15 april 2026

 

Een syndicaal haar in de soep

 

Peter Scholliers

 

 

De refter van de Koninklijk Munt van België, waar de bankbiljetten werden gedrukt, serveerde elke middag soep aan zijn personeel. Op dinsdag 6 mei 1952, iets voor de middag, belde Vervaete, een drukker die ook verantwoordelijk was voor de refter van de Munt, naar de onderdirecteur van de instelling. De soep rook naar zeep! De baas van de kantine, Schuyten, raadde zelfs af de soep te eten.

 

Vervaete legde daarop de hoorn neer en doorkruiste het hele gebouw om iedereen te verwittigen dat de soep alweer slecht was. Onmiddellijk holde de onderdirecteur naar de refter, trof er eters aan die de soep weigerden, proefde ze en vond ze goed. Hij vroeg de kok naar de refter te komen om haar mening te geven. Dat deed ze met luide stem: ze proefde de soep en verkondigde dat ze, als altijd, uitstekend was. Ze rook gewoon naar verse kervel, een geur die elke huisvrouw zou herkennen. De refterbezoekers waren gerustgesteld en aten de soep op. Maar hiermee was de kous niet af.

           

De onderdirecteur meldde het voorval aan zijn directeur, die het nodig vond de grote baas van de Munt op de hoogte te brengen. De directeur wist dat het niet de eerste keer was dat Vervaete en Schuyten de soep bekritiseerden. Eerder hadden ze een probleem met rundsvet in de soep, hoewel dat product niet werd gebruikt. Ook nu was er volgens de directeur met de soep niets aan de hand. Dezelfde soep werd geserveerd in de andere refters van het ministerie van Financiën en daar had niemand geklaagd. De directeur besloot: Vervaete en Schuyten waren onbekwaam de refter te beheren.

           

De grote baas van de Munt meende dat de affaire rond de soep het conflict tussen de twee grote syndicaten blootlegde. Vervaete en Schuyten vertegenwoordigden het socialistische Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV). Ze hadden het regelmatig aan de stok met collega’s die aangesloten waren bij het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV). Al in februari was ABVV-er Vervaete er door ACV-ers van beschuldigd bij de uitdeling van de soep “naar willekeur drukking uit te oefenen op de mensen die zich niet tot hun kleur bekennen”. Kreeg een socialistisch gezind personeelslid meer soep dan wie sympathie had voor de christelijke concurrent?

 

Volgens de grote baas was hier sinds enkele weken een bittere, persoonlijke strijd aan de gang. Vervaete en Schuyten probeerden de soep te gebruiken om hun socialistisch syndicaat te laten scoren. Ze hadden het recht de soep slecht te vinden, meende de chef, maar als medeverantwoordelijken voor de refter moesten ze hun commentaar voor zich houden. Vervaete en Schuyten mochten zich niet langer met de refter inlaten. De ACV-ers hadden hun slag thuisgehaald.

 

Wat had Vervaete en Schuyten bezield? Waren ze er echt van overtuigd dat ze via hun campagne tegen de soep sympathie konden winnen voor de socialistische vakbond? Maakte de christelijke vakbond van het voorval gebruik om hen te dwarsbomen? Nog merkwaardiger is het belang dat de onderdirecteur en de directeur van de Munt aan de hele kwestie hechtten. De instelling die ’s lands bankbiljetten drukte, was even in de ban van soep. Maar die soep was wel een van de weinige zaken die men in de refter van de Koninklijke Munt ’s middags kon krijgen. Als er daar onenigheid over bestond, kwamen de goede verhoudingen op de werkvloer misschien wel in gevaar.

 

 

Protest van het Christelijk Syndicaat tegen de

socialistische verantwoordelijke voor de maaltijden

(Algemeen rijksarchief, FOD Financiën, Dienst Logistiek, nr. 254).

 

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten