Posts tonen met het label Restaurants. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Restaurants. Alle posts tonen

09 juli 2026

 Wie heeft er zin in aartshertoginnenroereieren? 

Scroll down to the translating tool (and access 101 languages)

Patricia Van den Eeckhout


De taal van de gastronomie is het Frans en soms hebben anderstaligen daar genoeg van. Zo publiceerde M. Lunnebach in 1871 een boekje van 72 pagina’s waarin alle mogelijke culinaire uitdrukkingen en gerechten van een equivalent in het Duits werden voorzien. De hegemonie van het Frans in de keuken en op de spijskaart moest een halt worden toegeroepen. Lunnebach wou zijn moedertaal zuiveren van vreemde invloeden, maar vooral het Frans was hem een doorn in het oog.


 


Fragment uit M. Lunnebach, Anfang zur Reinigung unserer Muttersprache von allen fremden Brocken (1871) Google Books


In België was en is er niet enkel een taalstrijd op “papier”. De verhoudingen tussen Nederlandstaligen en Franstaligen hebben mee de Belgische geschiedenis van de laatste tweehonderd jaar vorm gegeven. Frans was niet enkel de voertaal van de gastronomie, maar werd ook geassocieerd met status. Het “Vlaams” leek niet thuis te horen in oorden van goede smaak en elegantie. Wie in hotels en restaurants werkte, kende doorgaans enkel de Franse benamingen van keukentermen en gerechten.

In 1969 publiceerde de Gentse filoloog en vertaler René Haeseryn een boekje getiteld A.B.N. in hotel en restaurant. A.B.N. staat voor “Algemeen Beschaafd Nederlands”, een uitdrukking die in onbruik is geraakt. Het was de bedoeling de dialectsprekende Vlamingen het standaard Nederlands bij te brengen, inclusief vakjargon uit bepaalde sectoren.

Vlaamse toeristische instanties publiceerden in 1978 een tegenhanger van de woordenlijst van Lunnebach, maar de toon was heel wat beminnelijker. Onder leiding van Freddy Seynaeve werd een brochure van 64 pagina’s uitgegeven, getiteld Smakelijk. 1500 keukentermen in het Nederlands. Voor een waslijst van gerechten werd een equivalent in het Nederlands  gepresenteerd. Het boekje werd naar restaurants in Vlaanderen en Brussel gestuurd, in de hoop dat het de spijskaarten zou inspireren.  

Het streven om alles mordicus in het Nederlands te benoemen, gaf af en toe aanleiding tot omslachtige, knullige of zelfs misleidende benamingen. Wat te denken bijvoorbeeld van de vertaling van het gerecht fondue blankenbergeoise? Dat werd: “Blankenbergse gegratineerde croquet”. Een fondue is geen kroket en een gegratineerde kroket moet wel heel krokant zijn uitgevallen. De crème à la vanille aux macarons werd vertaald als “vla met bitterkoekjes”. Maar een bitterkoekje is niet hetzelfde als een macaron.  

De oeufs brouillés archiduchesse werden in het Nederlands: aartshertoginnenroereieren.  Wie pigeon à la bonne femme bestelde, kreeg “duif naar huisvrouwentrant” geserveerd. De cabillaud à la boulangère bleek een “kabeljauw op bakkerinnentrant”. Dat zijn allemaal zeer omslachtige benamingen die, vertaald in het Nederlands, de consument even weinig informatie geven als hun Franse tegenhangers. 

In een aantal gevallen nodigt de Nederlandse vertaling niet echt uit om te eten. Een assiette niçoise die een “schotel zoals in Nice” wordt, spreekt niet tot de verbeelding. Met een crêpe pousse-café die een “flensje in koffiesaus” blijkt te zijn, zou ik mijn maaltijd niet willen eindigen. Ook de pomme meringuée die een “appel op schuim” wordt, sla ik liever over. Maar een enkele keer blijkt de Nederlandse vertaling meer informatie te bevatten dan het Franse origineel. Wat een crêpe Suzanne is, blijft een raadsel. In het Nederlands komt men echter te weten dat dit een “flensje met gesneden ananas” is. 



