Posts tonen met het label Voedselveiligheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Voedselveiligheid. Alle posts tonen

08 januari 2026

 

Vlamingen over vergiftigd Frans brood, LSD en de CIA

 

Peter Scholliers

 

 

Midden augustus 1951 trof blinde paniek het Zuid-Franse stadje Pont-Saint-Esprit: tweehonderd mensen kregen ondraaglijke pijn in buik, spieren en hoofd, vijftig mensen verloren hun zinnen en zeven mensen stierven kort na elkaar. Vergiftigd brood was de oorzaak.

 

België volgde de ontwikkelingen op de voet. Einde augustus ’51 wemelde de Belgische pers van de berichten over “le pain de la mort”. De affaire maakte de mensen angstig, vooral omdat de oorzaak duister bleef. De eerste berichten uit Pont-Saint-Esprit wezen op moederkoren, een giftige schimmel die doet hallucineren. “Dit moederkoren is door onze lezers voldoende bekend” noteerde een Vlaamse krant. Ze beschreef de symptomen: “Waanzinnigen meenden omringd en verteerd te worden door vlammen, sloegen alles stuk of sprongen uit het venster. Men zag mannen, vrouwen en kinderen huilen en schuimbekken”. Geen twijfel: dat was “vuurkoorts” of “Sint-Antoniusvuur”, een Middeleeuwse plaag.

 

Het Wekelijks Nieuws, een katholiek weekblad uit Ieper, beschreef in zijn nummer van 8 september de slachtoffers, vertelde hoe moederkoren ontstond en stelde zijn lezers gerust: “Vergiftiging door moederkoren is in ons land voortaan niet meer te voorzien”. Dat kwam door onze zuivere akkers, betrouwbare molenaars, eerbare bakkers en efficiënte wetgeving (en ook omdat de Belg nog amper rogge at). Maar nog dezelfde week bleek dat het brood geen moederkoren bevatte! Wat was dan wel de oorzaak? Was het vervuilde water verantwoordelijk?

 

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, typografie

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: De Gazet van Aalst, 30 augustus 1951, p. 1 (Digitaal krantenarchief Aalst).

 

 

 

Een maand later kende De Standaard het antwoord. De piste van het moederkoren werd verlaten “en zulks is hoofdzakelijk te wijten aan de tussenkomst van een Vlaamse veearts”. De man werd geïnterviewd. Hij argumenteerde dat moederkoren slecht ruikt en zwart kleurt, twee eigenschappen die de broodeter waarschuwen. Symptomen duiken onmiddellijk op en niet na enkele uren. En tenslotte kwam de beschrijving van de symptomen niet overeen met de gekende verschijnselen na het eten van moederkoren. Volgens de veearts zat er cyaanzuur in het brood. Hoe die chemische stof er terecht kwam, wist hij niet.

 

            Sprong vooruit naar 2009. In dat jaar publiceerde onderzoeksjournalist Hank Albarelli A Terrible Mistake over de moord op CIA-medewerker Frank Olson. Rond 1950 werkte die laatste aan experimenten over het gebruik van LSD voor oorlogsdoeleinden. Stel je voor: Pont-Saint-Esprit dook in zijn verhaal op. Het brood van het stadje zou met LSD zijn besprenkeld. Eerst de Franse media en iets later de wereldpers stortten zich op “het infame complot”.

           

Tussen 2010 en 2022 brachten Belgische kranten nu en dan saillante details uit 1951 in herinnering en dikten ze nog wat aan. “Mensen holden brullend en wild gesticulerend over straat, sprongen uit het raam omdat ze vlammen of wilde dieren zagen of dachten dat ze een vliegtuig waren. Sommigen gingen op de loop voor een groot zwart paard met witte, brandende staart, anderen voor een reusachtige vliegende vis”. Le Soir wist dat een kat die van het brood had gegeten, sprongen maakte tot tegen het plafond, een hond een boom had aangevallen en ganzen stuiptrekkingen kregen. De Morgen had het over “tientallen doden”.

 

            Was de LSD van de CIA verantwoordelijk? Ook deze piste lijkt niet iedereen te overtuigen: waarom Pont-Saint-Esprit, hoe kwam LSD in het brood terecht, waarom kreeg niet elke broodeter te maken met de gevolgen? De zaak is niet opgelost.

