19 februari 2026

Massavergiftiging in België?

 

Patricia Van den Eeckhout

 

Leval-Trahegnies, een gemeente in de buurt van carnavalsstad Binche. In augustus 1928 komt de slager van het dorp, de 27-jarige Jacques Gossuin, zich bij de politie beklagen over roddels die de ronde doen. Klanten zouden ziek zijn geworden van het vlees dat ze bij hem hebben gekocht. Gossuin wil dat de laster stopt. De man had eerder een paardenslagerij, maar verkoopt nu alle soorten vlees. Zijn prijzen zouden iets lager liggen dan bij de concurrentie.

 

De politie start een onderzoek. Klanten van de slagerij zouden inderdaad last hebben van zware spijsverteringsproblemen. De meid van de slager en haar gezin zijn bij de eerste zieken. Zij had een stuk kalfshart en kalfslongen mee naar huis genomen en bereid. Het aantal zieken stijgt snel. Zowel de politie als de plaatselijke dokters zijn van in het begin stellig over de oorzaak van de ziektegolf: alle betrokkenen zouden kalfsvlees (veelal in de vorm van gehakt of worst) hebben gekocht bij slager Gossuin. Wie ander vlees dan kalf had aangeschaft bij dezelfde slager, zou geen problemen ondervinden.

 

Ondertussen hebben kranten uit binnen- en buitenland lucht gekregen van de zaak. Er zou sprake zijn van honderd zieken. De communistische krant Le Drapeau rouge spreekt zelfs van honderdvijftig slachtoffers. Het leven van sommigen zou aan een zijden draadje hangen. “Massavergiftiging in België”, titelt de Nederlandse socialistische krant Voorwaarts. Terwijl het onderzoek nog volop loopt, beschuldigt Le Drapeau rouge slager Gossuin ervan een gifmenger te zijn. Groot is daarentegen de bewondering voor de jonge dokter die meteen naar Gossuin wees. Hij was het die Gossuin door zijn bezoek aan de politie het zwijgen wou opleggen.  

 

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, wit, zwart

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

De internationale pers pikt de gebeurtenis op.

Sächsischer Elbzeitung, 18 augustus 1928 (Deutsches Zeitungsportal)

 

De slager wordt op de rooster gelegd. Waar kwam dat kalf vandaan? Het blijkt van een buurman te zijn gekocht. Het dier had zijn poot gebroken en moest naar de slachtbank. Dat gegeven inspireerde de communistische krant om Gossuin een “charognard” te noemen, iemand die handeldrijft in krengen. Maar het kalf blijkt goedgekeurd te zijn door een veearts. Er blijven nog enkele stukken kalf over. Die worden naar een labo gestuurd om te worden onderzocht. Nog voor de maand augustus voorbij is, is de uitslag bekend: met het kalfsvlees van Gossuin is helemaal niets aan de hand. Bitter weinig kranten nemen de moeite om dit aan hun lezers te vertellen. Sommige doen dat enkele maanden later, andere nooit. Overigens is iedereen na enkele dagen hersteld.

 

Wat heeft zich in Leval-Trahegnies voorgedaan? Massahysterie? Iemand voelt zich na het consumeren van voedsel of drank niet lekker, waarna bepaalde omstandigheden maken dat ook anderen menen eenzelfde ongemak te voelen en er een collectieve paniek uitbreekt. Mogelijk was het kalfsvlees van Gossuin een enkeling niet goed bekomen en meenden anderen ook “iets” te voelen. Misschien maakte de herkomst van het kalf de mensen argwanend. Het kalf was “afgedankt”, want het had een poot gebroken. Dat een figuur met autoriteit, de jonge dokter, resoluut in de richting van slager Gossuin wees, kan de zaak in een stroomversnelling hebben gebracht.


 

 

Slaet in de ramen en grijpt de brooden

 

Peter Scholliers

 

Afbeelding met Menselijk gezicht, kleding, verven, person

Automatisch gegenereerde beschrijving

De bedelaar. Bron: Collectie Koninklijke oudheidkundige kring van het Land van Waas, Stedelijk Museum Sint-Niklaas, objectnummer SN.W.N.854, olieverf op doek, 1847.

 

  

Rond de middag van 2 maart 1847 troepten jongeren samen voor de winkel van een Brugse bakker. Enkele jongens wilden er wat brood kopen maar hadden amper geld en kregen niets. De spanning steeg, want buiten verzamelde zich almaar meer joelend volk dat de maandenlange duurte meer dan beu was. Een ruit sneuvelde en de bakkerij werd geplunderd. Rond 5 uur marcheerden honderden mensen door Brugge, hielden halt aan elke bakkerij, tierden en gooiden met stenen. Enkele bakkers deelden brood uit om erger te voorkomen. Pas om 10 uur ’s avonds werd het rustig. De dag erna waren de rellen nog feller. Mannen, vrouwen, jongens en meisjes belaagden de bakkerijen, schreeuwden, plunderden, vernielden een winkel en bedreigden burgers. Rond 7 uur ’s avonds keerde de rust terug. De dag erna was de woede uitgeraasd.