25 juni 2026

 Jong geleerd, is oud gedaan


Over 100 languages are accessible via the translating tool scroll down to the bottom of this page, or open the tool on your mobile


Patricia Van den Eeckhout 


In zijn gids How to enjoy Paris (1818) merkte de Engelsman Peter Hervé op dat kinderen hun ouders vergezelden bij een restaurantbezoek. Ook de Amerikaan John P. Durbin stelde in Observations in Europe (1846) vast dat kinderen van de partij waren. Als Angelsaksers verbaasden ze zich vooral over de aanwezigheid van vrouwen in deze publieke ruimten, maar kinderen meenemen op restaurant was voor hen evenmin evident. 

Was dit voor de Parijzenaars wel vanzelfsprekend? Er werd alleszins weinig ruchtbaarheid gegeven aan het feit dat kinderen in restaurants welkom waren of dat ze op een speciale behandeling mochten rekenen. Verschillende gidsen voor Parijs vermeldden in de jaren 1860/70 dat het restaurant Dîner du commerce een apart tarief had voor kinderen. Voor een avondmaaltijd betaalden de jonge restaurantbezoekers de helft van wat een volwassene moest neertellen. Geen enkel ander restaurant pakte daarmee uit. Als L’Illustration in 1903 stelt dat sommige familierestaurants een kinderportie aanbieden, dan geeft dit niet de indruk dat dit een doodnormale zaak was. 

 

K. Baedeker, Paris et la France du Nord (1867) (Google Books)


In België en Nederland was het niet de gewoonte kinderen mee te nemen naar een restaurant. Als een Nederlandse delegatie in 1950 verslag deed van haar bezoek aan de Verenigde Staten, dan stelde ze met enige verbazing vast dat restaurants er speciale kindermenu’s aanboden en kinderstoelen en kinderservies in huis hadden. Op die manier probeerden ze de sympathie van de ouders te winnen, merkte het verslag op. Al bij al kwam de delegatie niet zoveel kinderen in restaurants tegen, maar de uitbaters waren alleszins op hun komst voorbereid.

Met kindermenu’s werd in Nederland geadverteerd vanaf de late jaren 1950; in België pakten restaurants daar pas vanaf het begin van de jaren 1970 mee uit. De koopkracht was gestegen zodat een restaurantbezoek met het hele gezin haalbaar werd. Restaurant Albert’s Corner in de Nederlandse gemeente Heerlen pikte daar in 1966 op in met deze wervende boodschap: “Ga eens fijn buiten de deur eten. ‘s Middags of ’s avonds. Zaterdag of zondag. En neem uw kinderen mee. Dan zal blijken dat kinderen bij ons gewaardeerde gasten zijn. Uit een speciaal voor hen opgestelde menukaart kunnen ze kiezen uit alle mogelijke verrukkelijke kindergerechten!”.

De goede zorg voor jeugdige klanten was een troef waarmee restauranthouders en de toeristische sector konden scoren. Toen de toeristische dienst van de Belgische badstad Knokke in 1974 een brochure voorbereidde met de restaurants van de gemeente, werd aan de uitbaters aangeraden kindermenu’s te voorzien. Op die manier zouden ze “het imago van de badplaats als kinderparadijs” in de verf zetten. Niet alle uitbaters wisten echter hoe ze een restaurantbezoek voor kinderen aantrekkelijk konden maken. Wel was iedereen het erover eens dat ze in chique restaurants niet op hun plaats waren. Maar een kindermenu bedenken was ook niet eenvoudig. Een Nederlands onderzoek uit de jaren 1980 constateerde dat tienjarigen niet hoog opliepen met de speciale kindermenu’s. De voorspelbare kip met appelmoes en kroketten ging snel vervelen. 

Maar de kinderen zelf gingen soms ook op de zenuwen werken. In 1987 stelde de Nederlandse krant Het Parool een lijst op met 96 ergernissen. Op de derde plek van de meest ergerlijke dingen stond: schreeuwende kinderen in een restaurant. 