 

01 januari 2026

 

Brood dat doodt en zot maakt

 

Peter Scholliers

 

Op 16 augustus 1951 trof een ramp Pont-Saint-Esprit, een Zuid-Frans stadje aan de Rhône. Tweehonderd mensen werden met pijnlijke maag, spieren en hoofd in het lokale ziekenhuis opgenomen. Er viel een dode, gauw gevolgd door vier anderen en later nog twee. Ongeveer vijftig mensen, jong en oud, kregen aanvallen van razernij en werden in een psychiatrische instelling geplaatst. Een golf van paniek rolde niet alleen over de Gard en de Vaucluse, maar over heel Frankrijk. Franse kranten berichtten uitgebreid over de zaak, maar ook Belgische, Britse, Duitse, Nederlandse en zelfs Noord-Amerikaanse dagbladen volgden de kwestie op de voet. Vergiftigd brood bleek de boosdoener. Brood, hét basisvoedsel, stond de bewoners naar het leven.

 

 

Afbeelding met tekst, Menselijk gezicht, boek, kleding

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Le Parisien, 6 september 1951, cover: “Le pain de la mort” (Gallica.fr).

 

           

Het onderzoek naar de oorzaak leidde lange tijd tot niets, ondanks deskundige hulp van internationale experten. Velen dachten aan moederkoren (claviceps purpurea), een schimmel die bij slecht bewaarde rogge en tarwe opduikt en leidt tot hallucinaties en afsterven van weefsel. Maar de zieken vertoonden andere symptomen, wat leidde tot allerlei speculaties. Werden verdacht: de frauderende bakker, zijn helper, de louche molenaar, het vuile water van de fontein, de nieuwe mengmachine, het klooster in de buurt van het stadje, Josef Stalin, spionagediensten, de duivel en de Franse spoorwegmaatschappij. Pas in 1965 kreeg de zaak een juridisch sluitstuk: de Union meunière du Gard, de maalderij, werd veroordeeld. Maar of die de schuldige was…?

 

            Intussen kende de streek geen rust. In december 1951 kocht een boerin oud brood bij bakker Landrand uit Pont-Saint-Esprit om haar kippen te voederen. Enkele dagen later stierven vijf kippen en ook de kat gaf de geest. Net op dat moment vertoonden enkele patiënten en personeelsleden van het plaatselijke hospitaal ziektesymptomen die leken op deze uit de zomer. Bakker Langrand had brood aan het hospitaal geleverd. Het giftige brood was terug! De media, medici en justitie haastten zich naar Pont-Saint-Esprit. Brood- en meelstalen werden getest, molenaars en bakkers werden ondervraagd. De kippenboerin zag haar kans, beschuldigde bakker Langrand en chanteerde hem: 2.500 Franse frank in ruil voor haar stilzwijgen. De bakkerszoon dokte af, maar alles kwam uit: de bakker werd formeel van fraude beschuldigd en moest zijn zaak sluiten.

 

            Meer onderzoek volgde. Snel bleek dat de ziektesymptomen verschilden van deze uit de zomer en dat er niets mis was met het brood van de bakker. Een deskundige stelde vast dat enkele oude conserven met vleesballetjes de oorzaak waren. De doodsoorzaak van de kippen bleef onopgelost: de dode diertjes werden nooit gevonden. De affaire uit december 1951 illustreert mooi de vijf klassieke fasen van een crisis omtrent voedselveiligheid. Aan de basis ligt een gerucht of een feit. Dan volgt de wijde verspreiding via de media en praatjes die de angst doen toenemen. Onderzoeken vormen de derde fase, die vaak controverse opwekken (wat fase vier is), wat tot nog meer onzekerheid leidt. De laatste fase duidt de verantwoordelijke aan en stelt gerust.

 

            De affaire uit augustus 1951 kreeg nog een verrassend staartje. In 2009 ontdekte een Noord-Amerikaanse journalist dat de CIA proeven had gedaan met LSD in het kader van de koude oorlog met de Sovjet-Unie en dat Pont-Saint-Esprit testgebied was. Getuigen bevestigden het verhaal. Zou het?

