Corned beef, extra kwaliteit
Patricia Van den Eeckhout
“Sedert eenige jaren komen uit Amerika konserven van ossenvleesch, welke in blikken doozen, onder den naam van corned beef verkocht worden”, wist de Standaerd van Vlaenderen in 1880. In Nederland werd corned beef ook bussenvleesch genoemd. Heel Europa deed zich aan de Amerikaanse vleesconserven te goed. Maar in 1900 kondigde Duitsland een verbod op de invoer van Büchsenfleisch af. Het land wou komaf maken met de Amerikaanse dominantie op die markt en bovendien doken er regelmatig verhalen op over onhygiënische toestanden in de Amerikaanse vleesverwerkende nijverheid. Een telg van een vooraanstaande familie uit Hamburg zag zijn kans: Walther Bintz richtte zijn eigen fabriek van corned beef op in Oldesloe.
Deutscher Reichsanzeiger, 3 november 1903 (Deutsches Zeitungsportal)
Bintz liet Amerikaans vee in Canada slachten en bracht het vlees in gepekelde vorm naar Oldesloe, waar het tot corned beef werd verwerkt. Hij maakte veel reclame en rijfde bestellingen van het leger en de marine binnen. In 1903 kreeg Bintz een prijs omdat hij zich als eerste “op Amerikaanse wijze” met vleesconserven bezighield. Dat was allicht bedoeld als compliment, maar er deden geruchten de ronde dat Bintz ook minder stichtende Amerikaanse voorbeelden volgde. Zijn bedrijf zou minderwaardig vlees tot corned beef verwerken.
In februari 1906 publiceerde de Amerikaanse journalist Upton Sinclair het spraakmakende boek The jungle. Zowel de abominabele werkomstandigheden als de hygiënische wantoestanden in de vleesverwerkende bedrijven van Chicago kwamen er uitgebreid in aan bod. Het werk had de vorm van een roman, maar er bestond weinig twijfel over dat de wereld die Sinclair beschreef geen fictie was. Het boek werd op korte tijd wereldbekend.
In de lente van datzelfde jaar moesten verschillende verantwoordelijken van de firma Bintz voor de rechter komen omdat er sprake zou zijn van wanpraktijken in de vleesfabriek. De zaakvoerder verzekerde de rechter dat er in alle lokalen borden hingen die het personeel aanmaanden ondeugdelijk vlees te signaleren. Alle betrokkenen werden vrijgesproken. Toch zou Bintz nog voor het einde van het jaar ten onder gaan. Niet de sanitaire wantoestanden, maar financiële fraude deden hem de das om.
Bintz was opzoek geweest naar kapitaal en hij had in de Hamburgse handelswereld ook geïnteresseerden gevonden. Toen een onder hen de fabriek wilde bezoeken, werd een regelrecht toneelstuk opgevoerd. Bintz investeerde voor één keer in vers en deugdelijk vlees. Toen de potentiële geldschieter een lokaal betrad, zag hij net geklede arbeiders die druk in de weer waren. Telkens als hij naar een ander lokaal stapte, moesten de arbeiders ervoor zorgen hem voor te zijn, opdat de zakenman ook daar een drukke bedrijvigheid zou aantreffen. Opgestapelde blikken en kisten moesten de indruk van ruime voorraden wekken, maar waren leeg. De list werkte: de investeerder kwam met een grote som geld over de brug. In november 1906 bleek dat Bintz met het geld naar Canada was gevlucht.
Toen de gerechtelijke autoriteiten de vleesfabriek bezochten, troffen ze wagonladingen bedorven vlees aan. “Chicago in Duitsland” titelde een krant. “Amerikaansche toestanden”, schreef een andere. In 1910 werd Bintz in de buurt van Berlijn aangehouden. Hij bleek al sedert 1908 terug in het land te zijn en alweer een vleesfabriek uit te baten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten