17 januari 2026



Scroll  down  for  a  translating  tool (doesn't work on cell phone, though)
 

  

HISTORISCH  ETEN  EN  KOKEN

 


 

Peter Scholliers, Brood. Een geschiedenis van bakkers en hun brood (Vrijdag/Pelckmans, 2021) 

Patricia Van den Eeckhout, Koks en kelners, 1750-1950 (Ertsberg, 2025)

Peter Scholliers, Vooruit, kameraden! De rode winkel van de belle époque (Ertsberg, 2025)

 

We schrijven allebei boeken en artikelen over winkelen, koken, eten en drinken in voorbije eeuwen. Maar we kunnen er niet alles in kwijt. Daarom bestaat deze blog. Hij verzamelt korte stukken over praktijken, personen, evoluties en technieken die opduiken in onze teksten. In stukjes van telkens ongeveer 500 woorden belichten we de wereld van kruideniers, bakkers, koks, coöperanten, kelners, klanten,  restauranteigenaars, winkeljuffrouwen, patissiers, horeca-syndicalisten, brooddragers, maîtres-d’hôtel, restaurant critici, eters en drinkers. En zelfs gifmengers en fraudeurs.

 Veel leesplezier.


Patricia Van den Eeckhout & Peter Scholliers 



 (1975)


                                                                                                                                                            (C) 2025

15 januari 2026

 

Blacky op het menu

                                                                                             [Scroll down for translating tool]

Patricia Van den Eeckhout

 

Op 3 april 1917 kreeg de stad Gent van de Duitse bezetter de toelating een hondenslachterij in te richten. Het hondenvlees was bestemd voor de burgerbevolking, maar de horeca mocht het niet aanbieden. Een uitzonderlijk initiatief in uitzonderlijke tijden, lijkt het, maar niet overal in Europa rustte er een taboe op het eten van hondenvlees. De Duitse wet op de vleeskeuring uit 1900 rangschikte honden bij de dieren die in aanmerking kwamen om geslacht te worden. Een sanitaire controle voor en na de slacht was voorzien. Pas in 1986 werd de wet gewijzigd: voortaan was het slachten van honden en het verkopen van hondenvlees strafbaar. 

 

Vlak voor de Eerste Wereldoorlog werden er in Duitsland jaarlijks 6 à 7.000 honden geslacht. Die cijfers hielden geen rekening met de clandestiene slachtingen. Toch deed niet heel Duitsland zich te goed aan hondenvlees. De liefhebbers waren vooral te vinden in de deelstaat Saksen. Een stad sprong eruit: Chemnitz. Het hondenvlees werd er zelfs geserveerd in horecazaken. Maar ook in de “hondenstad” Chemnitz waren de hondenslachtingen peanuts vergeleken met de slacht van meer courante diersoorten. December en januari telden de meeste hondenslachtingen.

 

Statistiekje van het aantal geslachte honden in 1891

Afbeelding met tekst, ontvangst

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Statistisches Jahrbuch deutscher Städte 1893 (Google Books)

 

Aan hondenvlees schreven sommigen geneeskrachtige eigenschappen toe (het zou beschermen tegen tuberculose), maar het was natuurlijk vooral goedkoop vlees. In 1892 betaalde men in Dresden voor een kilogram hondenvlees 50 à 60 pfennig. Voor een stuk rundsvlees van 1 kilogram moest men 171 pfennig neertellen. Wie een roggebrood van een kilogram kocht, was zo’n 27 pfennig kwijt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog piekte het aantal hondenslachtingen in Duitsland.

 

Zelfs al was de consumptie van hondenvlees al bij al beperkt, toch leidde ze bij de keuringsinstanties tot ongerustheid. Veeartsen die de vleeskeuringen in Chemnitz uitvoerden, stelden vast dat honden in vergelijking met varkens vaker besmet waren met de rondworm, een ongezellig dier dat samen met het hondenvlees bij de mens terecht kwam, met soms fatale gevolgen. Dat nogal wat hondenvleesliefhebbers dat vlees graag “à la tartare” (dus rauw) consumeerden, vergrootte het risico. De veeartsen van Chemnitz meenden ook te weten hoe de honden met de parasiet waren besmet: zij hadden allicht ratten geconsumeerd.

 

Ook de veeartsen van de Brusselse veeartsenijschool, die in 1881 de vraag kregen of hondenvlees kon worden geconsumeerd zoals runds- of varkensvlees, waarschuwden tegen de rondworm en tegen hondsdolheid. Maar verder zagen zij geen bezwaren tegen de verkoop en het eten van hondenvlees. De geslachte honden dienden wel medisch gekeurd te worden en het kraam dat hondenvlees verkocht, moest dit duidelijk afficheren. Zouden niet voor consumptie mogen worden aangeboden: honden waar niet genoeg vlees aanzat, zieke dieren en de spijsverteringsorganen van de onfortuinlijke viervoeters. Maar volgens de veeartsen zou het met de consumptie van hondenvlees in West-Europa niet zo’n vaart lopen: niet alleen was er de affectieve band tussen hond en mens, maar hondenvlees zou ook sterk en onaangenaam ruiken.

