04 juni 2026

Geen Belgisch eten in het Grand restaurant belge


Peter Scholliers


In november 1877 sloeg Le Journal de Bruxelles alarm: de organisatoren van de Parijse wereldtentoonstelling van 1878 hadden de deelname van een Belgisch restaurant geweigerd. De Belgische keuken was een flauwe imitatie van de Franse, heette het, en voegde niets toe. Hoezo, vroeg Le Journal de Bruxelles: wat met waterzooi, choesels, schelvis, rijstpap en andere Belgische specialiteiten? 

De restauranthouder liet zich niet doen en lobbyde samen met de Vereniging van Belgische brouwers, die het Belgische bier in Parijs wilde promoten. Twee maanden later meldde de pers dat een Grand restaurant belge zou aanwezig zijn op het Champ de Mars bij de Pont de Iéna, pal naast het Restaurant Français. Je zou denken dat Henri Sapin, de concessiehouder van het restaurant, alles zou doen om zijn restaurant een Belgische stempel te geven. Maar het tegendeel was waar.

Sapin kwam uit Jaulnay, een dorpje ten Noorden van Poitiers. In de jaren 1860 was hij de eigenaar van een hotel-restaurant in die stad. Rond 1870 kwam hij naar Brussel, waar hij in 1874 Restaurant Dubost, een befaamd huis, overnam. Hij kookte er zoals in de beste Parijse restaurants. Toen hij in 1878 de concessie van het Restaurant belge in Parijs kreeg, was dat het toppunt van zijn carrière. 


 


Het Grand restaurant belge op de Parijse wereldtentoonstelling van 1878 

(Fonds Georges Ancely, 

© https://www.georgesancely.com/photographieC/trocadero-grand-restaurant-belge/72)


Op de openingsdag, 1 mei 1878, overspoelde een mensenmassa de tentoonstelling. Het was een warme dag die dorstig maakte. Sapin zag een kans en vroeg 1 frank voor een bock, een glas pils, terwijl dat anders 30 centiemen was. De Franse pers sprak schande. Eén krant eiste zelfs het intrekken van de concessie. Sapin verlaagde zijn prijs, maar het kwaad was geschied en het restaurant werd gedurende de hele tentoonstelling met een schuin oog bekeken.

Dat kwam niet alleen door de hoge bierprijs van de eerste dagen. Belgische journalisten rapporteerden over de Parijse expo en het Grand restaurant belge. Over de expo waren ze enthousiast, maar voor het restaurant hadden ze geen goed woord over. Een krant schreef, “Ga de brug over en rechts vind je het Belgische restaurant dat enkel in zijn naam iets van ons land heeft. Dus geen waterzooi of gehaktballetjes, want de keuken is Frans en lang niet slecht”. Twee weken later schreef een andere krant, “Bijzonder vreemd aan dit restaurant is dat er absoluut niets Belgisch is: de eigenaar is Frans en het bier komt van overal behalve uit België”.

Het restaurant was prijzig. Gerechten kostten er 2,5 à 3 franc, wat elders werd betaald voor een driegangenmenu. Een bock kostte vijftig centiemen. Een Franse krant noemde het Grand restaurant belge “de premier ordre”, een andere schreef dat men er zeer smakelijk en duur at. Sapin was tevreden: de Franse pers waardeerde zijn kookkunst. De Belgische specialiteiten lieten hem koud. Of het restaurant succes had, is niet geweten. Dat er geen Belgisch bier geschonken werd, zal de Belgische brouwers allicht een doorn in het oog zijn geweest.

Terug in Brussel, wijdde Henri Sapin zich helemaal aan zijn restaurant, dat na 1885 niet langer tot de top behoorde. Hij sloot het in 1888 en vertrok naar Parijs, waar hij in 1895 overleed na een lange ziekte, amper 57 jaar oud.


Wie meer wil weten over Belgische keuken, lees "Vlaamse eetcultuur" in de Digitale encyclopedie van de Vlaamse beweging:  https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/vlaamse-eetcultuur 



De ene amandel is de andere niet


Patricia Van den Eeckhout


John Henry Timins was al zo’n veertig jaar predikant in West Malling, een stadje in het graafschap Kent. In december 1882 bezocht hij Sarah Ann Wright, de zestienjarige dochter van een dagloner en een van zijn parochianen. Het meisje voelde zich niet lekker. Timins wist precies wat gedaan. Hij haalde een flesje uit zijn zak en goot een theelepel van de inhoud in een glas. Opdrinken, klonk het, nadat het meisje wat aarzelde. Zo’n twee uur later was Sarah Ann Wright dood.  

Vergiftigd door blauwzuur, toen ook gekend als Pruisisch zuur, zo wees de autopsie uit. De amandelolie die Timins had toegediend, bleek gemaakt van bittere amandelen. Net zoals abrikozenpitten bevatten ze een stof die in contact met speeksel en maagsappen verandert in het dodelijke cyanide. Zoete amandelen kunnen geen kwaad, maar bittere amandelen moeten worden ontgift voor gebruik. 

Maar was een simpele 69-jarige predikant uit een klein Engels stadje daarvan op de hoogte? De man was alleszins gewaarschuwd door de lokale drogist, bij wie hij het flesje had besteld. Bent u wel zeker dat u dit wil kopen, had de drogist hem in een brief gevraagd. Het is een zeer giftig product. Geen probleem, had Timins hem geantwoord. Ik zal het enkel uitwendig gebruiken. Het flesje werd bezorgd, voorzien van een etiket waarop “POISON” te lezen was. Timins behandelde er de huiduitslag van zijn zoon mee. 

In zijn jonge jaren had de predikant lessen gevolgd aan het St. Thomas’s Hospital in Londen, maar hij had nooit een diploma behaald. Toch verwees hij graag naar die periode.



 

In de brochure die Timins in 1878 publiceerde over ontsmetting (zo’n 50 pagina’s dik) stelde hij zichzelf voor als student van het St. Thomas’s Hospital (Wellcome Collection).

Blijkbaar had de man nog steeds de ambitie om “iets” te doen op medisch vlak. Kort voor de feiten publiceerde hij artikelen over wateranalyse, gecontamineerde bronnen, tyfus en de pokken in The Sanitary record, een blad over lokaal gezondheidsbeleid. 

In medische tijdschriften werd Timins terechtgewezen omdat hij zonder kennis van zaken de geneeskunde beoefende. Blijkbaar was het niet de eerste keer dat hij zijn parochianen niet enkel spirituele steun, maar ook medische verzorging gaf. Steeds werden die kritische bedenkingen gevolgd door de opmerking dat de man enkel goede bedoelingen had.

Het gerechtelijk onderzoek en het proces dat volgde, lieten belangrijke vragen onbeantwoord. Waarom had een predikant een flesje met een giftig product op zak? Waarom spoorde hij het slachtoffer aan ervan te drinken, ook al had de drogist hem op de giftigheid ervan gewezen? Waarom had hij het flesje laten verdwijnen, ondanks het verzoek van de autoriteiten om het in te leveren? Dat zijn flesje verantwoordelijk was voor de dodelijke afloop kon pas bewezen worden nadat de drogist een staal had verstrekt van het mengsel dat Timins had gekocht. 

De welwillendheid ten aanzien van de predikant was echter ongemeen groot. Hij moest weliswaar voor de rechter komen, maar werd vrijgesproken. De juryleden hadden amper vijf minuten tijd nodig om hun vonnis te vellen. Zelfs grove nalatigheid werd hem niet ten laste gelegd.