16 juli 2026

Slagroom met een extraatje

[Use the translating tool at the bottom of the text !]

Patricia Van den Eeckhout


Op 6 december 1934 ging de 31-jarige Felix Ramade een taart afgeven in het ziekenhuis van de Zuid-Franse stad Béziers. De taart was bestemd voor Michel Martinez, een garçon de café die daar werd behandeld. De patisserie was verpakt in een kartonnen doos die in roze papier was gewikkeld en werd vergezeld van een kaart met de boodschap: “offert par les camarades du café”. Aangeboden door de vrienden van het café. 

Het bezoekuur was echter voorbij en daarom werd het pakket aan de conciërge overhandigd. Die zou de taart naar de bestemmeling brengen, wat ook gebeurde. Martinez deelde de lekkernij met een zevental andere zieken. In de loop van de nacht werd iedereen die van de taart had gegeten onwel. De diagnose volgde snel: ze waren vergiftigd met arsenicum. Geen enkel slachtoffer hield blijvende schade over aan dit voorval, maar de politie ging uiteraard wel op zoek naar de onbekende man die de taart had afgegeven. 

In de berichtgeving werd vaak gepreciseerd om welk gebak het ging. Het vergiftigde cadeau bleek een Saint-Honorétaart. Dat de dader voor dit gebak had gekozen, lijkt me niet toevallig. Deze taart, die vaak met banketbakkersroom gevulde soezen bevat, wordt doorgaans afgewerkt met een grote hoeveelheid slagroom. Handig om de aanwezigheid van kwalijke substanties te verhullen.


Jules Gouffé gebruikt in Le livre de pâtisserie uit 1873 (Google Books) geen slagroom, maar een crème à choux die met stijfgeklopt eiwit wordt gemengd. Het oorspronkelijke recept werd wel degelijk met Chantillycrème bereid, maar de versie van Gouffé was handig als de banketbakker niet over verse room beschikte. 


Vrij snel kwam men te weten bij welke patissier de Saint-Honoré werd gekocht. Omdat de onbekende man had staan ijsberen voor de winkel en bij aankoop had benadrukt dat hij de taart met het hele gezin zou opeten, had hij de aandacht getrokken. De patissier en zijn winkeljuffrouw beten zich in de zaak vast, want de reputatie van de bakkerswinkel stond op het spel. De onbekende man werd geïdentificeerd: Felix Ramade. 

Eerst beweerde Ramade dat hij een grap wou uithalen. Vervolgens bekende hij dat hij wel degelijk iets kwaads in de zin had. Hij had twee poeders gebruikt: het ene poeder diende om ratten te verdelgen, het andere poeder had hij meegenomen uit de fabriek waar hij werkte. Waarvoor het tweede poeder diende, was niet duidelijk, maar het was niet in staat grote schade aan te richten. 

Ramade had de taart na aankoop rijkelijk met de twee poeders bestrooid. Daarna was hij sigaretten gaan kopen in een tabakswinkel. Voorwendend dat hij ongeletterd was, had hij de verkoper gevraagd om de boodschap te schrijven op de kaart die het gebak vergezelde.

Dat het rattenvergif geen doden veroorzaakte, was het gevolg van een gelukkig toeval. De kartonnen doos had een deuk gekregen en daardoor was een aanzienlijke hoeveelheid slagroom (met het gif) aan het deksel blijven plakken. 

In oktober 1935 moest Felix Ramade voor het assisenhof van de Hérault verschijnen. Hij beweerde dat de echtgenote van Martinez zijn minnares was en dat zij hem tot de misdaad had aangezet. Zijn advocaten stelden dat hij een willoos instrument was geweest in de handen van een gewetenloze vrouw. Blijkbaar was hun pleidooi niet zonder succes. Ramade genoot van verzachtende omstandigheden en werd veroordeeld tot vijf jaar dwangarbeid.