13 augustus 2026

 Onze wijn is goed voor uw gezondheid


Patricia Van den Eeckhout 


De lagerbieren en de daarbij horende brasseries en bierhallen palmden Europa vanaf de jaren 1860 in. Toen de rage van de lagerbieren nog volop woedde, kwamen de bodega’s opzetten. De middenklasse was weer toe aan iets nieuws. 

In een bodega werden wijnen per glas verkocht in de hoop dat een grotere bestelling zou volgen. Nederland gebruikte eerder de term “proeflokaal”. Opvallend is dat sommige proeflokalen al in de jaren 1880 vrouwen verwelkomden. Gezien het “mannelijke” imago van alcohol in die periode was dat niet evident. Bodega’s gebruikten vaak grote lege wijnvaten als tafel. 

In 1888 schreef de Brusselse krant Le Soir: de bodega is koning en wij kunnen niet meer zonder hem. The Continental Bodega Company, gesticht in 1879, speelde een belangrijke rol in die rage. Begonnen met een bodega in de Leuvense straat in Brussel, richtte deze firma bodega’s op in tal van Europese steden, maar ook elders in de wereld. 


 


Reclame voor de Berlijnse vestiging van The Continental Bodega Company in Deutscher Bühnenalmanach 1882 (Google Books).


In 1894 werd in Boekarest de achtentachtigste succursale geopend. In 1904 telde het bedrijf 139 filialen en 2.500 depots. Eerst handelde de firma in Spaanse en Portugese wijnen, maar daar kwamen vervolgens ook Franse wijnen, Moezelwijnen en champagne bij. Het bedrijf adverteerde ook met mandjes wijn die men als nieuwjaarsgeschenk kon aanbieden.


 


Een vestiging van de The Continental Bodega Company in Keulen. 

Le Globe illustré, 1 augustus 1886 (BelgicaPeriodicals)


Bij de middenklasse waren de producten van de The Continental Bodega Company zeer geliefd. Vooral het dure drankje 17bis, een soort witte porto, viel in de smaak. In 1888 kostte een “péké” (een soort jenever) in Brussel 6 centiemen, het lokale bier 12, een bockbier 30 en wie een 17bis wou degusteren, moest 60 centiemen neertellen. 

De producten van The Continental Bodega Company werden op Wereld- en andere tentoonstellingen regelmatig bekroond. De reclame die de onderneming maakte, deed daar nog een schep bovenop. Sinds de jaren 1880 pakte de firma uit met de claim dat dokters haar producten zeer gunstig gezind waren. In de jaren 1890 ging ze nog een stap verder: de “geneeskundige autoriteiten van Europa” zouden de buitengewone waarde van haar wijnen erkennen en aanbevelen voor medicinaal gebruik. 

In 1897 had het Nederlandsch tijdschrift voor geneeskunde er genoeg van. Blijkbaar drukte de firma ook namenlijsten af van dokters die haar wijnen hadden beoordeeld en toestemming hadden gegeven om hun naam te gebruiken. Het vakblad deed uit de doeken hoe de onderneming tewerkging. Ze stuurde mandjes wijn naar allerhande medici en nodigde hen uit om de inhoud te degusteren. Zij die uit beleefdheid een dankwoord stuurden, werden toegevoegd aan de lijst van medici die de drank aanbevolen. 

The Continental Bodega Company ging driest tewerk, maar de dokters waren evenmin vrij te pleiten, zo stelde het vakblad. Het aanvaarden van geschenken was geen goed idee en bovendien sprongen dokters veel te lichtzinnig om met aanbevelingen voor medicijnen en voedingsmiddelen.   



 “Een schotel die ons heeft verrast”


Peter Scholliers


In de negentiende eeuw bespraken kranten nu en dan chique maaltijden in restaurants of privéhuizen, waarbij ze vooral oog hadden voor de eters en hun speeches en soms de kok een pluim gaven. Gidsen adviseerden reizigers, meestal uiterst beknopt, waar te eten. Bladen van koksverenigingen verdedigden professionele belangen en faam, waarbij recepten, grote diners en de chef aandacht kregen. 

 

De aantrekkelijke titel en afbeelding van de wekelijkse rubriek “Chronique des Banquets” 

van Journal de la Cuisine (1897, p. 104; KBR)


In België startte kok en kookboekauteur Jean De Gouy in 1889 de Journal de la cuisine als blad van de Brusselse hoteliers, café- en restauranthouders. Het verscheen elke week, kostte negen frank voor een jaarabonnement (zo’n 70 euro) en vervelde tot La Belgique hôtelière in 1924. De ondertitel kondigde de inhoud aan: “Recepten, markten, algemene voeding, hygiëne, huishoudkunde en natuurhistorie”. Het had ook een wekelijkse rubriek, “Chronique des banquets”, waar diners in restaurants werden besproken. Was dat een voorloper van de restaurantrecensies zoals we ze vandaag kennen?

In 1897 verwelkomde Brussel een wereldtentoonstelling. In de marge van die gebeurtenis dineerden allerlei prominenten om de haverklap in de lokale restaurants. De Journal de la cuisine becommentarieerde bijna elke maaltijd. Enkele voorbeelden.

In mei aten twaalf genodigden in het chique Au Filet de sole naar aanleiding van de Britse deelname aan de expo. “Het heeft gesmaakt”, schreef het blad, “De genodigden feliciteerden eigenaar Beaud. De dienst was perfect en de schotels buitengewoon, en dat verbaast niet omdat Ebel, de chef van het restaurant, voortbouwt op de traditie van het huis en mag gerekend worden tot de beste culinaire artiesten van het ogenblik”. 

Zelfde teneur een maand later, toen vijftig invités aanzaten in restaurant Le Chien Vert, waar ze onder meer genoten van de vleespastei, het signatuurgerecht van chef Dubonnet. “Een echte krachttoer! Briljant”. Ook chef Mougne kreeg een pluim. Nog in juni werden de broers Antognoli gefeliciteerd: “De schotels waren uitstekend, de wijnen excellent en de service buitengewoon”. Het slotbanket met de 850 exposanten van de expo kreeg adjectieven als subliem, meesterlijk en virtuoos.

Het hele jaar door publiceerde de Chronique des banquets zulke commentaren, ook over diners die niets met de tentoonstelling te maken hadden. Chefs en souschefs werden geprezen en altijd was alles buitengewoon. Heel uitzonderlijk was er een minder vleiende opmerking. In april 1897 organiseerde de minister van Arbeid en Nijverheid Albert Nyssens een diner voor 22 genodigden. De Journal de la cuisine vermeldde het menu, maar niet de kok. Het weekblad verbaasde zich over een schotel: kreeft op Hollandse wijze. Want, stel je voor, de gekookte kreeft werd enkel met gesmolten boter opgediend. “Naar het schijnt is dat lekker”, oordeelde de Journal laatdunkend. 

De Chronique des banquets bewierookte de toprestaurants en hun chefs en bracht geen echte restaurantrecensies. Edouard Beaud en zijn ploeg kregen heel regelmatig lof toegezwaaid, terwijl Beaud in het bestuur van het Journal de la cuisine zetelde. Dat stelt natuurlijk vragen over de wijze waarop de Journal de la cuisine tewerk ging. Echte restaurantrecensies lieten nog op zich wachten.