15 januari 2026

 

Blacky op het menu

                                                                                             [Scroll down for translating tool]

Patricia Van den Eeckhout

 

Op 3 april 1917 kreeg de stad Gent van de Duitse bezetter de toelating een hondenslachterij in te richten. Het hondenvlees was bestemd voor de burgerbevolking, maar de horeca mocht het niet aanbieden. Een uitzonderlijk initiatief in uitzonderlijke tijden, lijkt het, maar niet overal in Europa rustte er een taboe op het eten van hondenvlees. De Duitse wet op de vleeskeuring uit 1900 rangschikte honden bij de dieren die in aanmerking kwamen om geslacht te worden. Een sanitaire controle voor en na de slacht was voorzien. Pas in 1986 werd de wet gewijzigd: voortaan was het slachten van honden en het verkopen van hondenvlees strafbaar. 

 

Vlak voor de Eerste Wereldoorlog werden er in Duitsland jaarlijks 6 à 7.000 honden geslacht. Die cijfers hielden geen rekening met de clandestiene slachtingen. Toch deed niet heel Duitsland zich te goed aan hondenvlees. De liefhebbers waren vooral te vinden in de deelstaat Saksen. Een stad sprong eruit: Chemnitz. Het hondenvlees werd er zelfs geserveerd in horecazaken. Maar ook in de “hondenstad” Chemnitz waren de hondenslachtingen peanuts vergeleken met de slacht van meer courante diersoorten. December en januari telden de meeste hondenslachtingen.

 

Statistiekje van het aantal geslachte honden in 1891

Afbeelding met tekst, ontvangst

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Statistisches Jahrbuch deutscher Städte 1893 (Google Books)

 

Aan hondenvlees schreven sommigen geneeskrachtige eigenschappen toe (het zou beschermen tegen tuberculose), maar het was natuurlijk vooral goedkoop vlees. In 1892 betaalde men in Dresden voor een kilogram hondenvlees 50 à 60 pfennig. Voor een stuk rundsvlees van 1 kilogram moest men 171 pfennig neertellen. Wie een roggebrood van een kilogram kocht, was zo’n 27 pfennig kwijt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog piekte het aantal hondenslachtingen in Duitsland.

 

Zelfs al was de consumptie van hondenvlees al bij al beperkt, toch leidde ze bij de keuringsinstanties tot ongerustheid. Veeartsen die de vleeskeuringen in Chemnitz uitvoerden, stelden vast dat honden in vergelijking met varkens vaker besmet waren met de rondworm, een ongezellig dier dat samen met het hondenvlees bij de mens terecht kwam, met soms fatale gevolgen. Dat nogal wat hondenvleesliefhebbers dat vlees graag “à la tartare” (dus rauw) consumeerden, vergrootte het risico. De veeartsen van Chemnitz meenden ook te weten hoe de honden met de parasiet waren besmet: zij hadden allicht ratten geconsumeerd.

 

Ook de veeartsen van de Brusselse veeartsenijschool, die in 1881 de vraag kregen of hondenvlees kon worden geconsumeerd zoals runds- of varkensvlees, waarschuwden tegen de rondworm en tegen hondsdolheid. Maar verder zagen zij geen bezwaren tegen de verkoop en het eten van hondenvlees. De geslachte honden dienden wel medisch gekeurd te worden en het kraam dat hondenvlees verkocht, moest dit duidelijk afficheren. Zouden niet voor consumptie mogen worden aangeboden: honden waar niet genoeg vlees aanzat, zieke dieren en de spijsverteringsorganen van de onfortuinlijke viervoeters. Maar volgens de veeartsen zou het met de consumptie van hondenvlees in West-Europa niet zo’n vaart lopen: niet alleen was er de affectieve band tussen hond en mens, maar hondenvlees zou ook sterk en onaangenaam ruiken.