Posts tonen met het label Vooruit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vooruit. Alle posts tonen

02 april 2026

 

Sensatie in de stad: paaseieren van chocolade!


Peter Scholliers

 

 

 

Afbeelding met schets, tekening, paard, verven

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

 

Klokken en paaseieren: feest voor de kinderen rond 1850

 Uylenspiegel, 23 maart 1856 (KBR, Belgicapress).

 

 

 

Eeuwenlang verbood de katholieke kerk het eten van vlees en zuivel tijdens de veertig dagen van de vasten voor Pasen. Kippen bleven natuurlijk eieren leggen. Om ze te bewaren werden ze hardgekookt. Soms werden ze beschilderd en verstopt en konden kinderen ze op paaszondag zoeken. In het midden van de negentiende eeuw maakten rijke gezinnen van dat laatste een feest, met cadeautjes en lekker eten. Eieren werden uitgeblazen en gekleurd. Minder gegoede gezinnen schilderden met koffiedrab. Naast echte eieren waren er ook eieren van hout, plaaster, ijzer, porselein of suiker. Van die laatste maakten patissiers veel werk, want het bracht geld in het laatje.

                  In 1875 kwam de Engelse confiseur Cadbury met iets nieuws: eieren van chocolade. Het maken ervan vergde minder werk dan het produceren van eieren van suiker. Artisanale pasteibakkers uit heel Europa waagden zich eraan. De nieuwe chocolade-eieren vielen in de smaak van groot en klein, maar de hoge prijs maakte dat slechts rijke gezinnen de lekkernij proefden.

                  De Belgische confiseurs toonden zich vindingrijk. Ze vulden grote en kleine chocolade-eieren met suiker, stroop en nootjes of met een poppetje. Een kleine jongen wilde een hobbelpaard als paascadeau, maar kreeg dat niet wegens te duur. Hij moest blij zijn met een paasei waarin een klein houten paardje zat. Het verhaal gaat dat het kind het chocolade eitje onder een kip legde, in de hoop er een veulentje te zien uitkomen.

                  Rond 1885 creëerden de Brusselse patissiers een echte hype rond de chocolade-eieren. Al midden januari begonnen de pasteibakkers paaseieren te maken die ze in de weken voor Pasen in de etalage zetten. Dat zorgde voor sensatie en lokte veel volk. “Nog nooit was zulk moois getoond”, schreef een Brusselse krant in 1888. “De wandelaars bewonderen de vitrine van de patisserie in de Hofbergstraat: een grote boom met een gigantisch vogelnest en eieren van struisvogels. Alles perfect tot in het kleinste detail geïmiteerd en alles in chocolade”. Hoewel alle bakkers van de stad grote en kleine chocolade-eieren aanboden, konden ze amper de vraag volgen, wist de krant. Dat was elders in Europa niet anders. Pasteibakkers verdienden goed aan de chocolade-eieren. Ze gewaagden zelfs van een “revolutie van het paasfeest”: chocolade-eieren waren veel gezonder dan eieren gemaakt van suiker, plaaster en kleurstof.

Rond 1900 was de dure hype voorbij. De chocolade-eieren waren goedkoper geworden omdat de prijs van suiker en cacaobonen was gedaald en machines de productie hadden versneld. Industriële bakkerijen produceerden chocolade in alle maten, vormen, smaken en gewichten. Ook de Samenwerkende Maatschappij Vooruit deed dat, zoals een reclame uit 1899 toont. Toen maakte ze nog maar weinig chocolade, maar dat veranderde in 1902 toen de coöperatie een nieuwe pasteibakkerij had geopend. Vooruit kreeg tegenwind: net zoals bij het Klaasfeest, werd de coöperatie verweten Pasen te gebruiken om meer te verkopen.

 In 1910 waren chocolade-eitjes heel gewoon geworden. Na de oorlog stonden de kranten rond Pasen vol reclame voor chocolade-eieren.

 

 

Afbeelding met tekst, krant, zwart-wit, wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

 

“Alle soorten van Paascheieren”. Vooruit, 11 maart 1899 (Amsab-ISG)

 

 

 

Afbeelding met tekst, tekenfilm, krant, zwart-wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Reclame voor chocolade-vormen voor Pasen De Volksgazet, 28 maart 1925 (KBR, Belgicapress).

