28 mei 2026

De Roode vloot in stormweer


Peter Scholliers


In 1924 publiceerde de Journal de Bruxelles een stuk over de dure vis. De populaire kabeljauw was de voorbije maanden bijna 30 procent duurder geworden. Hoge loonkost en dure steenkool verklaarden de prijsstijging, maar dat de Belgische vissers hun vangst eerder in Engeland dan in eigen land verkochten, dreef de prijs eveneens op. Ook la flotte rouge bezondigde zich daaraan. En dat ten koste van het Belgische proletariaat!

De Roode vloot was in 1921 door Vooruit-baas Eduard Anseele opgericht als de N.V. Oostendsche Reederij, met geld van onder meer de Bank van de Arbeid. In augustus 1924 zou ze 820.000 frank winst hebben gemaakt op een kapitaal van 4 miljoen, of een riante opbrengst van 20 procent. Politieke tegenstanders beweerden dat de rode leiders zich verrijkten. 



 

De Van Beveren O.147, een van de eerste schepen van de Rode vloot (L. Verbrugghe, De zeevischvangst, Brussel 1923; Vlaams Instituut voor de zee).


In 1925 werden vervroegde parlementsverkiezingen uitgeschreven. Een nijdige politieke strijd brak los en de rode vloot deelde in de klappen. Zo wist De Gentenaar: “De Roode vloot vaart naar Engeland om er de visch te verkoopen. ’t Belgisch proletariaat eet Hollandschen pekelharing”. Toen een kamerlid van de katholieke partij op een meeting die verwijten herhaalde, schreeuwde een socialistische militant woedend: “Gij liegt!”. De rode vloot beroerde de gemoederen.

Einde maart 1925 reageerde de Vooruit op alle aantijgingen in een vlammend stuk, getiteld “De aanvallen op de Roode Vloot”. De krant had een lang recht op antwoord gestuurd naar een vijftal conservatieve kranten. Het is waar, schreef ze, dat de socialistische rederij vis in Engeland had verkocht, zoals alle Belgische vissers, maar dat was uitzonderlijk, het gebeurde niet meer sinds november 1924 en betrof nog geen drie procent van de totale visvangst van de rode vloot. Nergens verscheen het recht op antwoord. 

De socialisten wonnen de verkiezing in april 1925 en de rode vloot verdween even uit de belangstelling. In het najaar herhaalde de rechtse pers de beschuldiging. De socialisten werd verweten voor de winst te kiezen: bracht de vis in België te weinig op, dan verkocht de rode vloot de vis in Engeland. Bovendien zou Anseele ook aan de Belgische coöperatieve restaurants vis verkopen en daar had de gemiddelde Belg evenmin iets aan. 

De kritiek intensifieerde in de zomer van 1926, toen de vis veel duurder werd. De katholieke Gazette de Charleroi schreef: “De rode vloot van Anseele, die bij voorkeur de dure markt bevoorraadt, boekt grote winst. En intussen eet de Belg geen vis”. De socialistische pers liet de bestuurder van de rode vloot, L. Verbrugghe, aan het woord, die benadrukte dat de uitvoer naar Engeland onbeduidend was. Op 12 augustus 1926 triomfeerde de Vooruit, want enkele conservatieve kranten schreven dat ze zich hadden vergist. Zoiets toegeven gebeurde bijna nooit.

Het failliet van de Bank van de Arbeid in 1934 luidde het begin van het einde van de roode vloot in. De financiële problemen namen toe tijdens de Tweede Wereldoorlog, terwijl de Belgische visserij het na de oorlog moeilijk had. Die combinatie bleek fataal. De N.V. Oostendsche Reederij hield de facto op te bestaan in 1951.



 De chef en zijn afwasser


Patricia Van den Eeckhout 


In 2025 publiceerde Nora Bouazzouni een boek over het geweld in de keukens van Franse restaurants. We hebben te maken met een omerta, stelt de auteur. De problemen zijn gekend, maar iedereen zwijgt. Die zwijgcultuur is niet nieuw. In het verleden kwamen toxische relaties in restaurants, hotels en cafés vaak pas in de openbaarheid als er gewonden of doden vielen. 

Tijdens een septembernacht in 1934 klonk er een schot in de ondergrondse keuken van restaurant Le Colisée aan de Champs-Elysées. De 40-jarige Parijse chef de cuisine André Maschlin viel op de grond. Hij was geraakt in de buik. De man die op hem had gevuurd, was Charles Boucheta, zo’n 26 jaar eerder in Algerije geboren. Boucheta was plongeur. Hij deed dus de afwas, maar hij werkte tussendoor ook als nachtwaker. Het was met het wapen waarover hij als nachtwaker beschikte dat hij zijn chef had neergeschoten. 


 


Maschlin en Boucheta, Paris-soir, 5 september 1934 

(gallica.bnf.fr/Bibliothèque nationale de France).


Een kok kwam toegesneld met een kachelpook. Hij schold Boucheta uit. Die aanhoorde de tirade en zei: “C’est bon. J’ai compris”. Ik heb het begrepen, zei de man. Om zich vervolgens een kogel door het hoofd te jagen. De gewonden werden naar het ziekenhuis gevoerd, waar ze allebei in coma lagen. 

De kranten die over de feiten verslag deden, spraken hun verwondering uit over wat er gebeurd was. Niemand had weet van een conflict tussen Boucheta en Maschlin. De chef was in 1932 in dienst getreden van het restaurant en had zo’n 110 personeelsleden onder zich. Hij zou een kordate maar correcte en geduldige man geweest zijn. 

Ook Boucheta werd als kalm omschreven, maar de krant Paris-Midi meende te weten waarom de zaken toch uit de hand liepen: “les Arabes ont le sang chaud”. Het blad stelde onomwonden dat het “warme, Arabische bloed” van de plongeur het conflict kon verklaren.

Een andere bron legde uit dat Boucheta kort tevoren op het matje was geroepen. “U hebt hier niet de leiding, maar ik. U moet doen wat u wordt opgedragen,” zou Maschlin hebben gezegd. Een dergelijke reprimande is niet schokkend. De reactie van de afwasser komt dan ook over als buitensporig. 

Maar een brief van een kelnerorganisatie in het tweewekelijkse blad La France ouvrière maakte het proces van Maschlin, “le gros bonnet”, de man met de hoge koksmuts, zoals chefs de cuisine vaak werden genoemd. André Maschlin zou een zeer brutale man zijn geweest. De pesterijen beu, had Boucheta op een fatale manier uitgehaald. 

In het vakbondsblad van de Parijse koks viel er geen kwaad woord over de chef de cuisine. Dat de gebeurtenis in kranten en zelfs in de vakpers als een fait divers werd behandeld, vond het tijdschrift echter onaanvaardbaar. Het drama was het gevolg van de lamentabele werkomstandigheden, klonk het. Die maakten de mensen gek. Ook Boucheta was een slachtoffer. 

Noch Maschlin, noch Boucheta overleefden het voorval. Op 4 september 1934 stierf de afwasser. In de vroege ochtend van 5 september overleed ook de chef de cuisine. In het register met de akten van overlijden staan ze broederlijk na mekaar vermeld. Ze namen hun geheim mee in hun graf. Was de plongeur lichtgeraakt of was de chef een tiran? We zullen het nooit weten.