Een hondenkadaver, iemand?
Patricia Van den Eeckhout
De Compagnie hollandaise die in het Parijs van de jaren 1840 meer dan 30 vestigingen had waar ze bouillon en gekookt vlees aan de man bracht, had geen glamoureus imago. Ook al adverteerde de firma dat ze de bouillon kon leveren die op feesten en banketten als soepbasis moest dienen, toch primeerde de indruk van armtierigheid.
Zo schreef dichter Victor Leroux dat hij zich uitsluitend in de “bouillon hollandais” voedde om de kost van zijn drukwerk te kunnen betalen. Een andere auteur voerde in een toneelstuk een verkoopster op die de smakelijkheid en voedzaamheid van haar bouillon aanprees met de woorden: het is er geen van de Compagnie hollandaise. Een boekje met humoristische teksten bracht een schoenmaker ter sprake die in geldnood zat. Hij richtte zich tot de zaakvoerders van de Compagnie hollandaise met de woorden: de oude schoenzolen waar jullie naar gevraagd hadden, staan ter beschikking.
De Compagnie hollandaise probeert via deze advertentie ook gegoede klanten te ronselen.
L’Indépendant,
13 februari 1834 (gallica.bnf.fr
/ Bibliothèque nationale de France)
Maar in 1842 ging het krantje La Vérité een stap verder. Eerst leek de auteur van het artikel over de Compagnie hollandaise vooral een probleem te hebben met de geur die het kookproces verspreidde. Hij had het dan over de hoofdzetel in de rue Saint-Victor waar de ketels stonden waarin de bouillon werd geproduceerd. De geurhinder in de omgeving van de bouillonwinkels die de waar verkochten, moet heel wat minder zijn geweest. De auteur wekt met zijn stuk echter de indruk alsof heel Parijs baadde in de bouillon.
Er was meer. De bouillon zou even onverteerbaar zijn als een zwaard dat werd ingeslikt. Arme mensen met gevoelige magen waren gewaarschuwd. Vervolgens zegt de auteur te weten waarom de Compagnie hollandaise de rue Saint-Victor uitkoos. Op die ongure plek trof men skeletten van rondzwervende dieren aan die door de politie arsenicumballen waren gevoerd. Alexander Van Coppenaal, de zaakvoerder, had voor die buurt geopteerd, suggereerde de auteur, omdat hij zich zo gemakkelijker kon bevoorraden. In combinatie met de opmerking dat de grondstof voor de bouillon zeker niet op de reguliere beestenmarkt werd ingekocht, was de insinuatie duidelijk: de Compagnie hollandaise gebruikte krengen van dode dieren om haar bouillon te maken.
Van Coppenaal liet dit niet passeren. Hij klaagde de auteur van het artikel, ook uitgever van het krantje, aan. Die werd veroordeeld tot een maand gevangenisstraf en 1000 frank boete. Het was allicht het einde van het krantje. Maar dat maakte de Compagnie hollandaise nog niet tot een sympathieke onderneming. Er zijn evenveel vestigingen van de Compagnie hollandaise als er openbare toiletten zijn, sneerde de satirische auteur Charles De Kock. Dat slaat uiteraard nergens op, maar het is duidelijk dat de schrijver de firma niet in het hart droeg. Wat had men toch tegen dat bedrijf?
Misschien komt de aap uit de mouw in een huldegedicht van ene Jules Ravier. Die was vol lof over de stichter van de succesvolle bouillonketen Duval, die vanaf 1854 in Parijs werd uitgebouwd. Duval was een rasechte Fransman. Aan “de vreemdeling” Van Coppenaal werd verweten dat hij zich kwam verrijken in Frankrijk, gebruikmakend van een gat in de markt waar nog geen enkele Fransman was ingesprongen. Toen de Compagnie hollandaise begin jaren 1850 ten onderging en Duval met zijn bouillonketen van wal stak, werd die “fout” rechtgezet.