Gemor in het rusthuis
Peter Scholliers
“De soep, ons lievelingsgerecht, laat te wensen over”, schreven bewoners aan de directeur van het Brusselse rusthuis, de Infirmerie, in augustus 1896. Zij ondertekenden hun klacht met “les pensionnaires réunis”, de verenigde bewoners. Ze verontschuldigden zich voor hun gedurfde brief. “Wij weten dat we niet veeleisend mogen zijn”, schreven ze, “en we zijn dat ook niet; we vragen enkel dat ons eten beter wordt”. Wat was er aan de hand?
In de jaren 1890 bood de Hospice de l’Infirmerie, nabij de Begijnhofkerk, onderdak aan zo’n 300 bejaarde mannen en vrouwen. Enkelen betaalden voor hun verblijf, maar de meesten woonden er gratis, waren zwak of ziek en hielden het bed. Hoewel hun maaltijden sober en monotoon waren, keken alle bewoners er reikhalzend naar uit, want eten regelde de dag, liet toe te keuvelen of te roddelen en stilde natuurlijk de honger.
Zoals in alle negentiende-eeuwse hospitalen, rusthuizen, kostscholen en gevangenissen maakte soep deel uit van de maaltijd. Ze werd bereid met groenten en aardappelen. De bewoners kregen ze ’s middags en ’s avonds, met een homp brood. Een bord soep kostte de directie amper enkele centiemen.
Na 1890 werden de maaltijden iets gevarieerder dan rond 1850, wat de veranderingen buiten de instellingsmuren weerspiegelde. Nu en dan werd rijst of deegwaar aan de soep toegevoegd. Een à twee keer per week kwam er vleesbouillon op tafel. Gekookt rundsvlees en gehakt werden na 1890 vervangen door varkenskoteletten, kalfsvlees, geroosterd rundsvlees, worst of bouilli. Naast wortelen en rapen kregen de rusthuisbewoners andijvie, witloof, allerlei koolsoorten en sla. Verse vis, meestal kabeljauw, verving soms stokvis en haring.
Werden de bewoners van de Infirmerie door deze verbeteringen veeleisender? Het protest van 1896 was niet het eerste. Eerder al waren er enkele ingetogen, bijna nederige, klachten over de maaltijden: te weinig, te koud, smakeloos of verdachte geur. Nochtans bogen directie en geneesheren zich regelmatig over kwaliteit en kwantiteit van de maaltijden en dokterden ze specifieke diëten uit voor welbepaalde categorieën bewoners.
De klacht van augustus 1896 was heel concreet. De koffie was buitengewoon slap en zorgde voor ongemak in de buik. De soep, het lievelingsgerecht, smaakte naar niets en was onveranderd dezelfde, terwijl de groentetuin veel had te bieden. Het vlees, misschien van goede kwaliteit, was slecht bereid en te taai voor bewoners met slechte of geen tanden. Het zou daarom beter zijn meer gehakt en eieren te serveren. De klagers nodigden de directie uit een maaltijd met hen te delen, wat hun gelijk zou aantonen.
Of de directie deze invitatie aanvaardde en of de klacht gevolgen had, is niet geweten. Doorgaans werden de klachten genoteerd, waarna er niets veranderde. Maar soms volgde een onderzoek. In november 1924, bijvoorbeeld, klaagden personeel en patiënten van het Brugmann-ziekenhuis over de eieren, het vlees, de vis (sterke ammoniakgeur!), het fruit en de jam. Daarop kregen patiënten van verschillende afdelingen de vraag wat ze vonden van de maaltijden. De conclusie luidde dat ze meer dan voldeden. Zaak gesloten.
Anonieme klacht van bewoners van de Infirmerie, 4 augustus 1896, over hun
ondermaatse voeding (OCMW-archief Brussel, AGP nr. 131).
Geen opmerkingen:
Een reactie posten