01 juli 2026

 Macaro, macaro, macaroni

Read this article in your own language by using the translation tool on your mobile or by scrolling down to the bottom of this page. Enjoy!


Patricia Van den Eeckhout


Wie in het Belgische digitale krantenarchief BelgicaPress op zoek gaat naar het woord “spaghetti” heeft (inclusief spellingsvarianten) tot 1914 welgeteld 14 hits. Het woord “macaroni” daarentegen komt meer dan 5.000 keer voor; het woord “vermicelli” (inclusief spellingsvarianten) vinden we meer dan 2.800 keer terug. 

Mogelijk was het woord “macaroni” veel eerder populair dan het woord “spaghetti” omdat het een verzamelnaam voor diverse soorten pasta was. Maar waarom besloot men dan na de Eerste Wereldoorlog in toenemende mate om een welbepaalde pasta (spaghetti) met zijn specifieke naam aan te duiden? En waarom benoemde men vermicelli al veel eerder wél met zijn eigen naam? 

Het lijkt erop dat de lange deegslierten die kenmerkend zijn voor spaghetti in het België van voor de Eerste Wereldoorlog vrij marginaal waren. Met macaroni en vermicelli daarentegen was de consument al veel langer vertrouwd. Zo schaften de adellijke families de Merode Westerloo en d’Ursel in de 18e eeuw zowel macaroni als vermicelli aan. 




De maître d’hôtel van de familie d’Ursel, die afwisselend in Brussel en in Hingene verbleef, maakte in 1786 een lijst van wat hij bij zijn kruidenier gekocht had. Hij bleek moeite te hebben met het woord vermicelli: hij spelde het als “vert michel” (Archief van de familie d’Ursel - Algemeen Rijksarchief)


Allicht verschenen macaroni en vermicelli geruime tijd enkel op de tafels van de gegoede klasse. Iedereen was het erover eens dat de beste deegwaren uit Italië kwamen, maar in de eerste helft van de 19e eeuw begonnen Belgische fabriekjes eveneens pasta te produceren. Dat drukte de prijzen.

In 1857 bleek de Brusselse typograaf Joseph Dauby, een goedbetaalde arbeider, zowel vermicelli als macaroni te kopen. Zo’n tien jaar later treffen we vermicelli aan in het assortiment van kruidenierswaren van de firma Delhaize. De winkelketen verkocht vooral aan mensen van de middenklasse. Nog enkele jaren later kon de klant er ook macaroni krijgen. In de jaren 1890 kwamen daar noedels bij en pasta in de vorm van letters en sterren, die zoals vermicelli voor de soep werden gebruikt. In de vroege jaren 1900 werd het assortiment van Delhaize uitgebreid met lasagne en schelpvormige pasta.

Ondertussen verscheen macaroni op de spijskaarten van restaurants. De deegwaar werd niet gebruikt om aardappelen, frieten of rijst te vervangen, maar werd vooral gesmaakt als op zichzelf staande schotel, bij voorkeur met kaas en een korstje. 


Menu van het Gentse café-restaurant A l’Entrecôte in 1897 (Vliegende bladen, Universiteitsbibliotheek UGent).

Macaroni werd een vertrouwd product. Handboeken voor huishoudscholen namen macaronirecepten op. In 1913 kwam de macaroni zelfs in een Belgisch carnavalslied terecht: “Ah, qu’il est beau quand il est cuit. Le macaro, le macaro, le macaroni”. Vrij vertaald: “Ach, wat is hij mooi als hij gekookt is. De macaro, de macaro, de macaroni”.

Na de Eerste Wereldoorlog pakte de kruideniersketen Delhaize uit met nieuwe producten: rigatoni, mezzani, mezzanelli en …spaghetti. Ook de coöperatieve Union économique de Bruxelles ging spaghetti verkopen. Waarom heeft de introductie van spaghetti in België zolang op zich laten wachten? Nederlandse, Britse en Franse krantenarchieven laten zien dat ook in die landen de lange deegslierten pas doorbraken na de Eerste Wereldoorlog. Waarom? Een bevredigend antwoord op die vraag ben ik nog niet tegengekomen. Migratie vanuit Italië (die in België pas na de Tweede Wereldoorlog goed op gang kwam) kan niet verklaren waarom de Belgen spaghetti na de Eerste Wereldoorlog ontdekten.


