20 augustus 2026

 Vlaams brood voor Waalse magen


Peter Scholliers


In 1873 zorgde een scherpe economische recessie voor hoge werkloosheid en dalende lonen in de Waalse industriebekkens. Jaar na jaar daalde de koopkracht van mijnwerkers, glasblazers en metaalbewerkers terwijl ze een comfortabele levensstijl gewoon waren. Midden jaren 1880 was er nog geen beterschap. Op 18 maart 1886 organiseerden enkele anarchisten een herdenking van de arbeidersopstand van Parijs in 1870-71. Een massa toehoorders voelde zich aangesproken door de opruiende speeches. De sfeer werd bitter en bleef dat de dagen nadien. Politie en rijkswacht chargeerden en arresteerden, maar stakingen konden ze niet beletten. Een week later herhaalden dezelfde taferelen zich in de Borinage. Zevenentwintig arbeiders kwamen om het leven.


 


De charge van de rijkswacht op een groepje arbeiders, maart 1886 (Le Globe illustré, 11 april 1886, KBR-BelgicaPeriodicals)


De Vlaamse sociaaldemocraten hielden de gebeurtenissen in Wallonië in de gaten. De onvrede was in Vlaanderen net zo groot, maar politiek lagen de kaarten volkomen anders. De sociaaldemocraten wilden het algemeen kiesrecht invoeren om hervormingen via het parlement te bekomen. Hun wapens waren kranten en pamfletten, politieke bijeenkomsten, kleurrijke optochten, volksbals en theater- en muziekoptredens, maar geen revolte. De coöperatie Vooruit uit Gent voegde daaraan een originele strategie toe: mensen overtuigen via materiële voordelen. Daarom verkocht Vooruit brood, kleding, geneesmiddelen en steenkool. De winst van die verkoop financierde de socialistische propaganda.

Op 30 maart 1886, enkele dagen na de bloedige confrontaties tussen stakers en het leger, organiseerden de Gentse socialisten een bijeenkomst over de situatie in de Borinage. Duizenden Gentenaars verdrongen zich in de zaal en op het plein voor het gebouw. De leiders veroordeelden de plunderingen, vernielingen en het brute politiegeweld, en stelden voor 5.000 broden te sturen naar de families van de mijnwerkers. Hoewel Gents brood al eerder naar Wallonië was gebracht, liet het voorstel de toehoorders verbluft achter: mannen, vrouwen en kinderen van de linnen- en katoenfabrieken, havenarbeiders, metselaars en naaisters hielpen de metaalbewerkers, glasblazers en mijnwerkers!

De zaal was wild enthousiast. Een kreet weerklonk door de stad: “Brood, brood, brood tegen lood, lood, lood”. De socialistische pers had het over een echte triomf: een stevig georganiseerde arbeidersbeweging die ijverde voor het algemeen stemrecht, was de enige oplossing voor de Belgische arbeidersklasse. Er werd een “Inschrijvingslijst voor de hongerigen van Charleroi” gelanceerd waar Gentse arbeiders geld konden storten om nog meer brood te sturen. Twee weken later was al 570 frank ingezameld via kleine sommen van 25 centiemen tot 1,50 frank, wat de solidariteit van honderden Gentenaars toonde.

Het sturen van brood naar de mijnstreek had een dubbel effect: het hielp mensen maar toonde de kracht van de sociaaldemocratische strategie aan degenen die de hulp kregen en, vooral, aan de Gentse arbeidersklasse. Brood als zeer tastbaar propagandamiddel. 

Brood dat van Gent naar de Borinage werd gestuurd, sprak de fantasie van de tijdgenoten aan.  Zoals “de mijnwerker van de Borinage zich stortte op het brood van Vooruit” zouden de liberale parlementairen de hervorming van het kiessysteem moeten steunen, meende de Brusselse progressieve krant La Réforme van 5 juli 1886.


*

Over Vooruit, lees Vooruit, kameraden. De rode winkel van de belle époque (Ertsberg, 2025)


 Waren er voor 1900 geen voedselvergiftigingen? 