 

Op 12 maart 1847 arresteerde de Brusselse politie Louis Van de Casteele. Hij zou de onlusten in Brugge hebben uitgelokt met zijn publieke brief aan premier de Theux, waarin hij de hoge clerus en de overheden verweet niets te doen tegen de groeiende armoede. Zoeken naar leiders van opstootjes was de regel, omdat de overheid geloofde dat het volk was misleid. Een proces, gevolgd door een veroordeling, moest de aanvoerders ontmaskeren. Maar Van de Casteele was niet in Brugge op 2 en 3 maart en zijn directe betrokkenheid was niet te bewijzen. Op 2 april kwam hij vrij.

 

De affaire Van de Casteele verhitte de gemoederen tot de herfst van 1847. Sommigen bleven hem verdenken de aanstichter te zijn, maar anderen meenden dat de politie Van de Casteele in het vizier nam wegens zijn brief. De persvrijheid werd bedreigd. Journal de Bruges verklaarde de rellen door een samenloop van trieste ontwikkelingen: “We bevinden ons in een tijd die onvermijdelijk tot rellen leidt: een echt of kunstmatig voedseltekort, gecombineerd met de ondergang van een industrie die honderdduizenden mensen brood gaf. Honger heeft altijd geleid tot rellen”. De krant benadrukte de gevolgen van de trage doodstrijd van de plattelandse huisnijverheid en van de snel stijgende broodprijzen: gedaalde koopkracht, armoede, honger, diefstal, bedelarij, ziekte, wanhoop en woede. Dan volstond een gerucht of een kreet om de boel te doen ontploffen.

 

Plunderingen en vernielingen zijn één zaak, armoede en honger een andere. Het eerste bracht honderden mensen op de been, het tweede trof alle arbeidersgezinnen. Catastrofaal was de stijging van de prijs van roggebrood. In Brugge kostte een kilo 0,17 frank in januari 1845, een jaar later 0,24 frank en in februari 1847 al 0,33 frank. Dat was een ramp, want ook aardappelen waren toen ontzettend duur. De slepende industriële crisis van de huisnijverheid met dalende lonen en werkloosheid maakte de toestand onhoudbaar.

 

Niet alleen Louis Van de Casteele gewaagde van honger en ellende in Vlaanderen in de lente van 1847, maar ook Jacob Kats deed dat. In 1847 steunde hij de Association démocratique, waartoe ook Karl Marx behoorde die toen in Brussel woonde. De misère des Flandres is Marx bijgebleven, want in 1848 verwees hij ernaar in zijn krant, Neue Rheinische Zeitung.


Lees meer over brood en broodrellen in Brood, een geschiedenis van bakkers en hun brood.

 

 

 

 

12 februari 2026

 

Vijf kogels voor een dessert

 

Patricia Van den Eeckhout

 

Jean-Baptiste Amedée Delhomelle zinde op wraak. Amper een maand was hij aan de slag geweest als garçon de salle bij de gekende Parijse restaurateur Nicolas Marguery. Nu stond hij op straat. Een discussie over een dessert had een einde gemaakt aan de samenwerking. Delhomelle werd gevraagd om het dessert van een klant te serveren, maar hij had dat geweigerd: het dessert zag er niet uit. Zoiets kon hij niet opdienen. Marguery vroeg hem om een toontje lager te zingen en te doen wat hem gevraagd werd, maar Delhomelle wilde van geen wijken weten.

 

Of hij nu zelf ontslag had genomen of de laan was uitgestuurd, was niet duidelijk. Volgens Marguery had de kelner te veel noten op zijn zang, was hij niet onderdanig genoeg en babbelde hij ook te veel. Maar hij gaf wel toe dat de man een ijverige werker was. Delhomelle vond een andere job als kelner, maar ook hier volgde ontslag. Hij werkte vervolgens als extra, wat betekent dat hij geen “vaste” job had, maar overal vervangingen moest doen. Delhomelle had zijn buik vol van de horeca-uitbaters en besloot dat een van hen moest boeten. Zijn keuze viel op Marguery. Hij kocht een revolver en kogels.

 

            De Parijse restaurateur had zijn dagelijkse routine. Hij ging naar de markt en keerde op een vast uur terug. Delhomelle was daarvan op de hoogte. De gefrustreerde kelner wachtte Marguery op en vuurde. Er gebeurde niets, want het wapen blokkeerde. Niemand had iets gemerkt. Als Delhomelle het later niet aan de politie zou hebben bekend, zou niemand het geweten hebben. Hij gaf zijn plan niet op, maar ging in de Bois de Boulogne met de revolver oefenen. Weer ging hij Marguery opwachten. Hij had zich met twee cognacs moed ingedronken. Marguery kwam voorbij gewandeld, verdiept in een krant. Delhomelle schoot hem in de rug. De restaurateur viel op de grond, waarna zijn aanvaller nog vier keer op hem vuurde. Marguery overleefde de aanslag, maar omdat het operatief verwijderen van de kogels te risicovol was, zou hij de rest van zijn leven pijn lijden.

