23 april 2026

 “Mogen de kleuters ijs eten?”


Patricia Van den Eeckhout 


Dat was de vraag die De Telegraaf in de zomer van 1921 stelde naar aanleiding van het ijsroomdrama in Meppel, een stad in de Nederlandse provincie Drenthe. Na het eten van roomijs op een warme zomerdag werden zo’n 250 mensen ziek en stierven er zes kinderen. Alle betrokkenen hadden last van braken en diarree, sommigen hadden koorts. De gebeurtenissen in Meppel werden internationaal opgepikt, vaak met redelijk wat overdrijving, zoals in onderstaand bericht te zien is.


 


New Zealand Times, 14 juli 1921 (paperspast.natlib.givt.nz)


Opvallend is dat nogal wat Nederlandse kranten het in hun verslaggeving over “roomijs” hadden, met aanhalingstekens, om duidelijk te maken dat er van room geen sprake was. Men kon ijs maken zonder room of eieren door gebruik te maken van ijspoeder. Vanaf het begin van de 20e eeuw werd dit product in de Nederlandse kranten aangeprezen. Met het ijspoeder, dat uit een mengeling van meel en suiker bestond, konden handelaars en huisvrouwen vlug en goedkoop ijs maken, zo beloofden de advertenties. Het poeder smaakte doorgaans naar vanille en moest met melk worden gekookt.  

Ook de venter die de dodelijke ijswafels had verkocht, was zo te werk gegaan. Sommige dagbladen benadrukten dat zijn woning nogal krap was. Enkele jaren later stelde een krant dat het bereiden van en het leuren met consumptie-ijs doorgaans werd beoefend door “de armste onder de armen”. De hygiëne liet geregeld te wensen over. Zo was men bijvoorbeeld gestoten op een venter die zijn ijsmengsel kookte in de pan die hij gebruikte om slachtafval voor zijn honden te bereiden. Een huisschilder bleek zijn werkplunje te wassen in de ketel die ook voor de ijsbereiding diende. Bij de venter uit Meppel werden dergelijke wantoestanden echter niet aangetroffen.

Omdat de ijscoman goede zaken had gedaan, was er van de kwalijke ijsbereiding niets overgebleven. Met het resterende ijspoeder en andere melk werd een nieuw ijsmengsel gemaakt. Daar was niets op aan te merken: “proefdieren aten den room met bijzonderen smaak en bleven volkomen gezond”. 

Maar hoe zat het met de melk waarmee het eerste ijsmengsel werd vervaardigd? De ijsventer benadrukte dat hij verse melk had gebruikt. Was ze misschien al van bij de boer besmet geweest? Werd de melk met water verdund? Of waren de kannen waarin de melk werd geleverd vervuild? Soms werden die uitgespoeld met water van een sloot in plaats van met leidingwater. Maar om een smeuïg ijsmengsel te maken, diende de melk tot aan het kookpunt gebracht. Dat zou eventuele bacteriën moeten vernietigd hebben. 

Het onderzoek van de slachtoffers bracht niet meteen antwoorden, maar uiteindelijk werd de bacillus enteritis Gaertner als de boosdoener aangewezen. Vandaag spreken we over salmonella. Hoe de bacterie in de ijsbereiding terechtkwam, werd nooit opgehelderd. Dat de zomerse warmte er voor iets tussen zat, is discutabel. Een van de gezinsleden van de ijscoman had van de bereiding geproefd nadat ze pas gemaakt was. Ook die persoon lag ziek te bed.  

Als gevolg van het voorval nam de argwaan ten aanzien van ijs dat op die manier werd aangeboden sterk toe. Er werd gewaarschuwd tegen venters die langs de weg of op kermissen ijs verkochten. Sommigen wilden de straatverkoop van niet-verpakte artikelen zelfs helemaal verbieden. In 1929 werd in Nederland een besluit uitgevaardigd dat de bereiding en verkoop van consumptie-ijs regelde.


Stakers en ratten bij Vooruit in mei 1918


Peter Scholliers


Voor 1914 betaalde de socialistische Samenwerkende Maatschappij Vooruit haar bakkers de hoogste lonen van Gent, ze streefde naar de achturendag, ze overlegde over de werkomstandigheden, ze vergoedde nacht- en zondagwerk en ze promootte het lidmaatschap van de ziekenkas. Soms waren de verhoudingen tussen het bestuur van Vooruit en de bakkers wat gespannen, zeker wanneer de leden klaagden over slecht brood. Maar doorgaans stond werken bij Vooruit voor opperbeste werkomstandigheden.

Er was dan ook grote consternatie toen in 1918 een staking uitbrak in de bakkerij van Vooruit. De Algemene vergadering van de coöperatie had in april het werkreglement van de bakkers gewijzigd. Voortaan zou elke bakker per uur 70 broden van 1 kilo moeten bakken voor een uurloon van 1,08 fr. Normaal gezien moesten voor dat tarief slechts 68 broden worden gemaakt. Toen overleg werd geweigerd, gingen de bakkers op maandag 13 mei in staking.



Vooruit, 1 juni 1918, p. 2 (Amsab.be)


Het bestuur schoot onmiddellijk in actie. Het zette weliswaar de deur open voor onderhandelingen, maar liet intussen “enkele leden en partijgenooten het werk der stakende bakkers doen”. Vooruit produceerde dus gewoon door met deze “niet-bakkers”, zoals het bestuur deze mannen noemde. Het overleg met de bakkers leverde niets op, zelfs niet na een bijeenkomst met grote baas Eduard Anseele.

Het conflict bleef niet onopgemerkt. De Nieuwe Gentsche Courant en De Morgenbode hadden het over een “onrechtstreeksen aanslag op het loon van de bakkers”, over “ratten en onderkruipers” die Vooruit had geronseld en over een “zweetstelsel dat kapitalisten hebben uitgevonden”. Vooruit in alle staten. Van 28 mei tot 19 juni publiceerde de Vooruit uitgebreide artikelen om het beleid te verantwoorden en de stakende bakkers van alles en nog wat te verwijten. Het zou gaan om “buitenlieden, anti-socialisten die vijandig optraden tegen de gansche partij, tegen de duizenden leeden en hunne familiën, die ze poogden te treffen in hunne voeding te midden van den oorlog” (Vooruit, 12 juni 1918).

De staking duurde twee weken. In de loop van de tweede week klopten enkele stakers bedeesd op de fabriekspoort en op 24 mei 1918 was de staking voorbij. Elke bakker zou per uur 75 broden bakken à 1,04 frank. Dat was 4 procent minder loon en 7 procent meer broden dan het voorstel van de Algemene vergadering. Staken loont niet, besloot de Vooruit. Na de staking werkten er 31 bakkers, wat vijf minder was dan voordien. Werden de “leiders” geweerd? 23 stakers gingen terug aan het werk, terwijl er acht “niet- bakkers” in dienst bleven.

Vooruit meende dat ze niet anders kon dan het tarief te verlagen en hogere productie te eisen: de mindere kwaliteit van het oorlogsmeel verplichtte haar daartoe. Al bij al handelde de socialistische coöperatie zoals andere ondernemers dat deden voor de oorlog: tarief verlagen, productie verhogen en personeel (deels) vervangen.


*


Verslagen van het Bestuur van Vooruit, 23 maart 1918 – 10 december 1921: https://opac.amsab.be/Record/120050628 (Amsab-ISG, Gent).