Patricia Van den Eeckhout 


Wie het woord “voedselvergiftiging” invoert in het Belgische digitale krantenarchief BelgicaPress, vindt voor 1914 helemaal niets. De krantenarchieven van Brugge, Ieper, Aalst en Vlaams-Brabant leveren voor die periode evenmin iets op. Het begrip “intoxication alimentaire” duikt in BelgicaPress voor de eerste keer op in 1892, het verschijnt vervolgens sporadisch, om in 1912 plots te pieken omdat ene “docteur De Cock” het gebruikte in de publiciteit voor een maagmiddel. 

In het Nederlandse digitale archief Delpher komt het woord “voedselvergiftiging” in de kranten voor vanaf 1900, in tijdschriften vanaf 1908 en in boeken vanaf 1926. De woorden “levensmiddelenvergiftiging” en “eetwarenvergiftiging” doen het nog “slechter”.

Het lijkt wel of men voor het begin van de 20e eeuw in België en Nederland amper van een voedselvergiftiging had gehoord. Maar wat is een voedselvergiftiging? De website Gezondheid en wetenschap definieert het begrip: “Een voedselvergiftiging is een maagdarminfectie die wordt veroorzaakt door het eten van voedsel of drinken van water dat besmet is met bacteriën of virussen. Ook gifstoffen afgescheiden door bacteriën kunnen de symptomen veroorzaken.”

Uiteraard hadden mensen al voor 1900 kwalijke ervaringen met besmet voedsel, maar het idee dat bacteriën of virussen daarvoor verantwoordelijk waren, moest nog volop worden verkend. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het krantenverslag over de gevolgen van een begrafenismaaltijd in het Henegouwse dorp Ellezelles. Een aantal mensen werd zwaar ziek. Enkelen overleefden de maaltijd niet. 

 

Gazette van Brugge, 23 december 1895 (Erfgoed Brugge)


De Gentse microbioloog Emile Van Ermengem, die de ham onderzocht die tijdens de maaltijd werd gegeten, zou wereldberoemd worden met zijn identificatie van de ziekteverwekker: de Bacillus botulinus, die botulisme veroorzaakt. Hij deed er in 1897 uitgebreid verslag over in een publicatie die de woorden “intoxications alimentaires” in de titel droeg. Botulisme als dusdanig was al bekend, maar men had geen idee hoe dat proces in mekaar zat. Enkele jaren eerder had August Gärtner de naar hem genoemde bacil ontdekt, die salmonella veroorzaakt. 

De kennis over de processen die tot voedselvergiftiging leiden, vergrootte eind 19e eeuw dus met rasse schreden. Maar waarom duurde het tot begin 20e eeuw alvorens er in het Nederlands een begrip als “voedselvergiftiging” opdook? Dat men tevoren de ziekmakende processen niet doorgrondde, neemt niet weg dat men kon vaststellen dat voedsel mensen ziek maakte, met andere woorden: vergiftigde.

Mijn hypothese is dat het samengestelde woord “voedselvergiftiging” het onaangename feit dat voedsel kon doden, iets te dichtbij bracht. In tegenstelling tot het vervalsen van eetwaren was de handelende actor bij voedselvergiftiging geen boosaardige derde, maar de natuur zelf. Dat men “voedsel” en “vergiftiging” vanaf het begin van de 20e eeuw aan mekaar durfde vast te klinken, betekent niet dat men dat samengestelde woord meteen kwistig ging gebruiken.

De kranten in Delpher laten zien dat men tot de jaren 1930 nogal zuinig met het woord “voedselvergiftiging” omsprong. Maar eens het woord ingeburgerd, piekte het gebruik ervan als er zich spraakmakende gevallen van voedselvergiftiging voordeden. In de periode 1950-1959 werd het woord “voedselvergiftiging” het vaakst gehanteerd. Het jaar 1955 piekte: er was in de Nederlandse kranten veel aandacht voor een voedselvergiftiging in de kazerne van de Belgische gemeente Tervuren, maar ook werd de drievoudige moordenaar Gaston Dominici in Frankrijk slachtoffer van een voedselvergiftiging. De piek in 1955 was ook het resultaat van paniekberichten over een voedselvergiftiging in Indonesië, waar niets van aan bleek te zijn.