 

26 maart 2026

Roggebrood voor de rijken

 

Peter Scholliers

 

In 1887 startten tegenstanders van Vooruit de hypermoderne bakkerij N.V. Het Volksbelang. De investering van een miljoen frank zou de succesvolle socialistische coöperatie wel kortwieken. Tot de Eerste Wereldoorlog beconcurreerden de bakkerijen van Vooruit en Het Volksbelang elkaar in woord en daad. De strijd draaide om de prijs maar niet om het soort brood, want dat gevecht won de naamloze vennootschap Het Volksbelang.

 

 

Afbeelding met tekst, Publicatie, document, papier

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Universiteitsbibliotheek Gent. Fonds Vliegende bladen BIB.VBL.HF II V058.11 (circa 1895).

 

 

            Vooruit bakte brood van ruw gebuild tarwemeel, de zogenaamde “dubbel zero” of huishoudbrood, maar nooit van fijn gebuilde tarwe of “trippel zero”. Dat was witbrood. Roggebrood bakte Vooruit amper: dat was voeding voor arme buitenlieden. In Gent was de tijd van de roggeboterham voorbij, meende de coöperatie.

 

Het Volksbelang bakte niet alleen huishoudbrood maar ook witbrood. Dat laatste was lang het privilege van rijke mensen en toen na 1885 de prijs ervan daalde als gevolg van de massale invoer van buitenlandse tarwe en de mechanisering van de productie, kochten almaar meer mensen witbrood. Ook coöperanten van Vooruit verkozen dat brood, tot onbegrip van hun directeuren die de omzet van hun bakkerij zagen haperen.

 

Het Volksbelang kende onmiddellijk succes. De naamloze vennootschap verkocht brood aan arm en rijk, leverde aan huis in en rond Gent, bood enkele voordelen afgekeken van Vooruit (zoals medische hulp) en breidde het aanbod sterk uit. Niet alleen verkocht de bakkerij gewoon witbrood, maar ook varianten ervan: “Driedubbele zero, Brood van Hongaarsche bloem, Franschbrood, Coupés, Galetten en Tressen”. Daarmee imiteerde ze de ambachtelijke bakkers die zagen dat het gewone witbrood de rijkere klanten minder beviel. Het Volksbelang verkocht alle broden à 22 centiemen per kilo, of een centiem goedkoper dan de artisanale bakkers.

 

Later stond Het Volksbelang kritisch ten opzichte van witbrood. Dat had te maken met inzichten van diëtisten avant la lettre die waarschuwden voor overmatige consumptie ervan. Een pamflet van Het Volksbelang uit de late jaren 1890 citeerde priester Kneipp, voorvechter van natuurlijke levenswijze, die streed tegen het sneeuwwit brood en tegen het verwijderen van zemelen. Het verwees ook naar “talrijke geleerden die aanzien als beste, smakelijkste en voedzaamste brood datgene van zuiver tarwe, door steenen gemalen en waar de zemelen en hart van ’t meel in behouden zijn. Zij noemen zulks pain entier, volledig brood”. Productie van volkorenbrood vergde minder werk terwijl er geen afval was, waardoor de prijs laag was. Niets dan voordelen!

 

Bijgevolg bakte Het Volksbelang “Kneippbrood, Volbrood en Melé” (een mengeling van fijne tarwebloem met ongebuild roggemeel). Dat laatste werd “vooral aan hardlijvigen aanbevolen”, mensen met last van constipatie. Maar het bleef niet bij een Melé-brood, want rond 1900 bakte de N.V. ook andere donkere broodsoorten: Gruau (havermout), Oberländer (tarwe met rogge, karnemelk of desem), puur roggebrood, boerenbrood, Duits roggebrood, Pumpernickel (roggebrood uit Westfalen) en brood voor diabetici. Die “donkere broden” met modieuze namen kostten evenveel als de witte broden.

 

 Voor 1914 bakte Het Volksbelang bijna twintig soorten brood, Vooruit hooguit twee. De naamloze vennootschap wist dat een ruime keuze essentieel was om klanten te verleiden. Vooruit besefte dat pas na de Eerste Wereldoorlog.

