaurants tegen, maar de uitbaters waren alleszins op hun komst voorbereid.

Met kindermenu’s werd in Nederland geadverteerd vanaf de late jaren 1950; in België pakten restaurants daar pas vanaf het begin van de jaren 1970 mee uit. De koopkracht was gestegen zodat een restaurantbezoek met het hele gezin haalbaar werd. Restaurant Albert’s Corner in de Nederlandse gemeente Heerlen pikte daar in 1966 op in met deze wervende boodschap: “Ga eens fijn buiten de deur eten. ‘s Middags of ’s avonds. Zaterdag of zondag. En neem uw kinderen mee. Dan zal blijken dat kinderen bij ons gewaardeerde gasten zijn. Uit een speciaal voor hen opgestelde menukaart kunnen ze kiezen uit alle mogelijke verrukkelijke kindergerechten!”.

De goede zorg voor jeugdige klanten was een troef waarmee restauranthouders en de toeristische sector konden scoren. Toen de toeristische dienst van de Belgische badstad Knokke in 1974 een brochure voorbereidde met de restaurants van de gemeente, werd aan de uitbaters aangeraden kindermenu’s te voorzien. Op die manier zouden ze “het imago van de badplaats als kinderparadijs” in de verf zetten. Niet alle uitbaters wisten echter hoe ze een restaurantbezoek voor kinderen aantrekkelijk konden maken. Wel was iedereen het erover eens dat ze in chique restaurants niet op hun plaats waren. Maar een kindermenu bedenken was ook niet eenvoudig. Een Nederlands onderzoek uit de jaren 1980 constateerde dat tienjarigen niet hoog opliepen met de speciale kindermenu’s. De voorspelbare kip met appelmoes en kroketten ging snel vervelen. 

Maar de kinderen zelf gingen soms ook op de zenuwen werken. In 1987 stelde de Nederlandse krant Het Parool een lijst op met 96 ergernissen. Op de derde plek van de meest ergerlijke dingen stond: schreeuwende kinderen in een restaurant. 


 Kruidenierswinkels die doen dromen


Over 100 languages accessible via the translating tool: scroll down to the bottom of this article, or open the tool on your mobile

Peter Scholliers


 

Boven rechts wordt de kruidenierswinkel vermeld, “Laagste prijzen, beste hoedanigheid”, maar ook nadruk op “natuurboter” (in tegenstelling tot margarine en vervalste boter) die “wekelijksch scheikundig onderzocht” wordt (Vooruit, 2 september 1889; Amsab-ISG).


In 1883 startte de coöperatieve bakkerij van Vooruit met de bescheiden verkoop van koffie, cichorei, meel en boter. De leden bestelden de producten bij de brooddragers van de coöperatie, die ze de dag nadien thuis bezorgden. Boter moest koel worden gehouden, wat de levering natuurlijk bemoeilijkte. De verkoop was matig. Dat duurde tot 1889, toen de bakkerij van de Garenplaats verhuisde naar de Nijverheidslaan (het huidige Anseeleplein en de Nieuwevaart) en er ruimte vrij kwam voor een volwaardige kruidenierszaak. Het “vergroot kruideniersmagazijn” kende onmiddellijk succes. In 1890 was de verkoop er goed voor 9,2 procent van de totale omzet van Vooruit, maar in 1912 bedroeg die al 29,1 procent, bijna zoveel als de broodverkoop. Dat had het bestuur van Vooruit nooit durven dromen.

Waar kwam dit succes vandaan? In de twee decennia voor de Eerste Wereldoorlog steeg de koopkracht van de Gentse arbeidersklasse gevoelig, terwijl de prijs van het basisvoedsel —brood en aardappelen— daalde. Er kwam dus geld vrij voor andere voedingswaren. Een deel daarvan ging naar vlees en zuivel, maar ook naar chocolade, koekjes en conserven, voordien amper of nooit door arbeiders gekocht. Vooruit mikte op deze ‘droge’ voedingswaren die gemakkelijker dan vers vlees of zuivelproducten konden worden gestockeerd en verkocht. 

Na 1890 werden steeds meer kruidenierswaren aangeboden, al leek dat niet het gevolg van een weldoordacht plan maar eerder van spontane beslissingen en onverwachte meevallers. Stonden onder meer op de schappen: fruitsiroop, chocolade, eieren, kaas, rijst, diverse soorten suiker, puddingpoeder, vermicelli, peperkoek, koffie, aardappelen, boter, cacao, olijfolie, jam, thee en een oneindige variatie conserven van fruit, groente, vlees en vis.  Maar geen sterke drank.