 

            In 1871 werd Delhomelle door het assisenhof tot de doodstraf veroordeeld. De jury hield geen rekening met verzachtende omstandigheden. Door over de eerste onopgemerkte moordpoging op Marguery te beginnen, had Delhomelle zich bij wijze van spreken zelf aan de galg gepraat. Maar enkele maanden na zijn veroordeling kreeg de man gratie. Hij werd naar een strafkolonie in Nieuw-Caledonië verscheept, waar hij vervolgens als kolonist een leven uitbouwde, huwde en kinderen kreeg.

 

Afbeelding met Menselijk gezicht, portret, kleding, persoon

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist. 

De bejaarde Delhomelle in Nieuw-Caledonië

(https://www.lnc.nc)

 

Was Delhomelle op zijn proces zeer mededeelzaam over zijn moordpogingen, dan vernemen we spijtig genoeg niets over zijn parcours als kelner. Geboren in de Somme als zoon van een graankoopman, was hij naar de Verenigde Staten getrokken om in 1859 op 17-jarige leeftijd naar Frankrijk terug te keren. Een bloeiende kelnercarrière had hij allicht niet. Toen hij op 28-jarige leeftijd bij Marguery werkte, oefende hij de functie van omnibus uit, dat was een soort hulpkelner. Vaak werd die taak toevertrouwd aan iemand die jong was en de stiel nog moest leren.

 

 

Veel meer over de soms woelige verhouding tussen koks en kelners in het boek van Patricia Koks en kelners 1750 - 1950 (Ertsberg, 2025) 

 

Dikke macaroni in koude tomatensaus

 

Peter Scholliers

 

 

Rond 1890 hadden vegetariërs het niet gemakkelijk. Ze streden voor een vleesloze voeding die gezond, goedkoop, voedzaam en smakelijk was. Net in die periode werd vlees betaalbaarder en populairder. Vegetariërs werden weggehoond, te meer omdat ze geheelonthouders, moraalridders, religieuze fanatici en verwijfd zouden zijn.

 

            Maar verandering loerde om de hoek. In Duitsland, Nederland en Groot-Brittannië ontstonden verenigingen die tijdschriften uitgaven, congresseerden en restaurants openden. In 1896 verscheen La Réforme alimentaire, het magazine van de Belgische vegetariërs en een jaar later opende het eerste Brusselse vleesloze eethuis. Journalisten rapporteerden niet zonder sympathie over deze nieuwe initiatieven, hoewel vaak met een schertsende ondertoon.

 

 

 

Afbeelding met gebouw, buitenshuis, huis, boom

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Het liefelijke Restaurant Végétarien (ivu.org/congress/wvc10/pre-con.html).

           

 

Het derde wereldcongres van de vegetariërs greep plaats tijdens de wereldtentoonstelling van Brussel in 1910. Het bood een uitstekende gelegenheid om propaganda te maken voor de vleesloze maaltijd. Om niet alleen de overtuigden te bereiken, werd besloten een vegetarisch restaurant te openen, waar iedereen welkom was en een folder kreeg toegestopt. Dat was tijdens de expo van Dublin drie jaar eerder al een succes.

 

            De secretaris van de Vegetarian Society, Albert Broadbent, had eerder drie vegetarische restaurants uitgebaat in Groot-Brittannië. Het werd zijn financiële ondergang. Dat belette hem niet het Brusselse Restaurant végétarien in te richten en te besturen. Hij keek toe op de bouw, wierf koks en meertalige diensters aan, stelde het menu op en besliste dat gerechten 75 centiemen en een viergangenmenu slechts 1 frank zouden kosten, wat redelijk goedkoop was. Het restaurant had een mooie locatie, pal naast het Terkamerenbos, bij de terminus van de tram. Het opende in april 1910.

 

 

            La Réforme alimentaire jubelde over de smakelijke, voedzame keuken aan schappelijke prijzen. Het vegetarisme was lang niet dood! Vleesloos eten was geen vluchtige mode, zoals vaak werd gedacht. Een Duits blad meldde dat het restaurant op sommige avonden 700 klanten had.

 

            Het Restaurant végétarien kreeg weinig aandacht van de pers. Als dat al gebeurde, sloot de commentaar aan bij de ironische toon uit de jaren 1890. De Gazette de Charleroi rapporteerde over het publieke banket (à 2 frank zonder drank) van juli 1910. Ze publiceerde het menu, dat de ongeveer 150 uitbundige eters begeesterde. Maar de journalist oordeelde scherp over de spijzen. De soep was koud en deed denken aan de “waterige soepjes uit onze kindertijd”, de veelbelovende kleine Napolitaanse noedels bleken een “dikke macaroni in koude tomatensaus”, terwijl het enige goede aan de spinazie de naam “Lucullus” was. De twee kleine aardappels met een zesde van een hardgekookt ei, de galantine (gebakje in aspic) met de hartige saus, de sla en de desserten waren eveneens ondermaats. Bovendien was alles koud, met uitzondering van de koffie. De sfeer was navenant.

 

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, wit, zwart-wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Het menu van het vegetarisch banket van juli 1910 (Gazette de Charleroi, 6 juli 1910, p. 2; KBR- Belgicapress)

 

 

            Het Volk. Dagblad voor de Arbeiderspartij (Amsterdam) proefde een gewone maaltijd en was tevreden met de verhouding tussen prijs en kwaliteit, de bediening door “vriendelijke jonge meisjes” en de prachtige omgeving. Maar… “een doorsnee Hollander kan er zijn middagmaal niet mee doen” en moet een schotel à 75 centiemen bijbestellen.