 

 

Veel meer over de geschiedenis van brood: Brood, een geschiedenis van bakkers en hun brood (Vrijdag - Pelckmans, 2021)         

19 maart 2026

 Paling in het Volkspark

 

Peter Scholliers

 

De modernisering van de broodfabriek van de Samenwerkende Maatschappij Vooruit in 1883 was zo succesrijk dat alles mogelijk leek. In de jaren 1880 opende de coöperatie de ene winkel na de andere. Het bestuur wist dat de arbeidersklasse niet alleen materiële voordelen wilde, maar ook nood had aan respect en verbondenheid. Daarom organiseerde Vooruit regelmatig feesten en optochten die dat gevoel voedden. De leesclub, de fanfare, de bibliotheek en de turnkring droegen daar ook toe bij. Maar in 1887 opende Vooruit een … park.

 

 

Afbeelding met tekst, krant, zwart-wit, Lettertype

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Vooruit, 20 mei 1887, p. 4 (Amsab.be)

  

            Openbare parken verschenen in de snel groeiende Europese steden in het begin van de negentiende eeuw. Ze boden de burgers de kans te wandelen in het groen, bloemperken te bewonderen, naar muziek te luisteren, kinderen te laten spelen en van een verfrissing te genieten. Na 1850 verscheen het “volkspark”. Het bood dezelfde ontspanning, maar was gericht op de arbeidersklasse. Een mooi voorbeeld was het Volkspark van Enschede uit 1874, dat “het bezoeken van kroegen moet bestrijden, het huiselijk leven bevorderen en het levensgenot verhoogen”. Vooruit wilde dat ook en gunde de arbeidersklasse gezonde ontspanning na de zware arbeid in de donkere fabrieken.

 

              Einde 1886 huurde de coöperatie een veld van 6.000 m2 buiten de Kortrijkse poort om er een park aan te leggen. In april 1887 was het klaar. Het bood plaats aan 8 à 900 mensen (53 priëlen met telkens 15 stoelen) en pakte uit met turn- en speeltuigen, een “kolossale muziektent op wier top de roode vlag wappert” en een buffet. Het werd plechtig geopend op 23 mei 1887. De krant Vooruit beschreef de wandelpaden, bloemperken, spellen, muziekkiosk, buffet en priëlen. Alles was groots, schitterend en vrolijk. “Wat een leven! Wat een geestdrift! Hoe straalde ’t gelaat van al de vrienden van opgezindheid en gewettigde fierheid! Men lachte, tikte, drukte elkaar de hand als vreugdeblijk voor dit nieuw schoon werk”. Het spel “Massacre des coupables” viel bijzonder in de smaak: “Met ballen groot als kinderhoofden slaat men naar de bollen van paters, uitbuiters en generaals! In één woord, ’t was vermakelijk en prachtig”.

 

            Weken na elkaar plaatste de Vooruit advertenties voor de “prachtigen lusttuin met wandelparken en buffet”, waar de bezoekers honger en dorst konden stillen “aan de laagste mogelijke prijzen”. Twee boterkoeken met een koffie en suiker kostten 20 centiemen. Voor “Paling met groensel” moest men 50 centiemen neertellen. Met een portie pommes-de-terre frites à 10 centiemen en een glas bier (ook 10 centiemen) was dat een volwaardige maaltijd. Een arbeidersgezin van vijf lunchte buitenshuis voor zo’n 3 frank… Almaar meer arbeiders konden dat betalen.

 

In de zomer van 1887 was het Volkspark de plek waar Vooruiters elkaar ontmoetten, feestten en overwinningen vierden, zoals in september toen de socialisten de verkiezingen voor de Werkrechtersraad (een soort arbeidsrechtbank) hadden gewonnen. Het park wekte echter ook agressie op. Het lag nabij een kazerne, en dagelijks passeerden er soldaten. In juni gingen enkele dronken soldaten met Vooruiters op de vuist.

 

Het Volkspark sloot einde 1887, herrees even in 1889 naast de broodfabriek van Vooruit aan de Nijverheidslaan, maar verdween dan helemaal.

