Ondergang van de rode kruidenier
[Scroll down for translating tool]
Peter Scholliers
Bron: Voor Allen. Weekblad van de B.S.P., 13 april 1974, p.8 (Digitaal krantenarchief Aalst).
De Belgische coöperaties kwamen verzwakt uit de Tweede Wereldoorlog en kregen vanaf 1960 te maken met supermarkten naar Amerikaans model. Die scoorden met een functionele architectuur, locaties buiten de stadscentra, ruime keuze, voorverpakte producten, zelfbediening, discountprijzen, centrale kassa’s, schreeuwerige reclame en winkelkarretjes.
De socialistische coöperaties bleven niet bij de pakken zitten. Ze fuseerden onder de naam Coop, wat toeliet in te kopen voor alle winkels samen en dus lagere prijzen te bedingen, nationale reclame te maken en het aanbod uit te breiden. In de jaren 1960 opende Coop “discounts”: dat waren winkels met een kleine oppervlakte, weinig personeel, een beperkt maar doelgericht aanbod, scherpe prijzen, smalle winstmarges en lage algemene kosten. Dat scheen te lukken. Maar tegen het geweld van de supermarkten waren de Coop-winkels niet opgewassen.
Daarom nam in februari 1970 de federatie van Coop-winkels een gerenommeerd Zwitserse privéconsultant in de arm voor advies. De analyse van dat bureau was grondig, scherp en onverbiddelijk: Coop had te veel kleine winkels met een fout aanbod, te laag arbeidsrendement, te hoge loonkost, ondermaatse zorg voor verse producten, krakkemikkige organisatie en te weinig mechanisering. Oplossingen leken logisch: aantrekkelijke winkels, dagelijks verse producten, uitbreiding van het aanbod, afname van de loonkost, marktonderzoek en efficiëntere behandeling van de waren. Vier ordewoorden: reorganisatie, rationalisatie, planning en rendement. Gedetailleerde tekeningen en berekeningen vergezelden het rapport.
De kritiek op de filosofie van de Coop-winkels kwam hard aan. Het rapport schreef: “De basisfilosofie van de coöperaties is thans voorbijgestreefd”. Willen ze blijven bestaan dan moeten de coöperatieve winkels onverwijld alle aspecten van de moderne kleinhandel toepassen en radicaal elke verwijzing naar de politiek laten vallen. Een nieuwe naam was daarom wenselijk.
De leiding van de Coop-winkels nam het advies van de privéconsultant ernstig en bouwde een tiental supermarkten die sterk leken op Delhaizes of GB-winkels. De naam Coop bleef echter behouden. De concurrentie met die supermarkten werd erg bemoeilijkt door het gebrek aan kapitaal, de strubbelingen binnen de directie, vastgeroeste opvattingen, de aftandse winkels en het oudere cliënteel van de coöperaties. De Coop-winkels nieuwe stijl deden het niet slecht, maar ze konden niet beletten dat het marktaandeel van de hele keten snel daalde. Cijfers voor de verkoop van voedingswaren logen niet: in 1966 verkochten alle Belgische coöperatieve winkels nog 4,2 procent van de voedingswaren, in 1970 was dat 3,4 en in 1975 een povere 1,9 procent.
De ene na de andere Coop-winkel sloot. De linkse pers haalde uit naar de “harde en onverbiddelijke konkurrentiestrijd”, terwijl de rechtse pers zich verkneukelde in de teloorgang van de rode winkels. Intussen schreef de directie van de Coop-winkels ontslag- en aanbevelingsbrieven. De laatste Coop-winkel sloot de deuren in 1981, een eeuw na de oprichting van de coöperatieve bakkerij Vooruit in Gent.
https://ertsberg.be/boek/vooruit-kameraden/
Geen opmerkingen:
Een reactie posten