 



Avanti, Een terugblik. 2de herziene en aangevulde uitgaven met bijvoeging van toestanden tot 1931. Tweede deel, Gent (S.M. Volksdrukkerij), 1935.


Er kwamen ook heel wat Vooruit-kruidenierswinkels bij. In 1910 telde Gent er negentien, naast nog een winkel in Gentbrugge en een andere in Ledeberg. In maart 1911 bezocht een redacteur van de Vooruit de 21 kruidenierswinkels op één dag, met een kritische blik op de etalages. Zijn besluit: “Wij kregen etalagen te zien welke in de grootste burgermagazijnen niet te zien zijn. Zoo is het ook dat de koopers zullen aangelokt worden”. De etalages verleidden met decors in broodsuiker, reclameborden en het kundig aanwenden van dozen en spiegels (deze laatste leverden “een tooverachtig winterzicht” op).  

Circulaires, affiches en vooral de krant Vooruit maakten voortdurend reclame. De nadruk lag op kwaliteit en lage prijzen: “Laagste prijzen der stad. Beste hoedanigheid”. Maar ook het rijke aanbod van kruidenierswaren werd benadrukt, met bijzondere aandacht voor nieuwe producten. In 1913 klonk het: “Rijk assortiment van ingelegde visch, groenten, sardienen, zalm, kreeften, erwten, snijboonen enz. goedkooper dan waar ook”. Zalm en kreeften voor spinners en wevers! 


18 juni 2026

De ontstaansmythe van de cuberdon


 Use the translation tool below or on your smartphone 😌


Patricia Van den Eeckhout


De cuberdon is vandaag wereldberoemd in België. Het lijkt wel of die bekendheid er altijd geweest is, maar de hype is nog niet zo oud. Wie het krantenarchief BelgaPress er op napluist, vindt van 1990 tot vandaag ruim 1.500 vermeldingen van het woord cuberdon. Slechts 1,7 percent van die vermeldingen dateert van voor 2009. Wat is er in 2009 gebeurd? Toen werden de cuberdons als Vlaams traditioneel streekproduct erkend. De krant Het Nieuwsblad titelde in 2011: “Neuzekes worden hype”. “Neuzekes” is een ander woord voor de cuberdons. De kegelvorm van het snoepje doet denken aan een neus. 



 

Cuberdons (www.streekproduct.be)


Het iconische snoepgoed wordt bereid met frambozensiroop, suiker en Arabische gom en vervolgens in een oven gebakken. Het contrast tussen de dunne korst en de zachte binnenkant is een van de troeven van de cuberdon. Maar de korst wordt dikker naarmate het snoepje ouder wordt. Omdat de cuberdons maximaal acht weken goed blijven, is het moeilijk om ze te exporteren. Wie ze wil eten, moet dat dus in België doen. Sinds de cuberdons met frambozensmaak een erkend streekproduct werden, ging de verkoop ervan steil de hoogte in. Allerhande toepassingen zagen het licht: cuberdon-ijs, cuberdon-jenever, cuberdon-likeur, enz. 

Op de vele websites die iets over de cuberdon te vertellen hebben, wordt telkens hetzelfde verhaal opgedist. De cuberdon zou per ongeluk zijn ontstaan. In 1873 zou de Gentse apotheker De Vynck een siroop hebben willen maken, maar na enkele dagen merkte hij dat het mengsel een harde korst had gekregen, terwijl het daaronder nog smeuïg was. Op basis van die ervaring ontwikkelde hij de cuberdon. Wat een vergissing leek, bleek een geniale vondst. 

Maar er is in het adresboek Wegwijzer der stad Gent en der provincie Oost-Vlaanderen voor het jaar 1873 helemaal geen apotheker De Vynck te vinden. In 1873 telde de stad Gent een veertigtal apothekers en drogisten, maar geen enkele heette De Vynck. In het gelijknamige adresboek van 1889 treffen we wél een Devinck aan. Hij woont in Steendam, een straat bij de Gentse Sint-Jacobskerk. De man is suikerbakker. Hij wordt in de daaropvolgende adresboeken telkens vermeld, maar zijn naam wordt op wisselende manieren geschreven (De Vynck, Devynck).

Eduardus De Vynck was dus geen apotheker, maar een suikerbakker. Dat zo iemand nieuw snoepgoed ontwikkelt, is niet opmerkelijk. Een iconisch snoepje dat “per ongeluk” wordt ontdekt, levert een beter verhaal op. Maar het lijkt dus niet te kloppen. 

Heeft Eduardus De Vynck de cuberdon uitgevonden en waarom wordt steevast 1873 vermeld als het jaar waarin die het licht zag? Over de uitvinder van de cuberdon bestaat geen zekerheid, maar over het jaar 1873 kan wel iets worden gezegd. In dat jaar verhuisde de suikerbakkerij van Desiderius Rombaut, de stiefvader van Eduardus De Vynck, van de Wolvensteeg naar Steendam, de plaats waar zijn weduwe en vervolgens zijn stiefzoon het bedrijf verder zouden zetten. Is Desiderius Rombaut misschien de vader van de cuberdon? We weten het niet. 

Websites over de cuberdon hebben de historische bronnen niet gecheckt, maar wie er helemaal een zootje van maakt is AI. Zoek de combinatie van Rombaut en cuberdon in Google en je krijgt een “logisch” klinkend verhaal vol fouten en verwijzing naar bronnen die niet eens over de cuberdon handelen.


 

 Een Poolse blik op Brussels brood

 Use the translation tool below or on your smartphone 😄

Peter Scholliers


Begin februari 1840 publiceerde de Brusselse krant Le Fanal drie lange artikelen over de kwaliteit van het brood in de stad. Dat brood was niet te eten, klonk het. Bovendien klaagden vele Brusselaars over buikpijn. Het brood bevatte wellicht bedorven roggemeel en allerlei producten om dat te verdoezelen. Dat mocht niet, maar de wet voorzag te milde straffen om effect te hebben.

Brood was het basisvoedsel van arm en rijk, jong en oud. Een bericht over ziekmakend brood kon paniek veroorzaken. Het verwondert dus niet dat de artikelen uit Le Fanal voor deining zorgden. Bovendien bundelde de krant de artikelen in een brochure, wat zorgde voor nog meer ruchtbaarheid. Verschillende kranten schreven over de kwaliteit van het brood, het aantal zieken en de rol van bakkers en overheid. De stad Brussel liet een vijftal broden testen: ze waren in orde. De kranten bekvechtten nog wat, maar twee weken later was de storm gaan liggen.


 


Le Fanal, februari 1840, nr. 40 (KBR) 



Le Fanal had de artikelenreeks geïntroduceerd met de melding dat een wetenschappelijke aanpak van het gesjoemel met brood hoogstnodig was. De auteur van het artikel, de Pool Piotr Kopczynski, zou voor die aanpak instaan. Wie was hij?

Kopczynski (1793-c.1859) was jurist en amateur-scheikundige. In januari 1831 steunde hij de Poolse rebellie tegen Rusland. De mislukking ervan en de inbeslagname van zijn bezittingen dreven hem naar Parijs. In 1836 reisde hij naar Brussel. De beroepengids van die stad vermeldde hem als uitvinder van allumettes phosphoriques sans éclat, een soort verbeterde fosforlucifers. Le Fanal noemde hem “un savant chimiste” en verschafte hem een label van bekwaamheid.

Kopczynski was wellicht minder begaan met de gezondheid van de Brusselaars dan met zijn reputatie als chemicus. Hij bezat een Laboratoire de Chimie, dat allerlei analyses aanbood en waar hij scheikundige producten verkocht. Een ophefmakende artikelenreeks over brood kon dus geen kwaad, zeker wanneer dit leidde tot vermeldingen in de Britse, Franse en zelfs Italiaanse pers.

Maar zijn bevindingen werden tegengesproken. Kopczynski had geen koper in het brood aangetroffen, wat onmogelijk was omdat de meeste granen dit mineraal bevatten: een ontmaskering en deuk in zijn geloofwaardigheid! Bovendien draaide zijn winkel niet al te best.

Begin 1843 keerde Kopczynski terug naar Parijs. Hoe hij er aan geld kwam, is niet geweten. Wellicht brachten enkele brevetten voor de productie van chemische stoffen (chloor, natriumsulfaat, salpeterzuur …) hem iets op. Hij bleef druk bezig. Hij stelde een verwarmingssysteem tentoon op de industrietentoonstelling van Parijs in 1844, onderzocht de fraude van steenkool, zocht naar de meest efficiënte wijze om bieten tot suiker te verwerken en publiceerde over het nut van batterijen in de toegepaste kunst.

In 1850 verhuisde Kopczynski naar Saint-Symphorien, een randgemeente van Tours. Hij onderzocht er hoe men schriftvervalsing kon ontdekken en hoe zieke wijnranken konden worden voorkomen. De kwaliteit van brood heeft hem niet meer beziggehouden.