 

Meer weten? Lees Vooruit, kameraden! De rode winkel van de belle époque (Ertsberg, 2025) of (en Français) “Consommer pour le socialisme: le Vooruit de Gand (1880-1914)”.

 

 

12 maart 2026

 

Vooruit’s vleeschwinkels de das omgedaan

 

Peter Scholliers

 

Op 15 juli 1887 vergaderde het bestuur van de socialistische coöperatie Vooruit. Eduard Anseele zat voor. Hij opperde een slagerij te beginnen. “Wanneer wij dat stout zouden aanvatten wij daar immens zaken zouden mede doen als wij een huis of zes tegelijk openen in de stad”. Iedereen enthousiast. Dat getuigde van de zeer grote ambities en durf van de jonge coöperatieve bakkerij die sinds 1883 kruidenierswinkels, apotheken, een kledingwinkel en steenkoolhandel had geopend. Een beenhouwerij kon er wel bij. Anseele’s voorstel bleef echter zonder gevolg.

 

Afbeelding met gebouw, buitenshuis, scène, tekst

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

De nieuwe beenhouwerij van Vooruit, Sint-Lievensstraat, Gent, 1923. Amsab-ISG.

 

            In maart 1888 kreeg Vooruit het aanbod Nieuw-Zeelands schapenvlees op grote schaal te verkopen. De coöperatie weigerde. Vooruit zou de lokale slagers niet willen schofferen, heette het. De echte reden was wellicht dat de nieuwe bakkerij alle aandacht opslorpte. Een andere winkel liet de kans niet voorbijgaan, wat de krant Vooruit deed foeteren tegen kapitalistische ondernemers. Het Brusselse Volkshuis opende wel een slagerij in dat jaar.

 

            Meer dan een kwarteeuw later begon Vooruit dan toch met een vleeschwinkel. Hij opende in januari 1915, vijf maanden na het uitbreken van de oorlog. Maar juist de moeilijke omstandigheden trokken Vooruit over de streep. Op 24 december 1914 vergaderde het bestuur van de coöperatie. Anseele —weeral hij— meende dat het moment geschikt was om een beenhouwerij te starten. De gunstige ligging naast het nieuwe Feestpaleis in de Sint-Pietersnieuwstraat zou nieuwe klanten lokken, maar bovendien zou de coöperatieve slagerij de prijsstijgingen en de speculatie temperen. De nieuwe beenhouwerij zou ook het restaurant van Vooruit bevoorraden. Niets dan voordelen. De omzet haalde 133.670 frank in enkele maanden, een peulschil op het totaal maar een hoopgevende start in een zeer lastige tijd.


            De beenhouwerij-charcuterie overleefde de oorlog. In juli 1919 adverteerde de Vooruit met “allereerste hoedanigheid Noord-Amerikaansch rundvleesch, rosbeaf, looze ribben, stoofkarbonade, vleeschschinkel etc”, naast de belofte nieuwe beenhouwerijen te openen. De omzet in het boekjaar 1919/20 was mooi: 2.803.000 frank. Het bestuur liep over van optimisme en opende nieuwe beenhouwerijen: twee in 1920, een in 1923 en twee in 1926. Beenhouwerij nummer 4 in de Sint-Lievensstraat (zie de afbeelding) werd hevig gepromoot. Naast “Eerste kwaliteit bevrozen rund, zal er ook te bekoomen zijn: fijn inlandsch varkensvlees, schapen- en kalfsvleesch, alsook al de lekkere charcuterieen van Vooruit”. En verder: “De S.M. Vooruit heeft haar doel bereikt, de invoering van het vervrozen rundsvlees verwezenlijkt en de bevolking verlost van de schraapzucht der boeren”. En uiteraard ging “de redelijkheid der prijzen de bewondering afdwingen”.

 

Afbeelding met tekst, krant, poster, illustratie

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Vooruit, 16 oktober 1927, p. 5, Amsab-ISG.


            De grote schommelingen van de vleesprijs, de wankele koopkracht en de scherpere concurrentie tussen 1926 en 1939 maakten dat de vleesverkoop stokte. Al in 1927 boekten vier van de zes winkels “min-ontvangsten”, terwijl de economische crisis van de jaren ’30 op de koopkracht inhakte en de vleesconsumptie deed dalen. De Tweede Wereldoorlog en zijn lange nasleep zorgden voor enorme moeilijkheden, zoals te verwachten, maar vooral de komst van de supermarkt rond 1960 heeft Vooruits vleeschwinkel de das omgedaan.

