21 mei 2026

Hongerkunstenaar 


Patricia Van den Eeckhout


Op 9 april 1926 werd Reinhold Illmer door de politie van Leipzig gearresteerd. Op dat moment bevond hij zich in een glazen kooi. Onder de artiestennaam Harry Nelson probeerde hij een record te breken: hij wou niet minder dan 45 dagen zonder eten blijven. Daarmee probeerde hij beter te doen dan een zekere Jolly die kort tevoren in Berlijn “wereldkampioen” was geworden door 44 dagen niet te eten. Jolly had met zijn exploot een Italiaan verslagen die 43 dagen niet had gegeten. In de pers werden deze showfiguren “hongerkunstenaar” genoemd. Heel wat mannen en een enkele vrouw probeerden het als hongerkunstenaar te maken en daarmee geld te verdienen.


 

“Nog een hongerkunstenaar”, titelde de Belgische krant De Schelde op 26 februari 1926 (BelgicaPress), toen Jolly aan zijn recordpoging bezig was en een concurrent op het toneel verscheen. Toen moest Harry Nelson nog aan zijn recordpoging beginnen.


Op 9 maart had Illmer, alias Harry Nelson, zich in een glazen kooi laten opsluiten in het gezelschap van 1000 sigaretten en vele flessen spuitwater. Hij zou gedurende 45 dagen niets anders consumeren. Heel wat mensen bleken bereid om hem in zijn glazen kooi te bewonderen à rato van 50 pfennig per persoon. Op die manier hadden Nelson en zijn manager al 37.000 mark opgehaald. Als alle kosten in rekening werden gebracht, zou er nog zo’n 11.000 mark overblijven. 

Maar na 32 dagen hongerlijden kwam er een einde aan het exploot. Een anonieme brief beschuldigde Nelson van bedrog. De politie onderzocht de zaak. Nelson, zijn manager (een handelaar uit Berlijn) en een bewaker bleken onder een hoedje te spelen. De uitdager consumeerde veel meer dan sigaretten en spuitwater. Via een rubberen slang kon hij zich tegoed doen aan kippenbouillon die met eieren was verrijkt. De bouillon werd bereid door een oude dame die verder nergens van wist. ‘s Avonds haalde de manager de flessen bouillon op. Daarnaast nam Nelson Biomalz, een moutsiroop die als krachtvoeding diende. Een fles Pepsinwein (een soort maagmiddel op basis van alcohol) en suikerbonbons vervolledigden zijn “illegale” voorraad. De opgestapelde flessen spuitwater beletten dat het publiek de extra’s zag liggen. Ook bleken sommige dozen gevuld met bonbons in plaats van met sigaretten. 

Harry Nelson werd naar een ziekenhuis gebracht en zijn manager werd aangehouden. In juli van datzelfde jaar moest het drietal voor de rechter komen. De manager probeerde zich eruit te praten door te benadrukken dat Nelson beloofde zich te onthouden van vaste voeding. Bouillon, moutsiroop en “medicinale” wijn konden dus perfect. Het mocht niet baten. De manager kreeg vier maanden cel en 400 mark boete, Nelson moest 2,5 maand naar de gevangenis en de bewaker kwam ervan af met een week. 

De belangstelling voor de kunst van de uithongering ebde na het “topjaar” 1926 vrij snel weg. In het digitale krantenarchief zeit.punktNRW wordt het woord “Hungerkünstler” in 1926 meer dan 2.500 keer vermeld; tien jaar later amper 150 keer.

Op 10 april 1930 stapte Reinhold Illmer in Bremen op een boot die hem naar New York zou brengen. Als beroep gaf hij op: artiest.



 Een tweede keuken in het paleis


Peter Scholliers



 

Het koninklijk paleis in Brussel, jaren 1870.

Illustration Européenne, 13 februari 1875, p. 1 (Belgicaperiodicals)


In 1860 was de zeventigjarige Leopold I een vermoeide man die leed aan jicht en galstenen. Hij had weinig belangstelling voor galadiners, recepties, bals of luncheons. Zijn zoon, toen 25 jaar, betreurde dat omdat hij het belang van eten en drinken bij diplomatieke betrekkingen hoog inschatte. Daarom bemoeide hij zich almaar meer met het dagelijks leven aan het hof.

Samen met de grootmaarschalk en de chef de cuisine, boog de jonge Leopold zich over de organisatie van de keuken. Een nieuw reglement zag het licht in januari 1860. Het voorzag onder meer een striktere controle door de hoofdkok verantwoordelijk te maken voor de aankoop van het voedsel. Deed hij dat oordeelkundig, dan werd hij daarvoor financieel beloond.

Maar de jonge Leopold ambieerde meer. Begin oktober 1865 vroeg hij Edouard Oehm, de chef de cuisine van het paleis, te berekenen wat een tweede ploeg keukenpersoneel zou kosten. Leopold wou deze ploeg inzetten bij galadiners en zo zijn vader omzeilen. Dat zou jaarlijks 47.400 frank kosten, schreef Oehm, wat een gigantisch bedrag was. Een tweede ploeg leek hem dus onverantwoord. Hij besloot: “Op een dag zal Monseigneur kunnen veranderen wat hij wil en verbeteringen invoeren waaraan ik ten volle zal meewerken. Dan zullen ze gepast zijn”. Maar nog dezelfde dag schreef de chef de cuisine een tweede brief die een andere toon aansloeg: “Ik wens mijn eerdere mening te herzien en uw visie te aanvaarden”. 

Van een tweede keukenploeg kwam niets in huis. Twee maanden later, op 10 december 1865, overleed Leopold I. Nog enkele maanden later deed Leopold II wat Oehm had voorspeld: hij ontvouwde zijn plannen voor de herinrichting van de keuken en de grondige renovatie van de ontvangstruimten van het paleis van Brussel. De werken zouden tot het midden van de jaren 1870 duren.

De Marmerenzaal, de Spiegelzaal, de Troonzaal en de Grote Galerij kregen een radicale opknapbeurt die hen tot bijzonder geschikte en indrukwekkende ontvangstruimten maakten. De ene was gepast voor een kleine receptie, de andere voor de ontvangst van alle parlementsleden van het land en nog een andere voor een galadiner met meer dan honderd gasten. L’Indépendance belge, een Brussels dagblad, was enthousiast over de vier zalen die met elkaar in verbinding stonden, wat toeliet grote gezelschappen te ontvangen.

Bijzonder was dat een grote, moderne keuken pal onder de Troonzaal werd geïnstalleerd. Via trappen en liften konden gerechten van de keuken snel naar de ontvangstruimten worden gebracht. Dat was van belang, want precies in die periode —de jaren 1870— verving de service à la russe de oude service à la française: gerechten werden niet alle tegelijkertijd op tafel geplaatst in een magnifieke ordening, maar verschenen na elkaar en moesten warm zijn. De keuken en de zalen waren op tijd klaar om het diplomatieke offensief van Leopold II in de jaren 1870 ten volle culinair te schragen. 




 

Galadiner in de Marmerenzaal, 1906.

Postkaartcollectie van Belfius, https://tresorsdelacademie.be/fr/cartes-postales)