*

Meer over de kwaliteit van brood: Een geschiedenis van bakkers en hun brood en, in deze blog: Brood dat doodt en zot maakt





  



10 juni 2026


De Eerste kok van België

 

 Use the translation tool below (not on smartphone, though)


Peter Scholliers

 

In de herfst van 1954 organiseerde de pas opgerichte Club gastronomique Prosper Montagné de Belgique een wedstrijd voor de beste kok van het land. De restaurants konden een duw in de rug na de zwarte jaren 1940 goed gebruiken. Bovendien wilde België af van het imago van meelopertje van de Franse keuken. Een wedstrijd zou ongetwijfeld de interesse van pers en publiek aanwakkeren. De belangstelling was echter matig, maar Roger De Ramée, de initiatiefnemer en baas van het casino van Oostende, gaf niet op. In 1955 volgde een nieuwe wedstrijd en jaar na jaar nam het succes toe. Vandaag, na meer dan 70 jaar, geniet het evenement volop de aandacht.

Jacques Snijkers (geboren in 1926 in Saint-Nicolas, bij Luik) nam drie keer deel aan de wedstrijd. Zijn beide ouders werkten als restaurantkoks, hij volgde les aan de hotelschool van Namen, leerde de stiel in befaamde Brusselse restaurants, startte zijn loopbaan in 1957 in Le Cardinal (Spa) en stapte in 1959 over naar Restaurant Devos (Bergen) dat al voor 1914 een goede reputatie had.

De deelnemers aan de wedstrijd moesten een origineel recept met een verplicht ingrediënt insturen. Op basis daarvan werd een eerste selectie gemaakt. Samen met vijf anderen haalde Snijkers het in 1957. Hij werd tweede, maar kreeg een speciale vermelding. Dat spoorde hem aan het jaar daarop opnieuw zijn kans te wagen. Ook toen werd hij tweede.


 

Jacques Snijkers ontving een speciale prijs in 1957

(Het Visserijblad, 8 november 1957, VLIZ-collectie)

 

In 1960 deed hij opnieuw mee. Een internationale jury onder leiding van meesterkok Gaston Clément selecteerde 15 kandidaten. Snijkers was erbij. Vervolgens bleven nog 6 koks over.  Ze begonnen om 8 uur ’s morgens en kregen tot de middag de tijd om het hoofdgerecht (kalfsvlees), het tussengerecht (kabeljauw) en het dessert (met kirsch) te bereiden. Snijkers won!

Snijkers koos voor selle de veau à la Saint-Feuillien (kalfszadel in Saint-Feuillienbier). De Standaard loofde de durf van Snijkers: gastronomisch koken met bier, zelfs luxebier, genoot weinig waardering, maar deze saus was buitengewoon. “Biersaus behaalt de overwinning” titelde de krant. “Alle Belgen kunnen zich hierover slechts verheugen”, schreef ze, “want Snijkers had slechts het gewaardeerde gerstenat gebruikt”.

 

De Standaard, 9 november 1960 (Belgicapress- KBR)


Dat Snijkers zegevierde met een biersaus was volgens De Standaard het bewijs dat er steeds meer waardering was voor typisch Belgische ingrediënten en voor een Belgische nationale keuken: “Meer en meer beijvert men zich ook bij dit jaarlijks tornooi om tot keukenrecepten met een nationaal karakter te komen”. Wishful thinking, want het duurde nog jaren voor Belgische gerechten erkenning kregen.

 

De Club des gastronomes de Belgique dineerde elk jaar in een gastronomisch restaurant. In 1965 deed ze dat in Restaurant Devos in Bergen, waar La Selle de Veau Saint-Feuillien werd opgediend. Het menu vermeldde twee koks, maar niet Snijkers. Werkte hij toen al in Brussel? In de jaren 1970 stond hij aan het fornuis in de Brusselse Écailler du Palais Royal, een prestigieus visrestaurant.

 

De prijswinnende schotel fungeert vandaag op de lijst van Waalse gastronomische gerechten (https://www.gastronomie-wallonne.be/gastro/plats/blancs_veau_st_feuillien.html).

 

 

Foto bij het interview van Jacques Snijkers in Le Soir Illustré, 17 november 1960

(Belgicaperiodicals – KBR)

 

 

 

Montagné  Bierkeuken  Nationaal gerecht Snijkers

 Eet u ook ratten?

 

 Use the translation tool below (not on smartphone, though)


Patricia Van den Eeckhout

 

In de lente van 1937 heerste er grote verontwaardiging in Franse culinaire kringen. De American weekly, die als weekendbijlage bij verschillende kranten werd gevoegd, had een lasterlijk artikel over de Franse keuken gepubliceerd. Hier was duidelijk sprake van een infame campagne tegen de Franse gastronomie, klonk het. Men zag een verband tussen het schrijfsel en de Wereldtentoonstelling waarvoor Parijs in 1937 als gaststad fungeerde. Het Amerikaanse blad had duidelijk de bedoeling het Franse toerisme te ondermijnen. De Fransen konden niet dulden dat er twijfel werd gezaaid over de kwaliteit van hun keukenbereidingen. Dat schaadde het prestige van de culinaire sector en de belangen van de hotelnijverheid.