 

Meer over de S.M. Vooruit: Vooruit kameraden! De rode winkel van de belle époque.

 

 

05 februari 2026

 

Café-restaurant Vooruit in de Groote Oorlog

 

 

Peter Scholliers

 

 

Op 12 oktober 1913 opende het “volksrestaurant” van de Samenwerkende maatschappij Vooruit in het indrukwekkende nieuwe feestlokaal in de Sint-Pietersnieuwstraat (vandaag Viernulvier). Het dagblad Vooruit bracht verslag uit over de eerste dagen: 300 eters genoten er ’s middags en ’s avonds van een dagschotel à 0,60 of 1,30 fr en van diverse gerechten waaronder kalfsgebraad (1,00 fr), spiegeleieren (0,75 fr), beefsteak - frites (1,25 fr) of salade en mayonaise met kreeft (1,50 fr) (vermenigvuldig deze sommen met 8 voor de prijs in euro). “Dat de eters tevreden waren”, schreef de krant, “werd bewezen door de opgewekte gesprekken aan tafel”. Voor 60 centiemen kregen ze “een goede portie patatten met een flinke schep roode koolen en eene dito snede uitstekend malsch varkensvleesch”.

 

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Vooruit, 20 december 1915, p. 4 (Amsab-ISG)

 

 

            Exact een jaar na de opening van het Restaurant Vooruit viel Gent in handen van de Duitsers. Ze bleven er tot 10 november 1918 en zorgden voor vijftig maanden miserie met werkloosheid, gebrekkige bevoorrading, steile inflatie, lange rijen bij het winkelen, rantsoeneringen, honger en angst. Wat een contrast met de rijke spijskaart van het spijshuis van Vooruit voor de oorlog!

 

            De inval intimideerde het restaurant allerminst. In september en oktober 1914 ving het vele vluchtelingen uit Wallonië, Limburg en Brabant op. Einde oktober moest het even sluiten “omdat Duitsche soldaten er een al te hoogen toon aansloegen. Dat gaf de arbeiders aanstoot”. In november hervatte de activiteit. Het restaurant bleef de hele oorlog open, maar kampte gaandeweg met almaar meer problemen, waaronder de manke bevoorrading, de felle prijsstijgingen, de dalende koopkracht en, naar eigen zeggen, de strubbelingen met het Nationaal Comiteit voor Hulp en Voeding dat instond voor de bevoorrading van het land.

 

Restaurant Vooruit slaagde er in de prijzen ongewijzigd te houden tot 1915 en zelfs een groot deel van 1916. In december van dat laatste jaar kostte de beefsteak-frites nog altijd 1,25 fr, maar de prijs van de dagschotel was verhoogd van 60 naar 75 centiemen. In 1917 en 1918 verschenen er nagenoeg geen advertenties meer voor Restaurant Vooruit, behalve “Zooals vroeger wordt in den Café om 12 ure alle dagen warme soep opgediend aan 0,10 fr den grooten schotel”.

 

In november 1916 werden alle Gentse restaurants ervan beschuldigd te veel aardappelen en vlees te gebruiken ten nadele van de gewone Gentenaars, een verwijt dat Vooruit nog ‘ns kreeg in januari 1918. Het restaurant weerlegde de beschuldigingen door te benadrukken dat socialistische militanten én gewone Gentenaars er kwamen eten aan lage prijzen, en niet de burgerij of Duitse officieren.

 

De omzet van het restaurant daalde fors van 189.380 fr in het boekjaar 1915-1916 naar 127.173 frank in 1916-1917. In 1918-1919 steeg de omzet merkwaardig genoeg tot 314.438 frank. Maar houden we rekening met de scherpe inflatie na 1916 dan is het plaatje minder rooskleurig: in 1916/17 bedroeg de omzet van het restaurant 35 percent van deze van het vorige boekjaar, in 1918/1919 was dat iets beter (55 percent). De heropstart na de oorlog gebeurde zeker niet zonder kopzorgen.

