15 april 2026

Don’t try this at home

 

Patricia Van den Eeckhout

 

Gepluimd gevogelte wordt soms geflambeerd. Dit betekent dat resterende haartjes en oneffenheden met een stevige vlam worden verschroeid. Die operatie is niet zonder gevaar, zoals de twee volgende verhalen illustreren. 

 

In 1901 werkte Felix Emile Alexis als chef de cuisine in het Hôtel du Palais d’Orsay dat voor de Wereldtentoonstelling van 1900 was opgericht. De man was 35 jaar oud en afkomstig van een dorpje in de Ardèche, waar hij als oudste zoon van een onderwijzer werd geboren. Hij werd kok en trok in 1888 naar Parijs.  

 

Alexis had een diepe schaal gevuld met alcohol. Die werd in brand gestoken en het gevogelte werd boven de vlammen gehouden. Toen het vuur begon te minderen, nam Alexis een bus alcohol om bij te vullen. Toen ging het mis. Het vuur in de schaal bleek nog niet helemaal gedoofd en sloeg over op de bus met alcohol. Een ontploffing volgde. Twee koks snelden toe en dompelden de bewusteloze chef onder in een bak koud water. De chef en zijn twee helpers werden naar het ziekenhuis gebracht. De hulpkoks, twee twintigers, waren vooral verbrand aan de borstkas en de handen, terwijl bij de chef vooral de benen zwaar waren toegetakeld. Op 17 december 1901 overleed chef de cuisine Felix Emile Alexis aan zijn verwondingen.

 

In een restaurant in de Franse gemeente Challes was maître d’hôtel Lebreton op 14 augustus 1909 alles in gereedheid aan het brengen voor een huwelijksfeest. In de keuken schroeide kok Georges Roncin de overgebleven haartjes van het gevogelte weg. Hij gebruikte daarvoor een rechaud op alcohol.

 

Toen Roncin vaststelde dat de vlam minder krachtig werd, vulde hij de alcohol aan zonder de rechaud uit te schakelen. De vlam sloeg over op de bus met alcohol, die ontplofte en naar de eetzaal werd gekatapulteerd. Daar was het driejarige kind van de maître d’hôtel aan het spelen. Het jongetje kreeg de vuurzee over zich heen en werd zwaar verbrand in het gezicht. De vader van het kind probeerde de vlammen te doven met een vest, maar het kind was niet meer te redden. De kok liep zware brandwonden op aan de benen.

 

De maître d’hôtel liet zich hierdoor niet uit het lood slaan. Hij zette de voorbereidingen voor het huwelijksfeest verder en ontving de gasten op het afgesproken uur. Dat maakte indruk op de kranten, die hem als een held portretteerden: zijn zoon werd levend verbrand, zijn kok was er erg aan toe, zelf was hij verbrand aan de handen, maar toch ging het huwelijksfeest door.

 

Afbeelding met tekst, Lettertype, wit, zwart-wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

La Petite république, 17 augustus 1909 (gallica.bnf.fr / Bibliothèque nationale de France)

 

Ook de Belgische krant Journal de Charleroi deelde die bewondering. Zij vergeleek de maître d’hôtel met François Vatel. Die moest in 1671 een groots feest organiseren voor Lodewijk XIV. Toen een grote bestelling van vis niet tijdig toekwam, gooide Vatel zich op zijn zwaard. Hij werd het symbool van de Franse culinaire excellentie: in het streven naar perfectie was geen enkel offer te groot.

 

 

Een syndicaal haar in de soep

 

Peter Scholliers

 

 

De refter van de Koninklijk Munt van België, waar de bankbiljetten werden gedrukt, serveerde elke middag soep aan zijn personeel. Op dinsdag 6 mei 1952, iets voor de middag, belde Vervaete, een drukker die ook verantwoordelijk was voor de refter van de Munt, naar de onderdirecteur van de instelling. De soep rook naar zeep! De baas van de kantine, Schuyten, raadde zelfs af de soep te eten.

 

Vervaete legde daarop de hoorn neer en doorkruiste het hele gebouw om iedereen te verwittigen dat de soep alweer slecht was. Onmiddellijk holde de onderdirecteur naar de refter, trof er eters aan die de soep weigerden, proefde ze en vond ze goed. Hij vroeg de kok naar de refter te komen om haar mening te geven. Dat deed ze met luide stem: ze proefde de soep en verkondigde dat ze, als altijd, uitstekend was. Ze rook gewoon naar verse kervel, een geur die elke huisvrouw zou herkennen. De refterbezoekers waren gerustgesteld en aten de soep op. Maar hiermee was de kous niet af.

           

De onderdirecteur meldde het voorval aan zijn directeur, die het nodig vond de grote baas van de Munt op de hoogte te brengen. De directeur wist dat het niet de eerste keer was dat Vervaete en Schuyten de soep bekritiseerden. Eerder hadden ze een probleem met rundsvet in de soep, hoewel dat product niet werd gebruikt. Ook nu was er volgens de directeur met de soep niets aan de hand. Dezelfde soep werd geserveerd in de andere refters van het ministerie van Financiën en daar had niemand geklaagd. De directeur besloot: Vervaete en Schuyten waren onbekwaam de refter te beheren.

           

De grote baas van de Munt meende dat de affaire rond de soep het conflict tussen de twee grote syndicaten blootlegde. Vervaete en Schuyten vertegenwoordigden het socialistische Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV). Ze hadden het regelmatig aan de stok met collega’s die aangesloten waren bij het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV). Al in februari was ABVV-er Vervaete er door ACV-ers van beschuldigd bij de uitdeling van de soep “naar willekeur drukking uit te oefenen op de mensen die zich niet tot hun kleur bekennen”. Kreeg een socialistisch gezind personeelslid meer soep dan wie sympathie had voor de christelijke concurrent?

 

Volgens de grote baas was hier sinds enkele weken een bittere, persoonlijke strijd aan de gang. Vervaete en Schuyten probeerden de soep te gebruiken om hun socialistisch syndicaat te laten scoren. Ze hadden het recht de soep slecht te vinden, meende de chef, maar als medeverantwoordelijken voor de refter moesten ze hun commentaar voor zich houden. Vervaete en Schuyten mochten zich niet langer met de refter inlaten. De ACV-ers hadden hun slag thuisgehaald.

 

Wat had Vervaete en Schuyten bezield? Waren ze er echt van overtuigd dat ze via hun campagne tegen de soep sympathie konden winnen voor de socialistische vakbond? Maakte de christelijke vakbond van het voorval gebruik om hen te dwarsbomen? Nog merkwaardiger is het belang dat de onderdirecteur en de directeur van de Munt aan de hele kwestie hechtten. De instelling die ’s lands bankbiljetten drukte, was even in de ban van soep. Maar die soep was wel een van de weinige zaken die men in de refter van de Koninklijke Munt ’s middags kon krijgen. Als er daar onenigheid over bestond, kwamen de goede verhoudingen op de werkvloer misschien wel in gevaar.

 

 

Protest van het Christelijk Syndicaat tegen de

socialistische verantwoordelijke voor de maaltijden

(Algemeen rijksarchief, FOD Financiën, Dienst Logistiek, nr. 254).