            De tentoonstelling sloot in november 1910. Heeft het Restaurant végétarien impact gehad? Ongetwijfeld, volgens La Réforme alimentaire, want na de expo kreeg het magazine vele vragen over de vegetarische keuken. Maar die interesse bleek tijdelijk en het vegetarisme overleefde amper in de marge van de gastronomie.

 

 

05 februari 2026

 

Café-restaurant Vooruit in de Groote Oorlog

 

 

Peter Scholliers

 

 

Op 12 oktober 1913 opende het “volksrestaurant” van de Samenwerkende maatschappij Vooruit in het indrukwekkende nieuwe feestlokaal in de Sint-Pietersnieuwstraat (vandaag Viernulvier). Het dagblad Vooruit bracht verslag uit over de eerste dagen: 300 eters genoten er ’s middags en ’s avonds van een dagschotel à 0,60 of 1,30 fr en van diverse gerechten waaronder kalfsgebraad (1,00 fr), spiegeleieren (0,75 fr), beefsteak - frites (1,25 fr) of salade en mayonaise met kreeft (1,50 fr) (vermenigvuldig deze sommen met 8 voor de prijs in euro). “Dat de eters tevreden waren”, schreef de krant, “werd bewezen door de opgewekte gesprekken aan tafel”. Voor 60 centiemen kregen ze “een goede portie patatten met een flinke schep roode koolen en eene dito snede uitstekend malsch varkensvleesch”.

 

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Vooruit, 20 december 1915, p. 4 (Amsab-ISG)

 

 

            Exact een jaar na de opening van het Restaurant Vooruit viel Gent in handen van de Duitsers. Ze bleven er tot 10 november 1918 en zorgden voor vijftig maanden miserie met werkloosheid, gebrekkige bevoorrading, steile inflatie, lange rijen bij het winkelen, rantsoeneringen, honger en angst. Wat een contrast met de rijke spijskaart van het spijshuis van Vooruit voor de oorlog!

 

            De inval intimideerde het restaurant allerminst. In september en oktober 1914 ving het vele vluchtelingen uit Wallonië, Limburg en Brabant op. Einde oktober moest het even sluiten “omdat Duitsche soldaten er een al te hoogen toon aansloegen. Dat gaf de arbeiders aanstoot”. In november hervatte de activiteit. Het restaurant bleef de hele oorlog open, maar kampte gaandeweg met almaar meer problemen, waaronder de manke bevoorrading, de felle prijsstijgingen, de dalende koopkracht en, naar eigen zeggen, de strubbelingen met het Nationaal Comiteit voor Hulp en Voeding dat instond voor de bevoorrading van het land.

 

Restaurant Vooruit slaagde er in de prijzen ongewijzigd te houden tot 1915 en zelfs een groot deel van 1916. In december van dat laatste jaar kostte de beefsteak-frites nog altijd 1,25 fr, maar de prijs van de dagschotel was verhoogd van 60 naar 75 centiemen. In 1917 en 1918 verschenen er nagenoeg geen advertenties meer voor Restaurant Vooruit, behalve “Zooals vroeger wordt in den Café om 12 ure alle dagen warme soep opgediend aan 0,10 fr den grooten schotel”.

 

In november 1916 werden alle Gentse restaurants ervan beschuldigd te veel aardappelen en vlees te gebruiken ten nadele van de gewone Gentenaars, een verwijt dat Vooruit nog ‘ns kreeg in januari 1918. Het restaurant weerlegde de beschuldigingen door te benadrukken dat socialistische militanten én gewone Gentenaars er kwamen eten aan lage prijzen, en niet de burgerij of Duitse officieren.

 

De omzet van het restaurant daalde fors van 189.380 fr in het boekjaar 1915-1916 naar 127.173 frank in 1916-1917. In 1918-1919 steeg de omzet merkwaardig genoeg tot 314.438 frank. Maar houden we rekening met de scherpe inflatie na 1916 dan is het plaatje minder rooskleurig: in 1916/17 bedroeg de omzet van het restaurant 35 percent van deze van het vorige boekjaar, in 1918/1919 was dat iets beter (55 percent). De heropstart na de oorlog gebeurde zeker niet zonder kopzorgen.

 

Ontwerp van het Feestlokaal van de S.M. Vooruit, door F. Dierkens (1913). Bron: AMSAB-ISG, fotocollectie # fo000497.
 

 

 


 

 Vooruit, kameraden! De rode winkel van 

de belle époque.


 

Corned beef, extra kwaliteit

 

Patricia Van den Eeckhout

 

“Sedert eenige jaren komen uit Amerika konserven van ossenvleesch, welke in blikken doozen, onder den naam van corned beef verkocht worden”, wist de Standaerd van Vlaenderen in 1880. In Nederland werd corned beef ook bussenvleesch genoemd. Heel Europa deed zich aan de Amerikaanse vleesconserven te goed. Maar in 1900 kondigde Duitsland een verbod op de invoer van Büchsenfleisch af. Het land wou komaf maken met de Amerikaanse dominantie op die markt en bovendien doken er regelmatig verhalen op over onhygiënische toestanden in de Amerikaanse vleesverwerkende nijverheid. Een telg van een vooraanstaande familie uit Hamburg zag zijn kans: Walther Bintz richtte zijn eigen fabriek van corned beef op in Oldesloe.