 

Ontwerp van het Feestlokaal van de S.M. Vooruit, door F. Dierkens (1913). Bron: AMSAB-ISG, fotocollectie # fo000497.
 

 

 


 

 Vooruit, kameraden! De rode winkel van 

de belle époque.


22 januari 2026

 

Kreeft voor de arbeidersklasse in Restaurant Vooruit

 

                                                                                    [Scroll down for translating tool]

 

Peter Scholliers

 

 

 

Afbeelding met tekst, krant, Lettertype, Krantenpapier

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Vooruit, 12 oktober 1913, p. 3 (Amsab.be)

 

 

 

Op zondag 12 oktober 1913 opende het “Restaurant Vooruit” in het magnifieke nieuwe gebouw van de socialistische coöperatie in de Sint-Pietersnieuwstraat. Er was plaats voor 400 mensen, het was ’s middags en ’s avonds open en had een afhaaldienst. Diezelfde dag publiceerde de krant Vooruit de spijskaart van het restaurant. Elke dag van de week veranderde het aanbod: varkensgebraad, schapenvlees, kalfsfricassee, worst, vis en rosbief à 60 centiemen. Er kon ook à la carte worden gegeten, wat duurder was. Mayonaise met kreeft kostte bijvoorbeeld 1,50 frank. Al vanaf de eerste weken draaide het restaurant goed, zeker toen ook de universiteitsstudenten het restaurant hadden ontdekt. Het succes ontlokte tegenstanders cynische commentaar, waarvan het katholieke weekblad De Trommel een voorbeeld gaf.

 

Afbeelding met tekst, papier, Lettertype, document

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: De Trommel, 1 mei 1914, p. 2.

 

 

“Restaurant Vooruit” was niet de pionier van de coöperatieve restaurants in België, want het Brusselse Volkshuis had al een goed draaiende salle de restaurant sinds 1903. Liet Vooruit zich de loef afsteken door de Maison du Peuple, terwijl de Gentse coöperatie op alle andere vlakken vooruitliep?

            Vooruit was niet aan haar proefstuk toe. Net als de coöperaties van Antwerpen, Brussel of Luik had Vooruit een café waar een koude hap bij een glas bier kon worden besteld. Na 1885 verkocht de coöperatie in tijdelijke buffetten eenvoudige spijs, zoals friet, paling in ‘t groen of mosselen. Na 1895 verruimde dat aanbod met “Bifstek met pommes-de-terre frites à 0,70; stoverij met aardappelen à 0,50; eieren à 0,10 en broodjes met hesp à 0,20 frank”.

Andere koek was het initiatief van de “moeders der volkskinderen” uit 1904, die zich inzetten voor de lotsverbetering van kinderen. Zij begonnen met koken en opdienen van een maaltijd ter gelegenheid van het Vrouwencongres in Gent in april 1904. “Die proef is opperbest gelukt en voorspelt een goed succes. Ieder was volkomen tevreden en de prijs is in elk bereik” schreef de Vooruit. De proef werd een maand later herhaald in de eetzaal van Ons Huis op de Vrijdagmarkt: “Men zal er smakelijke noenmalen kunnen krijgen aan 1 frank per hoofd. Kinderen half geld”. Het initiatief kreeg een naam: de Coöperatieve Keuken.

  

Deze was een pop-up keuken: advertenties in de Vooruit uit de jaren 1904-1910 meldden de opening tijdens karnaval, de Gentse kermis, een congres, een beroepsfeest en bijna alle feestdagen. Berichten uit 1911 en 1912 suggereerden dat de keuken elke zondag werkte: “In de Coöperatieve Keuken kan men ’s zondags smakelijke noenmalen bekomen met spoedige en nette bediening aan 1 frank. Een kom soep met brood aan 15 centiemen”.

Wie kookte en opdiende, hoe de keuken was georganiseerd en hoeveel klanten er kwamen, is niet geweten. Het aanbod verruimde. Naast de versche vis uit Oostende, mossels op zijn Blankenbergsch, koud vleesch, friet en een kom soep uit de eerste jaren, kwamen er biefstuk, stoverij, konijn en kalfshoofd bij. De prijzen waren billijk: “Noenmaal aan 1 frank, aan 1,25 frank en aan 1,50 frank, naar keus met een, twee of drie gerechten. Stoverij aan 50 centiem de portie”.

