03 september 2026

 Gemor in het rusthuis


Peter Scholliers


“De soep, ons lievelingsgerecht, laat te wensen over”, schreven bewoners aan de directeur van het Brusselse rusthuis, de Infirmerie, in augustus 1896. Zij ondertekenden hun klacht met “les pensionnaires réunis”, de verenigde bewoners. Ze verontschuldigden zich voor hun gedurfde brief. “Wij weten dat we niet veeleisend mogen zijn”, schreven ze, “en we zijn dat ook niet; we vragen enkel dat ons eten beter wordt”. Wat was er aan de hand?

In de jaren 1890 bood de Hospice de l’Infirmerie, nabij de Begijnhofkerk, onderdak aan zo’n 300 bejaarde mannen en vrouwen. Enkelen betaalden voor hun verblijf, maar de meesten woonden er gratis, waren zwak of ziek en hielden het bed. Hoewel hun maaltijden sober en monotoon waren, keken alle bewoners er reikhalzend naar uit, want eten regelde de dag, liet toe te keuvelen of te roddelen en stilde natuurlijk de honger.

Zoals in alle negentiende-eeuwse hospitalen, rusthuizen, kostscholen en gevangenissen maakte soep deel uit van de maaltijd. Ze werd bereid met groenten en aardappelen. De bewoners kregen ze ’s middags en ’s avonds, met een homp brood. Een bord soep kostte de directie amper enkele centiemen.

Na 1890 werden de maaltijden iets gevarieerder dan rond 1850, wat de veranderingen buiten de instellingsmuren weerspiegelde. Nu en dan werd rijst of deegwaar aan de soep toegevoegd. Een à twee keer per week kwam er vleesbouillon op tafel. Gekookt rundsvlees en gehakt werden na 1890 vervangen door varkenskoteletten, kalfsvlees, geroosterd rundsvlees, worst of bouilli. Naast wortelen en rapen kregen de rusthuisbewoners andijvie, witloof, allerlei koolsoorten en sla. Verse vis, meestal kabeljauw, verving soms stokvis en haring.

Werden de bewoners van de Infirmerie door deze verbeteringen veeleisender? Het protest van 1896 was niet het eerste. Eerder al waren er enkele ingetogen, bijna nederige, klachten over de maaltijden: te weinig, te koud, smakeloos of verdachte geur. Nochtans bogen directie en geneesheren zich regelmatig over kwaliteit en kwantiteit van de maaltijden en dokterden ze specifieke diëten uit voor welbepaalde categorieën bewoners. 

De klacht van augustus 1896 was heel concreet. De koffie was buitengewoon slap en zorgde voor ongemak in de buik. De soep, het lievelingsgerecht, smaakte naar niets en was onveranderd dezelfde, terwijl de groentetuin veel had te bieden. Het vlees, misschien van goede kwaliteit, was slecht bereid en te taai voor bewoners met slechte of geen tanden. Het zou daarom beter zijn meer gehakt en eieren te serveren. De klagers nodigden de directie uit een maaltijd met hen te delen, wat hun gelijk zou aantonen.

Of de directie deze invitatie aanvaardde en of de klacht gevolgen had, is niet geweten. Doorgaans werden de klachten genoteerd, waarna er niets veranderde. Maar soms volgde een onderzoek. In november 1924, bijvoorbeeld, klaagden personeel en patiënten van het Brugmann-ziekenhuis over de eieren, het vlees, de vis (sterke ammoniakgeur!), het fruit en de jam. Daarop kregen patiënten van verschillende afdelingen de vraag wat ze vonden van de maaltijden. De conclusie luidde dat ze meer dan voldeden. Zaak gesloten.


 


Anonieme klacht van bewoners van de Infirmerie, 4 augustus 1896, over hun 

ondermaatse voeding (OCMW-archief Brussel, AGP nr. 131).




Snacken op de trein


Patricia Van den Eeckhout


Wie in het krantenarchief BelgicaPress het woord “snackbar” (en spellingsvarianten) zoekt, krijgt tot en met 1946 slechts 4 hits. In 1947 opende het Brusselse grootwarenhuis Au bon marché zijn snackbar en daarvoor werd uitgebreid reclame gemaakt. Maar vanaf 1949 komen we het woord snackbar vooral tegen in een heel specifieke context: een snackbar op een trein. 

Het Van Dale-woordenboek uit 1950 omschrijft de snackbar als een “gelegenheid waar men vlug iets kan gebruiken, uit de vuist kan eten”. Dat lijkt me een correctere omschrijving van wat een Belgische snackbar inhoudt, dan de definitie die in de Nederlandstalige Wikipedia wordt gegeven. Wat daar te lezen staat, slaat op Nederland, niet op België. En nee, het woord snackbar is geen synoniem voor frietkot.

Hoe dan ook: de Belgen hebben niet tot het einde van de jaren 1940 gewacht op een plek waar ze snel iets konden eten. Melksalons en pasteibakkerijen met zitmogelijkheid, soda-bars, frietkoten, cafetaria’s van grootwarenhuizen en cafés en brasseries boden al eerder een snelle hap aan. 

De snelle eetmogelijkheid was dus niet nieuw, maar toch voelde men de behoefte om er een nieuwe naam aan te geven. Vlak na de Tweede Wereldoorlog leek alles wat uit de Angelsaksische wereld kwam fantastisch, dus het verwondert niet dat de naam van de “nieuwe” eetformule aan het Engels werd ontleend.

Vanaf 1949 pakte de nationale Belgische spoorwegmaatschappij uit met radiotreinen die van een snackbar voorzien waren. Radiotreinen reden al uit sinds 1933. De wagons hadden een geluidsinstallatie, zodat de reizigers uitleg konden krijgen over de streek waar de trein doorheen snelde. De praatjes werden afgewisseld met muzikale intermezzo’s. En nu kwam daar ook een snackbar bij.

 

Voetbalsupporters waren een belangrijk doelpubliek voor de radiotreinen met snackbar. Zij kregen sportieve informatie te horen. La Wallonie van 3 november 1950 (BelgicaPress) kondigt radiotreinen met snackbar aan.


Met de radiotreinen met snackbar werden toeristische uitstappen georganiseerd naar alle hoeken van het land. Ze reden naar bedevaartsoorden zoals Scherpenheuvel en naar politieke manifestaties zoals de IJzerbedevaart. Er waren zelfs radiotreinen waarbij de deelnemers de eindbestemming niet kenden: de zogenaamde radioverrassingstreinen. 

Vanaf 1950 werd de snackbar ook ingericht op een aantal grote lijnen (Brussel-Oostende bijvoorbeeld). Op de lijn Brussel-Rijsel werd het aanbod al gauw geschrapt wegens gebrek aan belangstelling. Met deze initiatieven werd het gebruik van (kleine) maaltijden op de trein gedemocratiseerd. Internationale treinen boden al langer de mogelijkheid om in een restaurantwagon iets te consumeren, maar dat was een wereld waarmee de doorsnee Belg geen voeling had. 

De snackbar stond ter beschikking van alle reizigers, ook die van de 2e en 3e klasse. Zij konden koffie, thee, bouillon, bier, limonade, water en aperitief krijgen evenals sandwiches en droge koeken. Kelners brachten de consumpties tot in de treincoupés, maar die hadden geen tafeltjes om de glazen en kopjes op te zetten. 

In 1964 werden de radiotreinen afgeschaft, maar de catering op de treinen die het binnenland bedienden, bleef bestaan. De snackbar werd echter een minibar: een karretje met snacks en drank dat de hele trein doorkruiste. In 2004 verdween ook de minibar.