 

 

Afbeelding met tekst, krant, boek, Publicatie

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Deutscher Reichsanzeiger, 3 november 1903 (Deutsches Zeitungsportal)

 

 

Bintz liet Amerikaans vee in Canada slachten en bracht het vlees in gepekelde vorm naar Oldesloe, waar het tot corned beef werd verwerkt. Hij maakte veel reclame en rijfde bestellingen van het leger en de marine binnen. In 1903 kreeg Bintz een prijs omdat hij zich als eerste “op Amerikaanse wijze” met vleesconserven bezighield. Dat was allicht bedoeld als compliment, maar er deden geruchten de ronde dat Bintz ook minder stichtende Amerikaanse voorbeelden volgde. Zijn bedrijf zou minderwaardig vlees tot corned beef verwerken.

 

            In februari 1906 publiceerde de Amerikaanse journalist Upton Sinclair het spraakmakende boek The jungle. Zowel de abominabele werkomstandigheden als de hygiënische wantoestanden in de vleesverwerkende bedrijven van Chicago kwamen er uitgebreid in aan bod. Het werk had de vorm van een roman, maar er bestond weinig twijfel over dat de wereld die Sinclair beschreef geen fictie was. Het boek werd op korte tijd wereldbekend.

 

            In de lente van datzelfde jaar moesten verschillende verantwoordelijken van de firma Bintz voor de rechter komen omdat er sprake zou zijn van wanpraktijken in de vleesfabriek. De zaakvoerder verzekerde de rechter dat er in alle lokalen borden hingen die het personeel aanmaanden ondeugdelijk vlees te signaleren. Alle betrokkenen werden vrijgesproken. Toch zou Bintz nog voor het einde van het jaar ten onder gaan. Niet de sanitaire wantoestanden, maar financiële fraude deden hem de das om.

 

Bintz was opzoek geweest naar kapitaal en hij had in de Hamburgse handelswereld ook geïnteresseerden gevonden. Toen een onder hen de fabriek wilde bezoeken, werd een regelrecht toneelstuk opgevoerd. Bintz investeerde voor één keer in vers en deugdelijk vlees. Toen de potentiële geldschieter een lokaal betrad, zag hij net geklede arbeiders die druk in de weer waren. Telkens als hij naar een ander lokaal stapte, moesten de arbeiders ervoor zorgen hem voor te zijn, opdat de zakenman ook daar een drukke bedrijvigheid zou aantreffen. Opgestapelde blikken en kisten moesten de indruk van ruime voorraden wekken, maar waren leeg. De list werkte: de investeerder kwam met een grote som geld over de brug. In november 1906 bleek dat Bintz met het geld naar Canada was gevlucht.  

 

Toen de gerechtelijke autoriteiten de vleesfabriek bezochten, troffen ze wagonladingen bedorven vlees aan. “Chicago in Duitsland” titelde een krant. “Amerikaansche toestanden”, schreef een andere. In 1910 werd Bintz in de buurt van Berlijn aangehouden. Hij bleek al sedert 1908 terug in het land te zijn en alweer een vleesfabriek uit te baten.

29 januari 2026

 

De moorddadige oesters van Sète

 [scroll down for translating tool]

Patricia Van den Eeckhout

 

“Les huitres meurtrières de Cette”, de moorddadige oesters van Cette, titelden Franse kranten in 1907. De oesters van de Franse badplaats Cette (Sète geschreven vanaf 1928) hadden doden op hun geweten. Tien jaar eerder had de bacterioloog André Chantemesse, een leerling van Louis Pasteur, de oesters van Sète al aangeklaagd. De man werd echter niet geloofd. Hij werd er zelfs van beschuldigd de Franse oesterkweek te willen kapot maken. Ook in het buitenland irriteerde zijn boodschap. Het Algemeen Handelsblad karakteriseerde hem als “een zeer bekwaam maar niet geheel van phantaisie ontbloot bacterioloog”.

 

Maar de geest was uit de fles. De consumenten waren ongerust en daar leden niet enkel de oesters van Sète onder. Terwijl de Fransen in 1896 niet minder dan 1247 miljoen inheemse oesters kochten, was dit in 1903 gezakt tot 731 miljoen. De overheid publiceerde een sussend rapport in 1904. Maar tussen september 1906 en januari 1907 hadden in verschillende Franse steden mensen last van zware gastro-intestinale problemen. Allen hadden oesters van Sète geconsumeerd. Er werden 67 gevallen van buiktyfus vastgesteld, waarvan 18 met dodelijke afloop.

