11 december 2025

 

Dodelijke vol au vent

 

Patricia Van den Eeckhout

 

Op 30 september 1842 werd bij Jan Mouthaan, gewezen logementhouder, maar nu rentenierend en wonend op de Haagse Prinsegracht, een hoedendoos afgegeven. Daarin zat een gemberpot met een ragout van zwezeriken en morieljes, een soort zwam. Op een apart bordje lag het korstdeeg. Afzender was Jan Cornelis van Stenis, 55 jaar en logementhouder in Utrecht. Van Stenis was gehuwd met een nicht van de echtgenote van Mouthaan.

 

Oom Mouthaan had al langer zin in een lekkere vol au vent, wist van Stenis. Daarom had hij bij de Utrechtse kok Klokke een ragout besteld. Banketbakker Dentz had het korstdeeg gebakken. Dat alles werd bij van Stenis afgeleverd. Diens vrouw goot de ragout over in een gemberpot en plaatste de korst op een apart bordje. De hoedendoos met het geschenk werd met de diligence van Utrecht naar Den Haag gebracht.

 

            Omdat de pot met de lekkernij toekwam nadat het koppel Mouthaan al gegeten had, werd de consumptie van de vol au vent tot de volgende dag uitgesteld. Het gezin Mouthaan zette zich om drie uur in de namiddag aan tafel: gegoede mensen aten later dan de gewone man. Het koppel deed zich tegoed aan de schotel. Jan Mouthaan at er net iets meer van, want zijn echtgenote liet hem de meeste morieljes, want daar was hij dol op. Enkele gestoofde peren vervolledigden de maaltijd. Ook de dienstbode Jaantje Vonk mocht meegenieten. Zij kreeg de saus die in de gemberpot was overgebleven en een stuk van het korstdeeg. Met aardappelen en rode kool vormde dat een uitstekende combinatie.

 

            Slechts zo’n half uur na het begin van de maaltijd kregen de drie eters hevige krampen. Ze moesten overgeven en veelvuldig naar het toilet lopen. Twaalf uur later was de 82-jarige Jan Mouthaan dood; zijn echtgenote en de meid waren zeer ziek. Eerst werd aan een kopervergiftiging gedacht. De meeste koks gebruikten koperen kasserollen. Als die aan de binnenkant niet werden vertind (of die laag afgesleten was), konden giftige stoffen in de voeding terechtkomen. Maar al snel bleek dat dit niet de oorzaak kon geweest zijn. Het braaksel, het bloed dat werd verzameld bij de aderlatingen en restjes van de maaltijd werden geanalyseerd. Een autopsie volgde. De vol au vent bleek rattenvergif te bevatten.

 

De kok die de ragout had bereid, werd vrijgepleit: zijn gezin had ervan gegeten en was niet ziek geworden. Ook de banketbakker ging vrijuit: van hetzelfde deeg waren ook andere stukken gebakken, maar niemand had er last van gehad. De vrouw van van Stenis had overigens ook even geproefd en ook zij had er niets aan overgehouden. Even kwam zij in beeld als mogelijke dader. Haar man beweerde dat de ragout en het korstdeeg niet door derden maar door zijn eigen vrouw waren bereid. Ook liet hij zich ontvallen dat zijn echtgenote wel zeer sterk uitkeek naar de erfenis die haar te beurt zou vallen. Het koppel Mouthaan had zijn enige zoon verloren.

 

Lied in dertien strofen over de moord. Hier de strofen 3 en 4

Afbeelding met tekst, Lettertype, zwart-wit, wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

F.G.L. Holst, Amsterdam (Google Books)

 

Het bleek echter dat zowat alles wat van Stenis over deze zaak beweerde, gelogen was. Hij had niet enkel zonder duidelijke reden rattenvergif gekocht, maar ook de gelegenheid gehad om het in de ragout te mengen. Van Stenis had schulden bij Mouthaan. Voor zijn woning in Utrecht moest hij het oude koppel bovendien een lijfrente betalen. Als ze stierven, was hij ook daarvan verlost. De dader werd tot de galg veroordeeld. Voor hij geëxecuteerd werd, legde hij alsnog bekentenissen af.  