 

Maar wat had de American weekly nu precies geschreven? De aflevering lijkt van de aardbol verdwenen, maar op basis van de verontwaardigde reacties krijgen we een idee van wat er in het gewraakte artikel stond.

 

In een paginalang stuk was te lezen dat rattenvlees in de Franse hoofdstad in de mode was. Omdat er steeds minder (laag geprijsd) orgaanvlees werd aangeboden, vormde het rattenvlees een goed alternatief. Het was goedkoop, sappig en zacht en de keukenchefs konden het uitstekend bereiden. Gehakte rat “on toast” was gegeerd, maar er werden van het vlees ook ragouts gemaakt die als fazant smaakten. In luxueuze restaurants werd rattenpaté geserveerd met een roomsaus. Chefs de cuisine zouden vooral bruine ratten enthousiast klaarmaken, want die waren zo dik als konijnen.

 

De smaak voor de “rat steaks” zouden de Parijzenaars te pakken hebben gekregen tijdens de hongerdagen van de Commune (1870/71), toen het Pruisisch leger de Franse hoofdstad belegerde. In het Parijs van de jaren 1930 zou men overigens zonder probleem ook hond of kat kunnen kopen. De gegeerde bruine ratten zouden worden gekweekt in de “ratodrome” van Saint-Denis. De diertjes kregen er gerst en rogge te eten, wat aan hun vlees een delicaat aroma gaf. In Europese steden aten de arme mensen rioolratten, ging het verder, maar de Franse koks vertrouwden dat vlees niet. Ze verkozen de gekweekte slagerijratten.

 

Eet u ook ratten, titelde L’Oeuvre op 18 april 1937 

 (gallica.bnf.fr / Bibliothèque nationale de France)

 

Of het van goede smaak getuigt valt te bezien, maar het lijkt me duidelijk dat de American weekly een ironisch stuk had gepubliceerd. Dat was ook de interpretatie van het blad L’Oeuvre. Maar La Toque blanche, het tijdschrift van de Franse chefs de cuisine, nam dit proza doodernstig. Het blad had het niet over discutabele humor, maar over laster en regelrechte leugens. Met de reputatie van de Franse keuken viel niet te lachen.

 

Er werd protest aangetekend bij de minister van Buitenlandse zaken en de toeristische instanties. Negen Amerikaanse culinaire verenigingen werden aangeschreven. De Société culinaire philantropique de New York, die Franstalige koks verenigde, liet weten dat ze de verontwaardiging van haar Franse collega’s deelde. Op een ledenvergadering keerden de aanwezigen zich unaniem tegen het lasterlijke artikel, waarna een verontwaardigde brief naar de uitgever van American weekly werd verstuurd.

 

Voor het weekblad L’Evénement was het incident mee de aanleiding om het amateurisme van de Franse “nationale propaganda” aan te klagen. Het rattenartikel was zo excessief dat het zijn doel miste, maar het paste niettemin in de vele lastercampagnes die het Franse toerisme en zijn kust- en kuurplaatsen te verduren kregen. Frankrijk was niet opgewassen tegen de buitenlandse propaganda, klonk het. Maar die Goebbels uit Duitsland: die wist van wanten.

 

04 juni 2026

Geen Belgisch eten in het Grand restaurant belge


 Use the translation tool below (not on smartphone, though)


Peter Scholliers


In november 1877 sloeg Le Journal de Bruxelles alarm: de organisatoren van de Parijse wereldtentoonstelling van 1878 hadden de deelname van een Belgisch restaurant geweigerd. De Belgische keuken was een flauwe imitatie van de Franse, heette het, en voegde niets toe. Hoezo, vroeg Le Journal de Bruxelles: wat met waterzooi, choesels, schelvis, rijstpap en andere Belgische specialiteiten? 

De restauranthouder liet zich niet doen en lobbyde samen met de Vereniging van Belgische brouwers, die het Belgische bier in Parijs wilde promoten. Twee maanden later meldde de pers dat een Grand restaurant belge zou aanwezig zijn op het Champ de Mars bij de Pont de Iéna, pal naast het Restaurant Français. Je zou denken dat Henri Sapin, de concessiehouder van het restaurant, alles zou doen om zijn restaurant een Belgische stempel te geven. Maar het tegendeel was waar.

