Posts tonen met het label Parijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Parijs. Alle posts tonen

08 januari 2026

 

Een hondenkadaver, iemand?

 

Patricia Van den Eeckhout

 

De Compagnie hollandaise die in het Parijs van de jaren 1840 meer dan 30 vestigingen had waar ze bouillon en gekookt vlees aan de man bracht, had geen glamoureus imago. Ook al adverteerde de firma dat ze de bouillon kon leveren die op feesten en banketten als soepbasis moest dienen, toch primeerde de indruk van armtierigheid.

 

Zo schreef dichter Victor Leroux dat hij zich uitsluitend in de “bouillon hollandais” voedde om de kost van zijn drukwerk te kunnen betalen. Een andere auteur voerde in een toneelstuk een verkoopster op die de smakelijkheid en voedzaamheid van haar bouillon aanprees met de woorden: het is er geen van de Compagnie hollandaise. Een boekje met humoristische teksten bracht een schoenmaker ter sprake die in geldnood zat. Hij richtte zich tot de zaakvoerders van de Compagnie hollandaise met de woorden: de oude schoenzolen waar jullie naar gevraagd hadden, staan ter beschikking.

 

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, wit, schermopname

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

De Compagnie hollandaise probeert via deze advertentie ook gegoede klanten te ronselen.

L’Indépendant, 13 februari 1834 (gallica.bnf.fr / Bibliothèque nationale de France)

 

Maar in 1842 ging het krantje La Vérité een stap verder. Eerst leek de auteur van het artikel over de Compagnie hollandaise vooral een probleem te hebben met de geur die het kookproces verspreidde. Hij had het dan over de hoofdzetel in de rue Saint-Victor waar de ketels stonden waarin de bouillon werd geproduceerd. De geurhinder in de omgeving van de bouillonwinkels die de waar verkochten, moet heel wat minder zijn geweest. De auteur wekt met zijn stuk echter de indruk alsof heel Parijs baadde in de bouillon.

 

Er was meer. De bouillon zou even onverteerbaar zijn als een zwaard dat werd ingeslikt. Arme mensen met gevoelige magen waren gewaarschuwd. Vervolgens zegt de auteur te weten waarom de Compagnie hollandaise de rue Saint-Victor uitkoos. Op die ongure plek trof men skeletten van rondzwervende dieren aan die door de politie arsenicumballen waren gevoerd. Alexander Van Coppenaal, de zaakvoerder, had voor die buurt geopteerd, suggereerde de auteur, omdat hij zich zo gemakkelijker kon bevoorraden. In combinatie met de opmerking dat de grondstof voor de bouillon zeker niet op de reguliere beestenmarkt werd ingekocht, was de insinuatie duidelijk: de Compagnie hollandaise gebruikte krengen van dode dieren om haar bouillon te maken.  

 

Van Coppenaal liet dit niet passeren. Hij klaagde de auteur van het artikel, ook uitgever van het krantje, aan. Die werd veroordeeld tot een maand gevangenisstraf en 1000 frank boete. Het was allicht het einde van het krantje. Maar dat maakte de Compagnie hollandaise nog niet tot een sympathieke onderneming. Er zijn evenveel vestigingen van de Compagnie hollandaise als er openbare toiletten zijn, sneerde de satirische auteur Charles De Kock. Dat slaat uiteraard nergens op, maar het is duidelijk dat de schrijver de firma niet in het hart droeg. Wat had men toch tegen dat bedrijf?

 

Misschien komt de aap uit de mouw in een huldegedicht van ene Jules Ravier. Die was vol lof over de stichter van de succesvolle bouillonketen Duval, die vanaf 1854 in Parijs werd uitgebouwd. Duval was een rasechte Fransman. Aan “de vreemdeling” Van Coppenaal werd verweten dat hij zich kwam verrijken in Frankrijk, gebruikmakend van een gat in de markt waar nog geen enkele Fransman was ingesprongen. Toen de Compagnie hollandaise begin jaren 1850 ten onderging en Duval met zijn bouillonketen van wal stak, werd die “fout” rechtgezet.