 

 

20 november 2025

 

Driegangenmenu van conserven in Congo

 

Peter Scholliers

 

 

In 1885 verwierf Leopold II een groot deel van het midden van Afrika, de Congo-Vrijstaat, 80 keer België. Hij baatte die gigantische ruimte uit als privébezit, oogstte caoutchouc en ivoor, legde koffieplantages aan en stuurde militairen, geestelijken en bestuurders. In 1908 werd de Vrijstaat een Belgische kolonie. Beetje bij beetje leerde België Congo kennen via tentoonstellingen, lezingen en reisverhalen.

 

            Die informatie stootte af en trok aan. Het exotisme maakte nieuwsgierig, maar de “vreemde” levenswijze wekte weerzin op. Dat laatste gold vooral het Congolese eten. In april 1887 rapporteerde een journalist over zijn reis naar Congo: “Het zal lang duren voor ik de Afrikaanse voeding gewoon zal zijn; wat een verschrikkelijke zaak, grote goden!”. Een andere reiziger walgde van het gebrek aan hygiëne: “Ik zag de boy bezig met de afwas. Hij likte de borden af, spuwde erop en droogde de boel af met zijn kroezelhaar en een vuile vod”. Eten van maniok of olifantenvlees deed eveneens huiveren. Wat de deur dichtdeed, was het verslag van een geograaf uit 1897: “In Congo zijn vele volkeren kannibalen; de Mangbetu koken met mensenvet, in Ruki is de lievelingskost een paté van maniokbladeren, mensenbloed en… mensenhaar; de Bazoko’s eten hun doden op”. Een zonderling waardeerde de Congolese keuken toen hij het had over “Poten van het nijlpaard, urenlang gekookt en dan gesmoord in ui”.

 

            De grote argwaan tegen de Congolese keuken plaatste de kolonisten voor een probleem. Graan, boter of kaas waren onbekend en verse groenten of fruit waren duur en onveilig. Het fokken van runderen en aanleggen van aardappelvelden vergden tijd. Gelukkig bestonden er conserven.

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, Afdrukken, etiket

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Albert Samuel Page, Guide pratique de la cuisine au Congo. Seconde édition, revue et augmentée, Antwerpen 1909, p. 11 (Archief Afrikamuseum).


            In februari 1896 wijdde La Belgique Coloniale, het weekblad van het koloniaal bestuur, een reeks artikelen aan de voeding van de blanken in Congo. Het eerste deel behandelde het ingeblikte voedsel, “het centrale element in de keuken van de kolonist”. Voor elke maaltijd “komen wonderlijke hoeveelheden blik uit kisten, die de zwarte koks zo goed en zo kwaad mogelijk bereiden”. Dat was de veiligste keuze. Bovendien breidde het assortiment elke maand uit. Naast vlees- en visconserven van vertrouwde merken, waren er ingeblikte boter, melk, groenten, fruit, kruiden, koffie, thee, koekjes, olie en chocolade.

 

            De conserven bleven populair. In 1910 schreef een journalist dat het in de brousse mogelijk was kaviaar, asperges, zalm en zuurkool te savoureren: was dat niet fantastisch? In hetzelfde jaar serveerden restaurants in de havenstad Boma Franse driegangenmenu’s op basis van conserven.

 

            Maar na de Eerste Wereldoorlog nam het enthousiasme voor conserven geleidelijk af. Almaar meer beschikte men over verse, gezonde en betaalbare producten, en bovendien verdween de grote argwaan voor de Congolese keuken stilaan. In juli 1930 meldde een krant dat een galadiner in Elisabethstad (Lubumbashi) voor 200 gasten uitsluitend Congolese producten en schotels bevatte. In 1932 foeterde L’Illustration Congolaise tegen conserven “die de gastronomie kapotmaken”. In de jaren 1930 bracht het Bulletin de l’union des femmes coloniales recepten voor antiloop in room, pikant geitenvlees, maïssoep of gestoomd vlees in bananenbladeren.

 

            Het duurde nog decennia voor de Congolese keuken op Belgische bodem ingang vond, want het wantrouwen bleef in het moederland nog zeer hardnekkig.