 

Moambe in Brussel

                                                                                     [Scroll down for translating tool]

Peter Scholliers

 

 

Afbeelding met buitenshuis, gebouw, hemel

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: L’Illustration Congolaise, 1 mei 1935, p. 35 (Archief Afrikamuseum).

 

 

 

De wereldtentoonstelling van 1935 in Brussel beloofde schitterend te worden. Aanvankelijk waren de vooruitzichten somber wegens de aanslepende gevolgen van de beurscrash van oktober 1929, maar in de loop van 1934 klaarde de hemel op. Almaar meer landen beloofden aanwezig te zijn, het Heizelplateau bleek zeer geschikt en overheids- en privékapitaal werd gevonden.

 

Net als bij vorige wereldtentoonstellingen in België en elders genoten de kolonies veel aandacht. Kunstobjecten, producten zoals ertsen of cacaobonen en folkloristische foto’s werden uitgestald tegen de achtergrond van geologische kaarten. Toppunt was de bouw van een “inheems” dorp waar mannen, vrouwen en kinderen het dagelijks leven naspeelden, door de bezoekers dommig aangestaard.

 

De Parijse expo van 1889 —die van de Eiffeltoren— was de eerste waar Afrika, Azië en Zuid-Amerika geproefd werden: restaurants, eetstalletjes en cafés lieten de bezoekers kennismaken met exotische spijs en drank. Daarmee was de trend gezet. De expo’s op Belgische bodem van 1894, 1897, 1905, 1910, 1913 en 1930 waren geen uitzondering, maar ze negeerden de keuken van Congo. De Belg vernam enkel dat de kolonie cacao- en koffiebonen produceerde.

De voorzitter van de afdeling Kolonialisme van de expo van 1935 kondigde de bouw van een “Hall van het toerisme” aan. Dat was een breuk met de eerdere visie op de kolonie waar agro-industrie en handel centraal stonden. Bij de nieuwe visie hoorde een koloniaal restaurant. Dat was een gok, want de Europeaan dacht dat Afrikaans eten armzalig, te kruidig en onveilig was. Hij associeerde dat continent bovendien met hongersnood en kannibalisme. Ook meende hij dat de kolonist enkel overleefde met voedsel in blik, terwijl een zonderling zich aan gerookt olifantenvlees waagde.

 

Een tijdelijke vennootschap zorgde voor geld, de befaamde architect Victor Bourgeois tekende de plannen en in mei 1935 opende Restaurant Colonial Leopold II. Het was prachtig met zijn groot terras dat uitgaf op een rozentuin.

 

De Belgische pers was verbaasd, aangenaam verrast en vooral nieuwsgierig. Een krant schreef, “Op aanvraag serveert het restaurant koloniale schotels met de vreemdste smaken, bereid door koks met jarenlange ervaring”. “Op aanvraag” toonde de voorzichtigheid waarmee het restaurant tewerk ging: hoe zou het publiek reageren? Een andere krant wist dat de Congolese keuken vooral kip bereidde: “Kip met aardnoten, kip in palmolie en kip met pilipili en voor dat laatste gerecht moet de eter een stevige maag hebben”. Andere kranten, geïnspireerd door de expo, brachten Congolese recepten, waaronder kip met bananen.

 

 

Afbeelding met schip

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Clarté, 1 februari 1938, p. 38 (KBR-Belgicaperiodicals).

 

 

            Kenners waren enthousiast over een échte Congolese schotel, de moambe (kip in palmolie met aardnoten en pilipili), die 45 frank kostte. Dat was veel, maar diende voor twee à drie eters. Een Europees menu met soep, voorgerecht, hoofdschotel, dessert en koffie in Restaurant Leopold II kostte evenveel, per persoon. Eind 1939 proclameerde Pourquoi Pas? de moambe tot Congolees nationaal gerecht. Het had niet veel om het lijf, schreef het magazine: “een kip gekookt in palmolie met wat pilipili”.

           

Het restaurant overleefde de sluiting van de expo in november, wat wijst op trouwe klanten. In juli 1936 verhuisde het naar het pas geopende Grand Hotel in de Brusselse Anspachlaan. Het serveerde “exquise Congolese schotels”, nog steeds op aanvraag. De Tweede Wereldoorlog gaf het restaurant de doodsteek: de liquidatie kwam er in april 1941.