Sapin kwam uit Jaulnay, een dorpje ten Noorden van Poitiers. In de jaren 1860 was hij de eigenaar van een hotel-restaurant in die stad. Rond 1870 kwam hij naar Brussel, waar hij in 1874 Restaurant Dubost, een befaamd huis, overnam. Hij kookte er zoals in de beste Parijse restaurants. Toen hij in 1878 de concessie van het Restaurant belge in Parijs kreeg, was dat het toppunt van zijn carrière. 


 


Het Grand restaurant belge op de Parijse wereldtentoonstelling van 1878 

(Fonds Georges Ancely, 

© https://www.georgesancely.com/photographieC/trocadero-grand-restaurant-belge/72)


Op de openingsdag, 1 mei 1878, overspoelde een mensenmassa de tentoonstelling. Het was een warme dag die dorstig maakte. Sapin zag een kans en vroeg 1 frank voor een bock, een glas pils, terwijl dat anders 30 centiemen was. De Franse pers sprak schande. Eén krant eiste zelfs het intrekken van de concessie. Sapin verlaagde zijn prijs, maar het kwaad was geschied en het restaurant werd gedurende de hele tentoonstelling met een schuin oog bekeken.

Dat kwam niet alleen door de hoge bierprijs van de eerste dagen. Belgische journalisten rapporteerden over de Parijse expo en het Grand restaurant belge. Over de expo waren ze enthousiast, maar voor het restaurant hadden ze geen goed woord over. Een krant schreef, “Ga de brug over en rechts vind je het Belgische restaurant dat enkel in zijn naam iets van ons land heeft. Dus geen waterzooi of gehaktballetjes, want de keuken is Frans en lang niet slecht”. Twee weken later schreef een andere krant, “Bijzonder vreemd aan dit restaurant is dat er absoluut niets Belgisch is: de eigenaar is Frans en het bier komt van overal behalve uit België”.

Het restaurant was prijzig. Gerechten kostten er 2,5 à 3 franc, wat elders werd betaald voor een driegangenmenu. Een bock kostte vijftig centiemen. Een Franse krant noemde het Grand restaurant belge “de premier ordre”, een andere schreef dat men er zeer smakelijk en duur at. Sapin was tevreden: de Franse pers waardeerde zijn kookkunst. De Belgische specialiteiten lieten hem koud. Of het restaurant succes had, is niet geweten. Dat er geen Belgisch bier geschonken werd, zal de Belgische brouwers allicht een doorn in het oog zijn geweest.

Terug in Brussel, wijdde Henri Sapin zich helemaal aan zijn restaurant, dat na 1885 niet langer tot de top behoorde. Hij sloot het in 1888 en vertrok naar Parijs, waar hij in 1895 overleed na een lange ziekte, amper 57 jaar oud.


Wie meer wil weten over Belgische keuken, lees "Vlaamse eetcultuur" in de Digitale encyclopedie van de Vlaamse beweging:  https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/vlaamse-eetcultuur 



De ene amandel is de andere niet


 Use the translation tool below (not on smartphone, though)


Patricia Van den Eeckhout


John Henry Timins was al zo’n veertig jaar predikant in West Malling, een stadje in het graafschap Kent. In december 1882 bezocht hij Sarah Ann Wright, de zestienjarige dochter van een dagloner en een van zijn parochianen. Het meisje voelde zich niet lekker. Timins wist precies wat gedaan. Hij haalde een flesje uit zijn zak en goot een theelepel van de inhoud in een glas. Opdrinken, klonk het, nadat het meisje wat aarzelde. Zo’n twee uur later was Sarah Ann Wright dood.  

Vergiftigd door blauwzuur, toen ook gekend als Pruisisch zuur, zo wees de autopsie uit. De amandelolie die Timins had toegediend, bleek gemaakt van bittere amandelen. Net zoals abrikozenpitten bevatten ze een stof die in contact met speeksel en maagsappen verandert in het dodelijke cyanide. Zoete amandelen kunnen geen kwaad, maar bittere amandelen moeten worden ontgift voor gebruik. 

Maar was een simpele 69-jarige predikant uit een klein Engels stadje daarvan op de hoogte? De man was alleszins gewaarschuwd door de lokale drogist, bij wie hij het flesje had besteld. Bent u wel zeker dat u dit wil kopen, had de drogist hem in een brief gevraagd. Het is een zeer giftig product. Geen probleem, had Timins hem geantwoord. Ik zal het enkel uitwendig gebruiken. Het flesje werd bezorgd, voorzien van een etiket waarop “POISON” te lezen was. Timins behandelde er de huiduitslag van zijn zoon mee. 

In zijn jonge jaren had de predikant lessen gevolgd aan het St. Thomas’s Hospital in Londen, maar hij had nooit een diploma behaald. Toch verwees hij graag naar die periode.