Of er een directe band was tussen de Coöperatieve Keuken en “Restaurant Vooruit” uit 1913 blijft duister, maar is zeker niet uit te sluiten.     

 

 

 

 

 

 

 

25 december 2025

 

Gâteaux voor de werkman

 

Peter Scholliers

 

“De taartenbakkerij van Vooruit heeft voorbij jaar eene grote uitbreiding genomen. Eenige cijfers zullen alles klaar doen inzien. Wij bakten 100.000 boterkoeken, 15.000 taarten, 1.500 pakken beschuit, 700 kilos spekken en 5.000 kaneelmastellen” schreef de krant Vooruit in juli 1905. De taarten blijven in mysterie gehuld: welke taarten? Ging het om eenvoudige suiker- en confituurtaarten of kopieerde Vooruit het gebak van luxepatissiers die, vaak geïnspireerd door Parijse voorbeelden, frangipane, baba met rum of soezen bereidden? Niet uit te sluiten, want rond 1910 bakte Vooruit verschillende soorten luxekoekjes, waaronder “citroenkoeken, bernardins en madeleinen”.

 

         Al vanaf 1883 produceerde Vooruit rozijnenbrood en boterkoeken. Dat gebeurde alleen voor speciale gelegenheden zoals de Gentse feesten of Pasen. Leden en klanten moesten op voorhand bestellen en betalen, kregen een bewijs, en de dag nadien werd hun waar thuisgebracht. De productie was onregelmatig en de verkoop nogal omslachtig, maar toch groeide de “kleine bakkerij” sterk. In 1902 opende een aparte pasteibakkerij en vanaf dat jaar nam de productie met rasse schreden toe.

 

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, schermopname, zwart-wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Vooruit, 20 mei 1937, p. 6 (Amsab-ISG)

 

            Welke taarten had Vooruit in de aanbieding? De publiciteit van Vooruit bleef vaag. Of het nu 1890, 1910 of 1930 was, de advertenties klonken onveranderd zo: “Te bekomen alle soorten van klein en fijn gebak. Alle soorten van groote taarten voor feestmalen. Prijzen buiten alle concurrentie”. Slechts uitzonderlijk gaf Vooruit iets meer informatie. Dat was bijvoorbeeld het geval in de Vooruit van 20 november 1897: “Men kan alle soorten van fijn gebak, zooals taarten voor bruiloftstafels en andere feestgelegenheden bekomen. Op commande bakken wij aan voordeelige prijzen: taartjes, Engelsche koek, boterkoeken, Fransche broodjes, pistolets, mastellen enz. In ons gebak gebruiken wij geen azel- of boekennoten [hazel- of beukennoten], maar wel zuivere amandelen en allerbeste confituren uit zuiver fruit en suiker”. Dat laatste suggereert dat er vooral confituurtaarten werden gemaakt, wat een redelijk eenvoudige bereiding met bladerdeeg was. Amandelnootjes werden in koekjes gebruikt.

 

Even uitzonderlijk was de reclame uit 1937. Ze promootte “Gateaux: fruit, crème au beurre, crème fouettée, Coop, St. Honoré” (zie de afbeelding). De Franse invloed was duidelijk en niet alleen wat de taal betrof. Een Saint Honoré-taart was bedacht door een Parijse patissier in de jaren 1840, ze bestond uit een kring van kleine, ronde gekarameliseerde soezen met een laagje chocolade en met in het midden banketbakkersroom en meringue. Wat het woord “Coop” in de opsomming van taarten doet, blijft duister. Het signatuurgebak van de coöperatie?

 

In juli 1939 verscheen een advertentie in de Vooruit, die zo uit 1890 leek te komen. Maar er was één verschil: “Ter gelegenheid der Gentsche feesten houden wij er aan onze leden en klanten te berichten, dat op die dagen alle soorten fijn gebak en een grote keus van gateaux te hunner beschikking staan”. Het woordje “gateaux” maakte het verschil: het klonk chiquer dan “taart” en suggereerde dat het niet langer ging om eenvoudige confituurtaarten zoals voor 1914.