 

 

De kok van Leopold II

 

 

Peter Scholliers

 

 

Jules Quenon werd op 29 april 1839 geboren in Etrun, een dorpje naast Arras (Pas-de-Calais). Als elfjarige was de jongen het slachtoffer van een moordpoging. Hij had de dienstbode thuis op diefstal betrapt en de panikerende vrouw wist niet beter dan hem te kelen. Maar de kleine Jules kon naar buiten strompelen, achtervolgd door de vrouw. Daar werd hij gered en zij bijna gelyncht. De vrouw kreeg de doodstraf, Jules overleefde.

 

Dertig jaar later werd hij aangesteld als chef de cuisine in het koninklijk paleis van Brussel. Waar Quenon de stiel leerde, weten we niet, maar in de ouderlijke bakkerij deed hij allicht wat ervaring op. In de jaren 1870 had hij zich opgewerkt tot chef-kok van graaf Charles de Bryas, telg van een oude adellijke familie uit Noord-Frankrijk. De graaf bezat een huis in Parijs, een stad waar Quenon vaak verbleef. Hij huwde er in 1874 en kreeg er twee zoons en een dochter.

 

 

Afbeelding met tekst, handschrift, handgeschreven

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Lonen van het keukenpersoneel, december 1902, met bovenaan Quenon, “Chef de bouche”, à 291,66 frank per maand. Bron: Archief Koninklijk paleis Brussel, Civiele lijst, “Traitements”, 1902.

 

 

Blijkbaar was de reputatie van zijn kookkunst de grens overgestoken, want begin 1880 had de grootmaarschalk van het paleis van Brussel hem op het oog als nieuwe kok van de koning. De grootmaarschalk wilde Quenon naar Brussel lokken met een jaarloon van 3.500 frank, een vaste bonus van 1.200 frank, vijf procent op de winst gemaakt bij spaarzame voedselaankopen, een deel van de gratificaties die elk personeelslid van het paleis genoot, twee warme maaltijden per dag, gratis medische zorg en een pensioen. Alles bij elkaar zou Quenon zo’n 8.000 frank per jaar verdienen (ongeveer 60.000 euro). Iemand had op het ontwerp van contract in potlood toegevoegd: “Bied hem 500 frank meer en zeg hem dat bij de overheid, als men tevreden is, de lonen worden verhoogd”. Leopold II bemoeide zich nu en dan met het huishouden. Had hij die woorden geschreven?

 

Van die bijkomende 500 frank of de loonsverhoging kwam niets in huis. De grootmaarschalk wilde besparen op de voedseluitgaven die in de jaren 1870 enorm waren gestegen omdat Leopold II vele galadiners organiseerde in het kader van zijn Congobeleid. Dat laatste was aan het lukken en dus kon er iets minder aan culinaire diplomatie worden gedaan. Maar de besparingen troffen ook het personeel van de keuken en dus zou Quenon, die in mei 1880 als chef de cuisine begon te werken, nooit een loonsverhoging krijgen. Tot zijn pensioen in 1908 verdiende hij onveranderlijk 3.500 frank per jaar, maar steeds met bijkomende voordelen. In de jaren 1880 en ’90 bedroegen de gratificaties zo’n 1.000 frank, wat zijn jaarinkomen opdreef tot 9.000 frank. Dat was veel en liet Quenon toe 25.000 frank te beleggen in aandelen.

 

            Na zijn aanstelling in Brussel, kreeg Jules Quenon nog een dochter en een zoon, beide geboren in Laken. Een zoon was restaurateur in Parijs, een andere was kok en de derde handelaar. Zijn beide dochters huwden een Franse chef de cuisine. Jules Quenon had een dynastie van koks gesticht. Hij stierf in Laken in 1924.