09 april 2026

 

Klopjacht op Brusselse restaurants

 

Peter Scholliers

 

 

Februari 1941. De Belgen zagen nog geen zwarte sneeuw maar leefden al 280 bezettingsdagen met rantsoenzegels, lange wachtrijen en stijgende prijzen. De collaborerende administratie had een prijzenstop ingesteld, maar kon de snelle groei van een zwart circuit niet beletten. Nochtans hield de Dienst voor Controle en Onderzoek de prijzen nauwgezet in het oog. Zijn agenten doken plotseling op in beruchte smokkelsteegjes, vielen beenhouwerijen binnen en controleerden de bolle tas van reizigers in de boerentram (de tram die het platteland en de stad verbond).

 

                  Begin februari ‘41 schakelde de Dienst een versnelling hoger, want de goederen verschoven almaar meer van de reguliere naar de zwarte markt. Die dwarsboomde de prijzenpolitiek en kon onhygiënisch zijn omdat het voedsel niet werd gecontroleerd. De Dienst wilde een sterk signaal geven dat een schok moest teweegbrengen: een razzia op Brusselse restaurants. Deze hadden de reputatie klanten te gerieven tegen erg hoge prijzen en zonder rantsoenzegels.

 

                  De actie werd grondig voorbereid. De directeur-generaal leidde de operatie, bijgestaan door een tiental districtshoofden. Op woensdag 19 februari, klokslag 12 uur, stuurden zij 400 agenten naar 120 goedbeklante restaurants in de buurt van de Beurs en het Noordstation.

 

 

Een zeldzame blik op de razzia van 19 februari 1941: agenten met de neus in de pannen en de boekhouding (Vooruit, 22 februari 1941, KBR, Belgicapress).

                 

De dag erna rapporteerde de pers over de actie. Een krant titelde “Een groote slag tegen den woekerhandel”, een andere “De hotelhouders zijn gewaarschuwd!”. Een uitgebreid verslag had het over zenuwachtig personeel, panikerende geranten, boekhouding die onvindbaar was, geheime ruimten vol etenswaren en wegsnellende klanten. Vooral luxerestaurants zaten in het vizier.

 

Twee dagen later had de pers het over een “verbazingwekkend succes”: 400.000 eieren, 30.000 kilo vlees, 10.000 kilo koffiebonen en 3.000 liter slaolie werden in beslag genomen. Hopen boekhoudkundige documenten werden opgeladen en een tiental arrestaties verricht. De actie legde een heus systeem bloot: de restauranthouders hadden werklozen in dienst die de markt verkenden, tussenpersonen om de waar te vervoeren en hulpjes om groenten, fruit, vlees of vis een eerste bewerking te geven. Het geconfisqueerde voedsel werd deels aan hulporganisaties geschonken, deels verkocht aan de officiële prijs.

                 

De gecontroleerde pers juichte de actie toe. Goed zo, schreef de Rexistische Le Pays Réel. Geef ons nu de namen van de restaurants en hun eigenaars! Maar het bleef stil. De krant haalde uit naar de machtigen en rijken, omdat er uiteindelijk slechts zes restaurants tijdelijk werden gesloten en maar vier restauranthouders werden veroordeeld. Op 120 gecontroleerde eethuizen was dat weinig.

 

De clandestiene pers zag het anders: de chique restaurants waren dé plek waar collaborateurs en nazi’s elkaar troffen en feestten (“ils s’empiffrent comme des cochons”, schreef een sluikblad), en dus genoten die plekken bescherming. De clandestiene pers had wellicht een punt. Toen in december 1941 een tweede razzia werd georganiseerd, bleken de Brusselse restauranthouders op voorhand getipt.  De actie was een fiasco. Wie had gelekt?

 

De Brusselse acties werden gevolgd door razzia’s op restaurants elders in het land, onder meer in Gent en Charleroi. Ook daar was het resultaat mager en bleek het vooral om propaganda te gaan: veel spektakel, maar weinig concrete gevolgen.