12 maart 2026

 

Vooruit’s vleeschwinkels de das omgedaan

 

Peter Scholliers

 

Op 15 juli 1887 vergaderde het bestuur van de socialistische coöperatie Vooruit. Eduard Anseele zat voor. Hij opperde een slagerij te beginnen. “Wanneer wij dat stout zouden aanvatten wij daar immens zaken zouden mede doen als wij een huis of zes tegelijk openen in de stad”. Iedereen enthousiast. Dat getuigde van de zeer grote ambities en durf van de jonge coöperatieve bakkerij die sinds 1883 kruidenierswinkels, apotheken, een kledingwinkel en steenkoolhandel had geopend. Een beenhouwerij kon er wel bij. Anseele’s voorstel bleef echter zonder gevolg.

 

Afbeelding met gebouw, buitenshuis, scène, tekst

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

De nieuwe beenhouwerij van Vooruit, Sint-Lievensstraat, Gent, 1923. Amsab-ISG.

 

            In maart 1888 kreeg Vooruit het aanbod Nieuw-Zeelands schapenvlees op grote schaal te verkopen. De coöperatie weigerde. Vooruit zou de lokale slagers niet willen schofferen, heette het. De echte reden was wellicht dat de nieuwe bakkerij alle aandacht opslorpte. Een andere winkel liet de kans niet voorbijgaan, wat de krant Vooruit deed foeteren tegen kapitalistische ondernemers. Het Brusselse Volkshuis opende wel een slagerij in dat jaar.

 

            Meer dan een kwarteeuw later begon Vooruit dan toch met een vleeschwinkel. Hij opende in januari 1915, vijf maanden na het uitbreken van de oorlog. Maar juist de moeilijke omstandigheden trokken Vooruit over de streep. Op 24 december 1914 vergaderde het bestuur van de coöperatie. Anseele —weeral hij— meende dat het moment geschikt was om een beenhouwerij te starten. De gunstige ligging naast het nieuwe Feestpaleis in de Sint-Pietersnieuwstraat zou nieuwe klanten lokken, maar bovendien zou de coöperatieve slagerij de prijsstijgingen en de speculatie temperen. De nieuwe beenhouwerij zou ook het restaurant van Vooruit bevoorraden. Niets dan voordelen. De omzet haalde 133.670 frank in enkele maanden, een peulschil op het totaal maar een hoopgevende start in een zeer lastige tijd.


            De beenhouwerij-charcuterie overleefde de oorlog. In juli 1919 adverteerde de Vooruit met “allereerste hoedanigheid Noord-Amerikaansch rundvleesch, rosbeaf, looze ribben, stoofkarbonade, vleeschschinkel etc”, naast de belofte nieuwe beenhouwerijen te openen. De omzet in het boekjaar 1919/20 was mooi: 2.803.000 frank. Het bestuur liep over van optimisme en opende nieuwe beenhouwerijen: twee in 1920, een in 1923 en twee in 1926. Beenhouwerij nummer 4 in de Sint-Lievensstraat (zie de afbeelding) werd hevig gepromoot. Naast “Eerste kwaliteit bevrozen rund, zal er ook te bekoomen zijn: fijn inlandsch varkensvlees, schapen- en kalfsvleesch, alsook al de lekkere charcuterieen van Vooruit”. En verder: “De S.M. Vooruit heeft haar doel bereikt, de invoering van het vervrozen rundsvlees verwezenlijkt en de bevolking verlost van de schraapzucht der boeren”. En uiteraard ging “de redelijkheid der prijzen de bewondering afdwingen”.

 

Afbeelding met tekst, krant, poster, illustratie

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bron: Vooruit, 16 oktober 1927, p. 5, Amsab-ISG.


            De grote schommelingen van de vleesprijs, de wankele koopkracht en de scherpere concurrentie tussen 1926 en 1939 maakten dat de vleesverkoop stokte. Al in 1927 boekten vier van de zes winkels “min-ontvangsten”, terwijl de economische crisis van de jaren ’30 op de koopkracht inhakte en de vleesconsumptie deed dalen. De Tweede Wereldoorlog en zijn lange nasleep zorgden voor enorme moeilijkheden, zoals te verwachten, maar vooral de komst van de supermarkt rond 1960 heeft Vooruits vleeschwinkel de das omgedaan.

 

Meer over de S.M. Vooruit: Vooruit kameraden! De rode winkel van de belle époque.