 

In de brochure die Timins in 1878 publiceerde over ontsmetting (zo’n 50 pagina’s dik) stelde hij zichzelf voor als student van het St. Thomas’s Hospital (Wellcome Collection).

Blijkbaar had de man nog steeds de ambitie om “iets” te doen op medisch vlak. Kort voor de feiten publiceerde hij artikelen over wateranalyse, gecontamineerde bronnen, tyfus en de pokken in The Sanitary record, een blad over lokaal gezondheidsbeleid. 

In medische tijdschriften werd Timins terechtgewezen omdat hij zonder kennis van zaken de geneeskunde beoefende. Blijkbaar was het niet de eerste keer dat hij zijn parochianen niet enkel spirituele steun, maar ook medische verzorging gaf. Steeds werden die kritische bedenkingen gevolgd door de opmerking dat de man enkel goede bedoelingen had.

Het gerechtelijk onderzoek en het proces dat volgde, lieten belangrijke vragen onbeantwoord. Waarom had een predikant een flesje met een giftig product op zak? Waarom spoorde hij het slachtoffer aan ervan te drinken, ook al had de drogist hem op de giftigheid ervan gewezen? Waarom had hij het flesje laten verdwijnen, ondanks het verzoek van de autoriteiten om het in te leveren? Dat zijn flesje verantwoordelijk was voor de dodelijke afloop kon pas bewezen worden nadat de drogist een staal had verstrekt van het mengsel dat Timins had gekocht. 

De welwillendheid ten aanzien van de predikant was echter ongemeen groot. Hij moest weliswaar voor de rechter komen, maar werd vrijgesproken. De juryleden hadden amper vijf minuten tijd nodig om hun vonnis te vellen. Zelfs grove nalatigheid werd hem niet ten laste gelegd.



28 mei 2026

De Roode vloot in stormweer


 Use the translation tool below (not on smartphone, though)


Peter Scholliers


In 1924 publiceerde de Journal de Bruxelles een stuk over de dure vis. De populaire kabeljauw was de voorbije maanden bijna 30 procent duurder geworden. Hoge loonkost en dure steenkool verklaarden de prijsstijging, maar dat de Belgische vissers hun vangst eerder in Engeland dan in eigen land verkochten, dreef de prijs eveneens op. Ook la flotte rouge bezondigde zich daaraan. En dat ten koste van het Belgische proletariaat!

De Roode vloot was in 1921 door Vooruit-baas Eduard Anseele opgericht als de N.V. Oostendsche Reederij, met geld van onder meer de Bank van de Arbeid. In augustus 1924 zou ze 820.000 frank winst hebben gemaakt op een kapitaal van 4 miljoen, of een riante opbrengst van 20 procent. Politieke tegenstanders beweerden dat de rode leiders zich verrijkten. 



 

De Van Beveren O.147, een van de eerste schepen van de Rode vloot (L. Verbrugghe, De zeevischvangst, Brussel 1923; Vlaams Instituut voor de zee).


In 1925 werden vervroegde parlementsverkiezingen uitgeschreven. Een nijdige politieke strijd brak los en de rode vloot deelde in de klappen. Zo wist De Gentenaar: “De Roode vloot vaart naar Engeland om er de visch te verkoopen. ’t Belgisch proletariaat eet Hollandschen pekelharing”. Toen een kamerlid van de katholieke partij op een meeting die verwijten herhaalde, schreeuwde een socialistische militant woedend: “Gij liegt!”. De rode vloot beroerde de gemoederen.

Einde maart 1925 reageerde de Vooruit op alle aantijgingen in een vlammend stuk, getiteld “De aanvallen op de Roode Vloot”. De krant had een lang recht op antwoord gestuurd naar een vijftal conservatieve kranten. Het is waar, schreef ze, dat de socialistische rederij vis in Engeland had verkocht, zoals alle Belgische vissers, maar dat was uitzonderlijk, het gebeurde niet meer sinds november 1924 en betrof nog geen drie procent van de totale visvangst van de rode vloot. Nergens verscheen het recht op antwoord. 

De socialisten wonnen de verkiezing in april 1925 en de rode vloot verdween even uit de belangstelling. In het najaar herhaalde de rechtse pers de beschuldiging. De socialisten werd verweten voor de winst te kiezen: bracht de vis in België te weinig op, dan verkocht de rode vloot de vis in Engeland. Bovendien zou Anseele ook aan de Belgische coöperatieve restaurants vis verkopen en daar had de gemiddelde Belg evenmin iets aan. 