Bakers in Court / Bakkers voor de rechter



Read this article in your language by using the translation tool on your mobile or by scrolling down to the bottom of this page


Peter Scholliers


Na de slag bij Waterloo in juni 1815 probeerde Europa te herstellen van de Napoleontische oorlogen. Nijverheid, handel en landbouw kropen uit een diep dal. Op hetzelfde moment barstte aan de andere kant van de wereld, in Java, de vulkaan Tambora uit, wat aan duizenden mensen het leven kostte. In de lente van 1816 bereikte een gigantische stofwolk Europa, met korte maar hevige klimaatsveranderingen tot gevolg: erg kil in de lente, overvloedige regen in de zomer en abnormaal koud in de herfst. Kranten kondigden een rampzalige oogst aan.

En inderdaad: slechte opbrengsten stuwden de prijs van tarwe en rogge omhoog. In Gent, bijvoorbeeld, werd een hectoliter rogge 2,5 keer duurder tussen december 1815 en juni 1817, wat sinds vier generaties niet meer was gezien. Honger, migratie, ziekte en angst waren het gevolg. Vrouwen, mannen en kinderen belegerden bakkerijen, de politie chargeerde en de justitie veroordeelde (zie ook: Slaet in de ramen en grijpt de brooden). 




 

Prijs van een hectoliter rogge op de markt van Gent, in schellingen (Gazette van Gend, 1816 en 1817, https://www.gentools.be/gazette-van-gend.htm).


De autoriteiten wisten dat hoge graan- en broodprijzen tot onlusten leidden. Daarom bepaalden vele gemeenten de prijs van het brood, waarschuwden ze molenaars en bakkers dat speculatie zeer streng gestraft zou worden en probeerden ze ervoor te zorgen dat er voldoende graan werd aangeboden. Bakkers werden eraan herinnerd dat brood het correcte gewicht moest hebben, geen ongepaste stoffen mocht bevatten en dat de prijs duidelijk zichtbaar moest zijn.   

De prijsstijgingen brachten sommige bakkers in de verleiding om krijt bij hun meel te mengen of de broden lichter te maken. Het publiek was argwanend. Een gerucht volstond om bakkers van fraude te betichten. In juli 1817, bijvoorbeeld, beschuldigden enkele arbeiders een Brusselse bakker ervan aluin in zijn roggemeel te doen om het lichter en witter te maken, waarop de man direct naar het politiebureau werd geleid. Na ondervraging werd hij vrijgelaten.

Onderzoeken naar frauduleuze molenaars en bakkers stapelden zich op in 1816 en 1817. Regelmatig mondden die uit in arrestaties en processen, maar het is niet geweten hoeveel bakkers, molenaars en graanhandelaars voor fraude werden gestraft. Een paar voorbeelden. In juni 1816 kreeg bakker Speliers uit Gent een gevangenisstraf van een maand omdat hij te licht brood had verkocht en bovendien de politiecommissaris had beledigd. In oktober van hetzelfde jaar kregen Jérome Everards en Jacques Darien, twee Brusselse bakkers, een maand gevangenisstraf omdat hun brood te licht was. In dezelfde maand kreeg bakker Vanrobais uit Ieper twee maanden gevangenisstraf en een boete van niet minder dan 1.000 frank omdat hij zijn brood te duur verkocht. Dezelfde straf kreeg bakker Rémi Chapelle uit Nijvel in november 1817. Dat waren relatief zware straffen, die soms de sluiting van de bakkerij betekenden.

De pers bracht verslag uit van de veroordelingen van bakkers alsof ze wilde onderlijnen dat niet alleen de armoezaaiers die een stuk brood hadden gestolen voor de rechter verschenen, maar ook de malafide handelaars. Onvergelijkbare vergrijpen met zeer ongelijke straffen. Zo kregen enkele jongelui zes maand gevangenisstraf omdat zij de aanstokers zouden zijn van “beledigende geruchtmakingen voor het huys van eenen graankoopman”.