 

Afbeelding met buitenshuis, water, gebouw, schip

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Oesterpark in Sète

 

Aan de oesters zelf was niets te merken: ze zagen er fris en smakelijk uit. Heel wat van die oesters werden zelfs uiterst vers geconsumeerd, met name in Sète zelf. Maar dat was geen garantie op ongestoord genieten, zo wisten de arbeiders van de staalproducent Schneider. Omdat die onderneming uit Le Creusot een vestiging had neergepoot in Sète, werden een aantal arbeiders naar het kuststadje gestuurd, waar ze prompt met maag- en darmproblemen af te rekenen kregen.

 

            Wat was er mis met Sète? In de kanalen die het stadje doorkruisten, werden de oesters “vet gemetst” die in het nabijgelegen bassin van Thau waren opgevist. Die kregen het gezelschap van elders geoogste oesters. Probleempje: de riolen van de stad Sète mondden uit in die kanalen. Maar die “bemesting” werd ook gezien als een verklaring voor het feit dat de oesters van Sète sinds het einde van de 19e eeuw spectaculair goed gedijden. Het groeiproces waar een oester uit de Atlantische oceaan drie jaar overdeed, klaarde een oester uit Sète in een jaar. Bij de oesters van Sète werd echter de Eberth-bacterie aangetroffen, vandaag salmonella typhi genoemd.

 

            De verdedigers van de oesters van Sète spraken over spijtig toeval en dat er in het stadje, waar heel veel oesters werden gegeten, niet meer gevallen van buiktyfus waren dan elders. Maar dat bleek niet te kloppen: de ziektegevallen lagen vijf keer hoger. De bewoners hadden bovendien een bepaalde immuniteit verworven, die al van in de kindertijd werd opgebouwd. Buitenstaanders waren echter veel minder bestand tegen de ziekteverwekkers. Twee arbeiders van Schneider hadden hun oestermaaltijd met de dood bekocht.

 

            In 1907 konden de klachten over de oesters van Sète niet langer worden weggewuifd. Chantemesse die tien jaar eerder werd weggehoond, kreeg nu de uitnodiging om deel uit te maken van het comité dat de redding van de Franse oesterkweek moest verzekeren. Dat gezelschap werd voorgezeten door de bekende Parijse restaurateur Marguery en ook de baas van restaurant Prunier was van de partij.


 

Ondergang van de rode kruidenier

 [Scroll down for translating tool]

Peter Scholliers

 

 

Afbeelding met tekst, krant, Lettertype, document

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Voor Allen. Weekblad van de B.S.P., 13 april 1974, p.8 (Digitaal krantenarchief Aalst).

 

 

 

De Belgische coöperaties kwamen verzwakt uit de Tweede Wereldoorlog en kregen vanaf 1960 te maken met supermarkten naar Amerikaans model. Die scoorden met een functionele architectuur, locaties buiten de stadscentra, ruime keuze, voorverpakte producten, zelfbediening, discountprijzen, centrale kassa’s, schreeuwerige reclame en winkelkarretjes.

           

De socialistische coöperaties bleven niet bij de pakken zitten. Ze fuseerden onder de naam Coop, wat toeliet in te kopen voor alle winkels samen en dus lagere prijzen te bedingen, nationale reclame te maken en het aanbod uit te breiden. In de jaren 1960 opende Coop “discounts”: dat waren winkels met een kleine oppervlakte, weinig personeel, een beperkt maar doelgericht aanbod, scherpe prijzen, smalle winstmarges en lage algemene kosten. Dat scheen te lukken. Maar tegen het geweld van de supermarkten waren de Coop-winkels niet opgewassen.

 

            Daarom nam in februari 1970 de federatie van Coop-winkels een gerenommeerd Zwitserse privéconsultant in de arm voor advies. De analyse van dat bureau was grondig, scherp en onverbiddelijk: Coop had te veel kleine winkels met een fout aanbod, te laag arbeidsrendement, te hoge loonkost, ondermaatse zorg voor verse producten, krakkemikkige organisatie en te weinig mechanisering. Oplossingen leken logisch: aantrekkelijke winkels, dagelijks verse producten, uitbreiding van het aanbod, afname van de loonkost, marktonderzoek en efficiëntere behandeling van de waren. Vier ordewoorden: reorganisatie, rationalisatie, planning en rendement. Gedetailleerde tekeningen en berekeningen vergezelden het rapport.

 

            De kritiek op de filosofie van de Coop-winkels kwam hard aan. Het rapport schreef: “De basisfilosofie van de coöperaties is thans voorbijgestreefd”. Willen ze blijven bestaan dan moeten de coöperatieve winkels onverwijld alle aspecten van de moderne kleinhandel toepassen en radicaal elke verwijzing naar de politiek laten vallen. Een nieuwe naam was daarom wenselijk.

 

            De leiding van de Coop-winkels nam het advies van de privéconsultant ernstig en bouwde een tiental supermarkten die sterk leken op Delhaizes of GB-winkels. De naam Coop bleef echter behouden. De concurrentie met die supermarkten werd erg bemoeilijkt door het gebrek aan kapitaal, de strubbelingen binnen de directie, vastgeroeste opvattingen, de aftandse winkels en het oudere cliënteel van de coöperaties. De Coop-winkels nieuwe stijl deden het niet slecht, maar ze konden niet beletten dat het marktaandeel van de hele keten snel daalde. Cijfers voor de verkoop van voedingswaren logen niet: in 1966 verkochten alle Belgische coöperatieve winkels nog 4,2 procent van de voedingswaren, in 1970 was dat 3,4 en in 1975 een povere 1,9 procent.