De kritiek intensifieerde in de zomer van 1926, toen de vis veel duurder werd. De katholieke Gazette de Charleroi schreef: “De rode vloot van Anseele, die bij voorkeur de dure markt bevoorraadt, boekt grote winst. En intussen eet de Belg geen vis”. De socialistische pers liet de bestuurder van de rode vloot, L. Verbrugghe, aan het woord, die benadrukte dat de uitvoer naar Engeland onbeduidend was. Op 12 augustus 1926 triomfeerde de Vooruit, want enkele conservatieve kranten schreven dat ze zich hadden vergist. Zoiets toegeven gebeurde bijna nooit.

Het failliet van de Bank van de Arbeid in 1934 luidde het begin van het einde van de roode vloot in. De financiële problemen namen toe tijdens de Tweede Wereldoorlog, terwijl de Belgische visserij het na de oorlog moeilijk had. Die combinatie bleek fataal. De N.V. Oostendsche Reederij hield de facto op te bestaan in 1951.



De chef en zijn afwasser


 Use the translation tool below (not on smartphone, though)


Patricia Van den Eeckhout 


In 2025 publiceerde Nora Bouazzouni een boek over het geweld in de keukens van Franse restaurants. We hebben te maken met een omerta, stelt de auteur. De problemen zijn gekend, maar iedereen zwijgt. Die zwijgcultuur is niet nieuw. In het verleden kwamen toxische relaties in restaurants, hotels en cafés vaak pas in de openbaarheid als er gewonden of doden vielen. 

Tijdens een septembernacht in 1934 klonk er een schot in de ondergrondse keuken van restaurant Le Colisée aan de Champs-Elysées. De 40-jarige Parijse chef de cuisine André Maschlin viel op de grond. Hij was geraakt in de buik. De man die op hem had gevuurd, was Charles Boucheta, zo’n 26 jaar eerder in Algerije geboren. Boucheta was plongeur. Hij deed dus de afwas, maar hij werkte tussendoor ook als nachtwaker. Het was met het wapen waarover hij als nachtwaker beschikte dat hij zijn chef had neergeschoten. 


 


Maschlin en Boucheta, Paris-soir, 5 september 1934 

(gallica.bnf.fr/Bibliothèque nationale de France).


Een kok kwam toegesneld met een kachelpook. Hij schold Boucheta uit. Die aanhoorde de tirade en zei: “C’est bon. J’ai compris”. Ik heb het begrepen, zei de man. Om zich vervolgens een kogel door het hoofd te jagen. De gewonden werden naar het ziekenhuis gevoerd, waar ze allebei in coma lagen. 

De kranten die over de feiten verslag deden, spraken hun verwondering uit over wat er gebeurd was. Niemand had weet van een conflict tussen Boucheta en Maschlin. De chef was in 1932 in dienst getreden van het restaurant en had zo’n 110 personeelsleden onder zich. Hij zou een kordate maar correcte en geduldige man geweest zijn. 

Ook Boucheta werd als kalm omschreven, maar de krant Paris-Midi meende te weten waarom de zaken toch uit de hand liepen: “les Arabes ont le sang chaud”. Het blad stelde onomwonden dat het “warme, Arabische bloed” van de plongeur het conflict kon verklaren.

Een andere bron legde uit dat Boucheta kort tevoren op het matje was geroepen. “U hebt hier niet de leiding, maar ik. U moet doen wat u wordt opgedragen,” zou Maschlin hebben gezegd. Een dergelijke reprimande is niet schokkend. De reactie van de afwasser komt dan ook over als buitensporig. 

Maar een brief van een kelnerorganisatie in het tweewekelijkse blad La France ouvrière maakte het proces van Maschlin, “le gros bonnet”, de man met de hoge koksmuts, zoals chefs de cuisine vaak werden genoemd. André Maschlin zou een zeer brutale man zijn geweest. De pesterijen beu, had Boucheta op een fatale manier uitgehaald. 

In het vakbondsblad van de Parijse koks viel er geen kwaad woord over de chef de cuisine. Dat de gebeurtenis in kranten en zelfs in de vakpers als een fait divers werd behandeld, vond het tijdschrift echter onaanvaardbaar. Het drama was het gevolg van de lamentabele werkomstandigheden, klonk het. Die maakten de mensen gek. Ook Boucheta was een slachtoffer. 

Noch Maschlin, noch Boucheta overleefden het voorval. Op 4 september 1934 stierf de afwasser. In de vroege ochtend van 5 september overleed ook de chef de cuisine. In het register met de akten van overlijden staan ze broederlijk na mekaar vermeld. Ze namen hun geheim mee in hun graf. Was de plongeur lichtgeraakt of was de chef een tiran? We zullen het nooit weten.