 

 

 

 

 

 

 

13 november 2025

 

“Het brood van Vooruit is oneetbaar”

 

Peter Scholliers

 

In 1889 begon Innocentius Bronckaers (1857-1937) te werken in het steenkoolmagazijn van de Samenwerkende Maatschappij Vooruit, de succesvolle socialistische coöperatie van Gent. Vijftien jaar later werkte hij er nog. Hij was graag gezien. Iedereen noemde hem Centus. Tot zijn verwondering stond de arme man in september 1904 in het middelpunt van een ideologische storm die zelfs Frankrijk en Nederland beroerde. Dat had alles te maken met brood.

 

De broodverkoop was de steunbeer van Vooruit. Het reglement voorzag dat “De leden verplicht worden getrouw te betalen, tot het bezoeken der driemaandelijksche vergaderingen en tot het koopen van brood”. Het bestuur waakte nauwgezet over de kwaliteit van het brood. Woog het te licht, was het onvoldoende gebakken of brokkelde het, dan wilde het bestuur dat graag horen tijdens de ledenvergadering. Maar Vooruit gruwde van kritiek in het openbaar, omdat dit de verkoop, het ledental en de reputatie zou schaden. Centus zorgde, volstrekt ongewild, voor dat laatste.

 

 

Afbeelding met tekst, krant, Lettertype, papier

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Gazette van Gent, 23 oktober 1905, p. 3 (hetarchief.be).

 

 

Het bestuur kende de broodaankoop van elke Vooruiter, omdat de berekening van het “deel” (of de winst) van elk lid daarmee rekening hield: hoe meer brood gekocht, hoe groter het voordeel. De broodvoerders van Vooruit maanden “slechte” leden regelmatig aan meer brood te kopen. Maar wanneer een werknemer van Vooruit te weinig brood kocht, nodigde het bestuur hem uit zich te verantwoorden tijdens een bestuursvergadering. In de zomer van 1904 bleek Centus slechts zes broden per week te hebben gekocht, terwijl zijn gezin van acht veel meer brood at. Zeer merkwaardig: dit gesprek sijpelde door in het Nederlands weekblad van de anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis, De Vrije Socialist (10 september 1904, de volle bladzijde 1). Wie de klokkenluider was, is niet geweten, maar het bericht bevestigt dat Vooruit ook uit linkse hoek werd onderuitgehaald.

 

De Vrije Socialist voerde de arme steenkoolbezorger op als voorbeeld van de wijze waarop Vooruit omsprong met haar personeel: net zoals een kapitalistische ondernemer, namelijk ontslag na een petieterig conflict. Alsof deze beschuldiging nog niet volstond, publiceerde het weekblad flarden van de ondervraging van Centus. Hem werd gevraagd waarom hij zo weinig brood kocht. Zijn antwoord was, volgens De Vrije Socialist, het slechtst mogelijke dat hij kon geven: “Dat zijne vrouw en kinderen het brood van Vooruit niet lusten, dat zij het niet konden naar binnen krijgen, en dat men hem wel kon dwingen het brood te eten, maar toch niet zijne vrouw en kinderen”. Vooruit bakte slecht brood! De Belgische pers liet de kans niet liggen om Vooruit te tackelen. De conservatief-katholieke Le Vingtième Siècle parafraseerde het Nederlandse artikel en wilde een reactie van Vooruit horen. Die kwam er een dag later: Anseele, de grote baas van Vooruit, wuifde elke kritiek weg met als ultiem argument dat 10.000 Gentse gezinnen elke dag brood bij Vooruit kochten. Maar de geest was uit de fles en kranten uit België, Nederland en Frankrijk hadden het over het slechte brood van Vooruit en hoogst ontevreden klanten. Een krant uit Rijsel meende zelfs te weten dat Centus zelfmoord had gepleegd…

 

Dat laatste heeft hij niet gedaan. Hij stapte naar de rechtbank om zijn ontslag aan te vechten, waar hij gelijk kreeg en Vooruit hem 1.000 frank schadevergoeding moest betalen. De verkoop van het brood van Vooruit slabakte in die jaren. Had de affaire Centus daarmee iets te maken?