 

De ene na de andere Coop-winkel sloot. De linkse pers haalde uit naar de “harde en onverbiddelijke konkurrentiestrijd”, terwijl de rechtse pers zich verkneukelde in de teloorgang van de rode winkels. Intussen schreef de directie van de Coop-winkels ontslag- en aanbevelingsbrieven. De laatste Coop-winkel sloot de deuren in 1981, een eeuw na de oprichting van de coöperatieve bakkerij Vooruit in Gent.

 

 https://ertsberg.be/boek/vooruit-kameraden/

           

           

22 januari 2026

 

Femicide in de Brusselse kelnerwereld

 

Patricia Van den Eeckhout

 

[SCROLL DOWN FOR TRANSLATING TOOL]

 

In de nacht van 27 op 28 januari 1913 stapte garçon de café Felix-Lambert Van Daelem naar het café-hotel Werts in de Brusselse gemeente Sint-Gillis. Toen hij in de Jamarlaan (in de buurt van het Zuidstation) aankwam, was het 1u30 in de ochtend. Alle klanten hadden het café verlaten. De eigenares van het etablissement genoot er samen met twee van haar serveersters van een kop bouillon. Van Daelem sprong het café binnen en schreeuwde: genoeg gegeten! Daarop vuurde hij verschillende revolverschoten af op een van de serveersters. Die overleed kort daarna aan haar verwondingen. Het slachtoffer was Emma De Muynck, zijn vroegere lief. De dader vluchtte weg en trok naar een café dat hij regelmatig met het slachtoffer had bezocht. Aan de cafébaas biechtte hij op wat hij zonet had gedaan. Hij was van plan zich de volgende dag aan te geven, maar een klant die zijn biecht had gehoord, verwittigde de politie. Van Daelem werd aangehouden.

 

Afbeelding met schets, buitenshuis, zwart-wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Het huis waar de misdaad werd gepleegd.

La Dernière heure, 11 november 1913 (BelgicaPress)

 

Het onderzoek naar de misdaad liep vertraging op omdat het moeilijk bleek de getuigenissen van garçons de café te verzamelen. De meesten waren enkel gekend met hun voornaam en hadden Brussel inmiddels verlaten. We vernemen waar en wanneer de dader geboren werd (hij was 24 jaar op het ogenblik van de feiten), maar voor het slachtoffer blijft die informatie achterwege.

 

Over de feiten als dusdanig bestond er weinig discussie, maar aanklager en verdediging waren het grondig oneens over de moraliteit van slachtoffer en dader. Vast stond dat ze elkaar in Brussel tijdens het carnaval van 1912 hadden ontmoet. De serveerster genoot kost en inwoon bij haar werkgeefster, maar van maart tot juni 1912 ging ze met Van Daelem samenwonen. Hij zou vervolgens de relatie hebben willen verbreken, wat op verzet stuitte van De Muynck die dacht dat ze zwanger was. Toen dat niet het geval bleek, zette ze zelf een punt achter de relatie, maar daarvan wilde de garçon de café niet weten. Die bestookte haar met brieven en dreigementen. Hij liet haar door een van zijn vrienden bespieden en verweet haar dat ze met andere mannen optrok. Aan haar werkgeefster had de dienster toevertrouwd dat de jaloerse garçon de café haar bedreigde: hij zou haar doden ofwel met vitriool (zwavelzuur) besproeien. Van Daelem had de serveuse opgezocht en een fles soda naar haar hoofd gegooid, waardoor hij een week gevangenisstraf opliep. Die veroordeling nam hij haar zeer kwalijk.

 

De advocaat van de beklaagde en de getuigen die hij opriep, schilderden Van Daelem af als een ijverige en spaarzame kelner, wiens gevoelens zwaar op de proef werden gesteld door het slachtoffer, dat als een zeer lichtzinnige vrouw werd geportretteerd. Een placeur, iemand die werkzoekend horecapersoneel aan een job hielp en zich daar goed liet voor betalen, maakte het proces van het slachtoffer. Zij zou zich de avances van verschillende mannen hebben laten welgevallen en hebben gezegd: als het spaargeld van Van Daelem op is, laat ik hem vallen. De openbare aanklager riposteerde: zelfs als dat zo was, kon hij op haar geen enkel recht doen gelden. Ze was noch zijn verloofde, noch zijn echtgenote.

 

Van Daelem werd tot twintig jaar dwangarbeid veroordeeld. Van voorbedachtheid zou geen sprake zijn. De jury stapte mee in de redenering van de verdediging dat hij zijn revolver die dag “toevallig” op zak had.