 

20 november 2025

 

[Scroll to bottom  for translating tool]

 

 Een Hollander in Parijs

 

Patricia Van den Eeckhout

 

Zo’n 25 jaar voor de firma Duval in Parijs een keten van bouillonhuizen uitbouwde, waren twee Nederlanders haar voorgegaan. Alexander Van Coppenaal richtte in 1829 samen met ene Bouwens, de Compagnie hollandaise op. Bouwens is een nobele onbekende, maar van Van Coppenaal weten we dat hij een telg was uit een Amsterdamse koopmansfamilie. Hij werd in 1795 geboren als zesde kind van Alexander Van Coppenaal en Alida Wilhelhmina Brouwer.

 

In 1819 trouwde Alexander junior, koopman zoals zijn vader, met de uit Madrid afkomstige Sophia Esperanza Latouloubre. Op korte tijd kreeg het koppel vijf kinderen. Toen de geboorte van het jongste kind in 1827 aan de Amsterdamse burgerlijke stand werd aangegeven, werd Van Coppenaal echter niet langer als koopman aangeduid. “Beroep: geen”, staat er. Wat was er gebeurd? Feit is dat we hem in 1829 in Parijs aantreffen. Misschien zat Van Coppenaal in slechte papieren en besloot het gezin dan maar om naar Parijs te trekken, waar de moeder van Latouloubre woonde. De echtgenote van Van Coppenaal zou de verhuis naar Frankrijk niet lang overleven: ze stierf in 1831.

 

Ondertussen was Van Coppenaal begonnen met zijn Compagnie hollandaise. Hij streefde er naar de Parijzenaars (en dan vooral de minderbedeelden onder hen) overal en op eender welk moment een kop bouillon aan te bieden. Die moest net zo smakelijk en goed zijn als de bouillon die in rijke huizen werd geserveerd. Vanaf 1832 reeg de Compagnie hollandaise de lof en de medailles aan mekaar. Wetenschappers en medici benadrukten hoe degelijk de bouillon van de firma wel was. De Parijse weldadigheidsinstellingen bestelden enorme hoeveelheden bouillon bij Van Coppenaal: die gebruikten ze in hun hospitalen en om aan de armen uit te delen. In 1849 kochten de Parijse armenzorginstellingen meer dan 746.000 liter bouillon bij de Compagnie.

 

Afbeelding met tekst, schermopname, Lettertype, zwart-wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

De bouillon van de Compagnie hollandaise krijgt een gunstig rapport van de wetenschappers. Nouvelles archives du Musée d’histoire naturelle, 1832 (Google Books)

 

Het geniale sluitstuk van het hele opzet was het netwerk van bouillonhuizen dat de Compagnie hollandaise oprichtte. Voor het maken van goede vleesbouillon heeft men massa’s vlees nodig. Maar wat moest er vervolgens met dat vlees gebeuren? Slechts een klein deel kon in de Parijse hospitalen worden gebruikt. De ruim 30 vestigingen van de Compagnie, verspreid over Parijs, zorgden voor dé oplossing: zij verkochten het “overtollige” vlees. Klanten konden er ook een kop bouillon krijgen en kleine broodjes, om ter plekke op te eten of om mee te nemen.

 

De groen- en witgeverfde façades, waarop in zwarte letters op grijze achtergrond Compagnie hollandaise prijkte, werden een vertrouwd beeld in het Parijs van de jaren 1830 en 1840. De firmanaam en het woord bouillon werden in die periode zowat synoniemen. Zelfs het Franse Parlement had een bouillonabonnement lopen. Volgens sommigen was de Compagnie hollandaise vooral een zegen voor de alleenstaande Parijzenaars die geen meid (of een echtgenote) hadden om bouillon te maken.