Bakers in Court / Bakkers voor de rechter
Read this article in your language by using the translation tool on your mobile or by scrolling down to the bottom of this page
Peter Scholliers
Na de slag bij Waterloo in juni 1815 probeerde Europa te herstellen van de Napoleontische oorlogen. Nijverheid, handel en landbouw kropen uit een diep dal. Op hetzelfde moment barstte aan de andere kant van de wereld, in Java, de vulkaan Tambora uit, wat aan duizenden mensen het leven kostte. In de lente van 1816 bereikte een gigantische stofwolk Europa, met korte maar hevige klimaatsveranderingen tot gevolg: erg kil in de lente, overvloedige regen in de zomer en abnormaal koud in de herfst. Kranten kondigden een rampzalige oogst aan.
En inderdaad: slechte opbrengsten stuwden de prijs van tarwe en rogge omhoog. In Gent, bijvoorbeeld, werd een hectoliter rogge 2,5 keer duurder tussen december 1815 en juni 1817, wat sinds vier generaties niet meer was gezien. Honger, migratie, ziekte en angst waren het gevolg. Vrouwen, mannen en kinderen belegerden bakkerijen, de politie chargeerde en de justitie veroordeelde (zie ook: Slaet in de ramen en grijpt de brooden).
Prijs van een hectoliter rogge op de markt van Gent, in schellingen (Gazette van Gend, 1816 en 1817, https://www.gentools.be/gazette-van-gend.htm).
De autoriteiten wisten dat hoge graan- en broodprijzen tot onlusten leidden. Daarom bepaalden vele gemeenten de prijs van het brood, waarschuwden ze molenaars en bakkers dat speculatie zeer streng gestraft zou worden en probeerden ze ervoor te zorgen dat er voldoende graan werd aangeboden. Bakkers werden eraan herinnerd dat brood het correcte gewicht moest hebben, geen ongepaste stoffen mocht bevatten en dat de prijs duidelijk zichtbaar moest zijn.
De prijsstijgingen brachten sommige bakkers in de verleiding om krijt bij hun meel te mengen of de broden lichter te maken. Het publiek was argwanend. Een gerucht volstond om bakkers van fraude te betichten. In juli 1817, bijvoorbeeld, beschuldigden enkele arbeiders een Brusselse bakker ervan aluin in zijn roggemeel te doen om het lichter en witter te maken, waarop de man direct naar het politiebureau werd geleid. Na ondervraging werd hij vrijgelaten.
Onderzoeken naar frauduleuze molenaars en bakkers stapelden zich op in 1816 en 1817. Regelmatig mondden die uit in arrestaties en processen, maar het is niet geweten hoeveel bakkers, molenaars en graanhandelaars voor fraude werden gestraft. Een paar voorbeelden. In juni 1816 kreeg bakker Speliers uit Gent een gevangenisstraf van een maand omdat hij te licht brood had verkocht en bovendien de politiecommissaris had beledigd. In oktober van hetzelfde jaar kregen Jérome Everards en Jacques Darien, twee Brusselse bakkers, een maand gevangenisstraf omdat hun brood te licht was. In dezelfde maand kreeg bakker Vanrobais uit Ieper twee maanden gevangenisstraf en een boete van niet minder dan 1.000 frank omdat hij zijn brood te duur verkocht. Dezelfde straf kreeg bakker Rémi Chapelle uit Nijvel in november 1817. Dat waren relatief zware straffen, die soms de sluiting van de bakkerij betekenden.
De pers bracht verslag uit van de veroordelingen van bakkers alsof ze wilde onderlijnen dat niet alleen de armoezaaiers die een stuk brood hadden gestolen voor de rechter verschenen, maar ook de malafide handelaars. Onvergelijkbare vergrijpen met zeer ongelijke straffen. Zo kregen enkele jongelui zes maand gevangenisstraf omdat zij de aanstokers zouden zijn van “beledigende geruchtmakingen voor het huys van eenen graankoopman”.