 

Kreeft voor de arbeidersklasse in Restaurant Vooruit

 

                                                                                    [Scroll down for translating tool]

 

Peter Scholliers

 

 

 

Afbeelding met tekst, krant, Lettertype, Krantenpapier

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Vooruit, 12 oktober 1913, p. 3 (Amsab.be)

 

 

 

Op zondag 12 oktober 1913 opende het “Restaurant Vooruit” in het magnifieke nieuwe gebouw van de socialistische coöperatie in de Sint-Pietersnieuwstraat. Er was plaats voor 400 mensen, het was ’s middags en ’s avonds open en had een afhaaldienst. Diezelfde dag publiceerde de krant Vooruit de spijskaart van het restaurant. Elke dag van de week veranderde het aanbod: varkensgebraad, schapenvlees, kalfsfricassee, worst, vis en rosbief à 60 centiemen. Er kon ook à la carte worden gegeten, wat duurder was. Mayonaise met kreeft kostte bijvoorbeeld 1,50 frank. Al vanaf de eerste weken draaide het restaurant goed, zeker toen ook de universiteitsstudenten het restaurant hadden ontdekt. Het succes ontlokte tegenstanders cynische commentaar, waarvan het katholieke weekblad De Trommel een voorbeeld gaf.

 

Afbeelding met tekst, papier, Lettertype, document

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: De Trommel, 1 mei 1914, p. 2.

 

 

“Restaurant Vooruit” was niet de pionier van de coöperatieve restaurants in België, want het Brusselse Volkshuis had al een goed draaiende salle de restaurant sinds 1903. Liet Vooruit zich de loef afsteken door de Maison du Peuple, terwijl de Gentse coöperatie op alle andere vlakken vooruitliep?

            Vooruit was niet aan haar proefstuk toe. Net als de coöperaties van Antwerpen, Brussel of Luik had Vooruit een café waar een koude hap bij een glas bier kon worden besteld. Na 1885 verkocht de coöperatie in tijdelijke buffetten eenvoudige spijs, zoals friet, paling in ‘t groen of mosselen. Na 1895 verruimde dat aanbod met “Bifstek met pommes-de-terre frites à 0,70; stoverij met aardappelen à 0,50; eieren à 0,10 en broodjes met hesp à 0,20 frank”.

Andere koek was het initiatief van de “moeders der volkskinderen” uit 1904, die zich inzetten voor de lotsverbetering van kinderen. Zij begonnen met koken en opdienen van een maaltijd ter gelegenheid van het Vrouwencongres in Gent in april 1904. “Die proef is opperbest gelukt en voorspelt een goed succes. Ieder was volkomen tevreden en de prijs is in elk bereik” schreef de Vooruit. De proef werd een maand later herhaald in de eetzaal van Ons Huis op de Vrijdagmarkt: “Men zal er smakelijke noenmalen kunnen krijgen aan 1 frank per hoofd. Kinderen half geld”. Het initiatief kreeg een naam: de Coöperatieve Keuken.

  

Deze was een pop-up keuken: advertenties in de Vooruit uit de jaren 1904-1910 meldden de opening tijdens karnaval, de Gentse kermis, een congres, een beroepsfeest en bijna alle feestdagen. Berichten uit 1911 en 1912 suggereerden dat de keuken elke zondag werkte: “In de Coöperatieve Keuken kan men ’s zondags smakelijke noenmalen bekomen met spoedige en nette bediening aan 1 frank. Een kom soep met brood aan 15 centiemen”.

Wie kookte en opdiende, hoe de keuken was georganiseerd en hoeveel klanten er kwamen, is niet geweten. Het aanbod verruimde. Naast de versche vis uit Oostende, mossels op zijn Blankenbergsch, koud vleesch, friet en een kom soep uit de eerste jaren, kwamen er biefstuk, stoverij, konijn en kalfshoofd bij. De prijzen waren billijk: “Noenmaal aan 1 frank, aan 1,25 frank en aan 1,50 frank, naar keus met een, twee of drie gerechten. Stoverij aan 50 centiem de portie”.

Of er een directe band was tussen de Coöperatieve Keuken en “Restaurant Vooruit” uit 1913 blijft duister, maar is zeker niet uit te sluiten.     

 

 

 

 

 

 

 

17 januari 2026



Scroll  down  for  a  translating  tool (doesn't work on cell phone, though)
 

  

HISTORISCH  ETEN  EN  KOKEN

 


 

Peter Scholliers, Brood. Een geschiedenis van bakkers en hun brood (Vrijdag/Pelckmans, 2021) 

Patricia Van den Eeckhout, Koks en kelners, 1750-1950 (Ertsberg, 2025)

Peter Scholliers, Vooruit, kameraden! De rode winkel van de belle époque (Ertsberg, 2025)

 

We schrijven allebei boeken en artikelen over winkelen, koken, eten en drinken in voorbije eeuwen. Maar we kunnen er niet alles in kwijt. Daarom bestaat deze blog. Hij verzamelt korte stukken over praktijken, personen, evoluties en technieken die opduiken in onze teksten. In stukjes van telkens ongeveer 500 woorden belichten we de wereld van kruideniers, bakkers, koks, coöperanten, kelners, klanten,  restauranteigenaars, winkeljuffrouwen, patissiers, horeca-syndicalisten, brooddragers, maîtres-d’hôtel, restaurant critici, eters en drinkers. En zelfs gifmengers en fraudeurs.

 Veel leesplezier.


Patricia Van den Eeckhout & Peter Scholliers 



 (1975)


                                                                                                                                                            (C) 2025