 

 

 De mooie liedjes eindigden in de kookpot

 

Patricia Van den Eeckhout

 

Wie in 2026 zoekt naar een gerecht waarin vinken worden verwerkt, komt meteen terecht bij de Belgische klassieker blinde vinken, ook gekend als loze vinken, vogels zonder kop of oiseau sans tête. Ondanks al die bloeddorstig klinkende namen heeft geen enkele vink voor dit gerecht het leven gelaten. Een blinde vink wordt bereid met gehakt dat in een dun laagje vlees is gewikkeld.

 

In de 18e eeuw sneuvelden er echter wel degelijk vinken voor de kookpot.  Zo deden de kloosterlingen van de Gentse Sint-Pietersabdij zich in de maanden oktober en november regelmatig te goed aan vinken. De paters waren geen armoezaaiers. Ze kochten behalve massa’s vis en oesters, ook heel wat kippen, poulardes, kapoenen (gecastreerde hanen), eenden, kalkoenen en snippen. Maar af en toe werden ook twee dozijn vinken aangeschaft.

 

Een vink was klein: voor een gemiddelde kip betaalde men per stuk 20 à 30 keer meer. De keukenrekeningen vertellen niet wat er precies mee werd aangevangen, maar dit recept voor een vinkenpastei kon de paters op ideeën brengen. Kaneel, suiker, krenten, pijnboompitten, gekonfijt fruit en wijn brachten het gerecht op smaak.

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, wit, document

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

N. Chomel, Huishoudelyk woordboek, vol. 2, 1743 (Google Books).

 

Ook andere (voor ons) minder evidente vogels, zoals lijsters, zwaluwen en leeuweriken, verschenen in de 18e eeuw op de kloostertafel. Leeuweriken waren duurder dan vinken, maar nog altijd merkelijk goedkoper dan een kip. De leeuwerik, vooral de jonge exemplaren, werd geroemd voor zijn stevig vlees en vlotte verteerbaarheid. Best gebraden serveren of verwerkt in een pastei.

 

Niet enkel kloosterlingen smulden in de 18e eeuw van zangvogels. De kok van de Belgische adellijke familie de Merode Westerloo zette in 1720 regelmatig lijsters op het menu. Hoe hij die vogels moest bereiden, kon hij nalezen in het kookboek van François Massialot Le cuisinier royal et bourgeois (1691), die de lijsters verwerkte in een soep, een paté, een ragout of ze gewoon aan het spit reeg.

 

Lijsters waren duurder dan vinken en leeuweriken, maar nog altijd merkelijk goedkoper dan een kip. Maar de kok van de familie de Merode Westerloo bestelde de lijsters allicht niet uit zuinigheidsoverwegingen. Toen op 12 november 1720 uitgebreider werd gedineerd dan gewoonlijk en er niet alleen runds- en kalfsvlees werd besteld, maar ook kippen, kapoenen, houtsnippen, patrijzen, eenden, hazelhoenen en truffels, werden ook acht lijsters aan het boodschappenlijstje toegevoegd. Blijkbaar vielen de lijsters op dit rijkelijke menu niet uit de toon.

 

In de 19e eeuw bleven Belgische en Nederlandse kookboeken onverstoord recepten publiceren voor de bereiding van leeuwerik, lijster, merel en vink. Maar in 1891 wilde de Nederlandse kooklerares Odilia Anna Corver (1844-1921) daar niet meer van weten. Zij verzorgde de zeventiende editie van het populaire kookboek Aaltje, de volmaakte en zuinige keukenmeid. Zij weigerde nog langer recepten te geven voor de bereiding van lijsters, leeuweriken en vinken. Het vangen en consumeren van zangvogels getuigde volgens Corver van een middeleeuwse barbaarsheid. Het was echt “vandalenwerk”. Deze “zeer nuttige en aardige diertjes” opeten, betaamde niet. “Degelijke, beschaafde mensen” lieten de zangvogels leven tot ze van hoge ouderdom stierven.

 

Ook kwartels consumeerde men volgens Corver beter niet, maar met het andere gevogelte had ze minder medelijden. Zij prees ze in tegendeel voor hun hoge voedingswaarde en lichte verteerbaarheid. Het slachten van gevogelte diende wel te gebeuren uit het zicht van kinderen. Kinderen die met genoegen spraken over kippen zonder kop die bleven rondlopen, zouden hun lieftalligheid voortijdig verliezen.