26 november 2025

  

Een Hollander in Gent

 

Peter Scholliers

 

Meubelmaker Bernardus Heldt (1841-1914), oprichter van het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond en lid van de Tweede Kamer van 1885 tot 1901, was zoals velen onder de indruk van de verwezenlijkingen van de Gentse coöperatie Vooruit. Hij wilde die met eigen ogen zien en reisde naar Gent in juni 1887. Hij wijdde er een goed gedocumenteerde brochure van 48 bladzijden aan (Over coöperatie, Amsterdam, 1888), waarin hij elk onderdeel van de Gentse coöperatie nauwgezet beschreef.

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, schermopname, wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist. 

(Bron: Google.books).

 

In de gezelschapszaal van het gebouw op de Garenplaats (nu Anseeleplein) trof Heldt onverhoeds de flamboyante Eduard Anseele aan. Samen trokken ze op pad. Erg interessant was dat Heldt zijn tocht doorspekte met financiële opmerkingen, die Nederlandse coöperaties allicht konden gebruiken. Zo leren we dat de huur van het gebouw aan de Garenplaats 2.840 frank per jaar bedroeg en de eigenaar voor 35.000 frank verbouwingswerken had gedaan, waarvan Vooruit al 10.000 frank had vergoed. De huur werd betaald door de omzet van het café, die jaarlijks 5 à 6.000 frank haalde. Vermenigvuldig deze sommen met 7,7 om huidige euro te bekomen.

 

Vanzelfsprekend begon het bezoek in de bakkerij, “de grondslag van het geheel”, waar 30.000 broden per week de deur uitgingen. Heldt luisterde vol ontzag naar de uitleg over de wijze waarop Vooruit kapitaal haalde uit de broodverkoop. “Dat is het eerste financieele geheim dezer instelling”, schreef hij. Het tweede geheim was het gebruik van broodkaarten om de leden hun deelname in de winst uit te keren, die als munt in de bakkerij of andere afdelingen van de coöperatie dienden. Het geld bleef dus binnen Vooruit circuleren.

 

Dat geld besteedden de Vooruiters vooral in de kledingwinkel van Vooruit. Er was geen sprake van modeartikelen wegens de beperkte winkelruimte, verduidelijkte Heldt. De jaaromzet bedroeg een mooie 160.000 frank. Bewondering ook voor de redactie van de krant Vooruit, de zetterij en de drukkerij die mechanische persen had. De dubbele rotondepers van 8.000 frank leverde per uur 3.600 geplooide exemplaren van de krant af. Een blik op de 4.000 boeken van de bibliotheek beëindigde het bezoek aan de Garenplaats.

 

Heldt vond het niet nodig een van de drie apotheken van Vooruit te bezoeken, want die winkels ogen toch overal hetzelfde. De winst gaf voldoening: 3.700 frank per jaar. Heldts grootste bewondering ging naar het pas aangekochte gebouw in de Chartreusestraat à 40.000 frank, waarvan de helft al was betaald. Verschillende functies waren voorzien en zelfs al deels uitgevoerd: een schoen- en meubelwinkel, een café, vergaderzalen en een turnzaal.

 

De tocht eindigde met een bezoek aan het pas aangelegde Volkspark, met zijn 53 prielen, een muziektent, turntuigen, een “landhuis voor buffetten”, wandelpaden en lommerrijke plekjes. Het park kon 900 mensen verwelkomen. “Wij zijn, zooals te begrijpen is, aanhoudend een en al verwondering over hetgeen wij zooal zien en hooren”, besloot het parlementslid.

 

In 1892 bezocht Heldt de Gentse coöperatie nogmaals en schreef weer een brochure. Zijn mening was niet veranderd. Maar wat hem in 1888 al tegenstak, stoorde hem nog steeds: brood verkopen om de partijkas te spijzen, vond hij maar niets.

 

 

 

 

Dood in de pot

 

 

Patricia Van den Eeckhout


Op 23 januari 1904 stond er in de kookschool van de Alice-Frauenverein in Darmstadt een bonensalade op het menu. In 1889 had de al langer bestaande vrouwenorganisatie een kookschool opgericht waar vrouwen tegen betaling lessen konden volgen. De school had ook een aparte cursus bakken en een cursus inmaken in de aanbieding. Die laatste werd elk jaar in juli georganiseerd. Het eten van de kookschool werd, behalve aan de cursisten, geserveerd aan alleenstaande dames die mee mochten aanschuiven en bedeeld aan enkele gezinnen van buiten de school.

 

Voor de salade werden bonen genomen die enkele maanden eerder waren ingemaakt. Hoe het conserveren van de groente precies werd aangepakt, vernemen we niet. Kranten hadden het over “inmaken” zonder verdere uitleg. De directrice van de kookschool, Frau Goering, had alleszins zelf op de activiteit toegezien. Op 25 januari werd duidelijk dat er iets mis was. Sommige disgenoten leken met een of andere oogziekte te kampen, voelden zich zeer zwak en begonnen verlammingsverschijnselen te vertonen. Van de 24 personen die van de bonensalade hadden gegeten, werden er 21 ziek; 11 van hen overleefden hun bonenmaaltijd niet. Frau Goering was een van de slachtoffers.

 

            Wat was er gebeurd? Verschillende getuigen verklaarden dat de bonen ongewoon mals aanvoelden en een opvallend sterke geur verspreidden. Het leek alsof er iemand uitbundig met Parmezaanse kaas had gestrooid. Een enkeling beweerde dat de bonen stonken als de pest, maar dat werd door een verslaggevende dokter in twijfel getrokken. Als de bonen effectief zo’n walgelijke geur zouden hebben verspreid, zouden er geen 24 personen van gegeten hebben. Wel leken de bonen een eerder ranzige geur te hebben en die geur zou versterkt zijn nadat de bonen met azijn en (zure?) room werden aangemaakt. De schalen met de bonensalade zouden ook niet allemaal even sterk hebben geroken. Dat werd in verband gebracht met het feit dat de ziekte niet voor iedereen fataal verliep. De geur zou voor enkele eters alleszins ontradend hebben gewerkt. Dat zou Frau Goering ertoe hebben aangezet nog eens extra op te scheppen: met haar bonen was niets mis.

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, wit, zwart-wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Het Handelsblad van 2 februari 1904 (BelgicaPress) wijst Frau Goering met de vinger.

 

De dokters stonden voor een raadsel. Ze dachten aan botulisme, een vorm van vergiftiging die al langer bekend was. Maar botulisme werd geassocieerd met vlees en niet met groenten. Daarom hielden sommige dokters vol dat op een of andere manier een stukje vlees bij de ingemaakte bonen moest zijn terechtgekomen. Ook zouden de bonen onvoldoende zijn gewassen alvorens te worden ingemaakt. Dat de groente, terwijl ze nog in de grond stond, werd begoten met mest van het nabijgelegen varkenshok, werd ook als risicofactor gezien.

 

Uiteindelijk werd de inadequate inmaakmethode als de schuldige aangewezen. Het besef drong door dat groenten met een geringe zuurtegraad bij het inmaken botulisme kunnen teweegbrengen en dat koken op 100°C niet volstaat. Duitse producenten van conserven waren er als de kippen bij om de consumenten gerust te stellen en te verzekeren dat bij hen alle voorzorgen in acht werden genomen.