De krasse gifmenger
Patricia Van den Eeckhout
De Haagse gepensioneerde luitenant-generaal Carel August Gunkel was 84 jaar oud toen hij in 1859 terechtstond voor vergiftiging. De Nederlandse, Belgische, Franse, Engelse, Duitse en Oostenrijkse pers deden over de zaak uitgebreid verslag.
In januari 1859 had Gunkel mevrouw Louisa Esbra bezocht en een stuk leverworst van “twee palmen lang” (palm = 10 cm) meegebracht. Gunkel was getrouwd, maar hij stond “in nauwe betrekking” met de naaister Esbra, die hij geregeld geld toestopte. Dat was al zo’n elf jaar aan de gang, maar de bezoeken werden minder frequent en ook de giften werden minder genereus.
Portret van C.A. Gunkel door Jan Heppener
(Rijksmuseum)
Af en toe bracht Gunkel iets mee om te eten en dat deed hij ook in januari 1859. “Dit moet je nu eens proeven, die heb ik in een net winkeltje gehaald”, prees de oud-militair zijn geschenk. Zelf wou hij niet van de worst eten, want hij had die dag al Malaga gedronken, klonk het. Louisa Esbra at er een klein stukje van, maar haar broer hield zich niet in. De hond had ook zijn deel gekregen. De naaister van Esbra kreeg eveneens een stuk, waarvan ze haar kinderen liet meegenieten. Maar twee van haar dochters vonden de worst niet lekker. Dus at de naaister de rest op.
De hond werd ziek, zo ook de naaister en een van haar kinderen. Ze moesten braken en hadden diarree. De broer van Esbra was er echter veel erger aan toe. Toen hij een brandende dorst en slikproblemen kreeg, dachten de dokters aan vergiftiging. De man overleefde het niet. De lijkschouwing bevestigde de these van de vergiftiging: iemand had met rattenvergif zitten knoeien.
Een en ander zette Louisa Esbra aan het denken. Het was niet de eerste keer dat een geschenk van Gunkel gevolgd werd door ziekte. Zo had ze last gekregen van verlammingsverschijnselen, nadat ze een glas jenever met suiker had opgedronken dat Gunkel haar had gegeven. Een tijdje later was er nog iets eigenaardigs gebeurd. Terwijl ze een pot vermicellisoep opwarmde, had ze de kamer even verlaten. Vervolgens bleek de soep heel bitter te smaken. Esbra goot ze uit naast een boom in de buurt van haar woning. De hond die er vervolgens van at, zou gestorven zijn.
De kwieke ex-militair ging tot bekentenissen over. Hij zou het gedaan hebben om Louisa Esbra uit haar lijden te verlossen. Maar voor hij haar het kwalijke glas jenever uitschonk en ze verlammingsverschijnselen kreeg, mankeerde de vrouw niets. Dat Gunkel zijn minnares naar het leven stond, had een andere reden. Jaren geleden had hij voor de vrouw een loterijbriefje gekocht en daarmee had zij ruim 4.000 gulden gewonnen. Met het geld werden effecten gekocht, die op een bepaald moment bij de oude man in bewaring werden gegeven. Toen het pak waarin de effecten werden bewaard, werd opengemaakt, bleken er enkel drie blanco vellen schrijfpapier in te zitten. Gunkel had het geld opgesoupeerd.
De verdediging probeerde aan te tonen dat Gunkel op het moment van de feiten ontoerekeningsvatbaar was geweest. Dat lukte niet. De gifmenger werd veroordeeld tot de strop, maar omdat de koning hem gratie verleende, ontsnapte hij aan de dood. Hij keek aan tegen twintig jaar opsluiting, maar op 5 december 1859, enkele maanden na zijn veroordeling, zat zijn straf erop: Gunkel overleed in de gevangenis.