Zoeken in deze blog

22 oktober 2026

 Dodelijke vergissingen


Patricia Van den Eeckhout

Op 2 oktober 1850 kwam de twaalfjarige dochter van schoenmaker Jean Debuyl thuis met een pot kervelsoep. Het meisje had de soep meegekregen van een van de buurvrouwen, die haar opleidde tot mutsenmaakster. Het gezin woonde in Brussel, in de Impasse des Morts of Dodemansgang. De moeder was zwanger van haar zevende kind. 

Nadat ze aan de soep had geroken en er even van had geproefd, schonk de moeder de soep uit. Al tijdens de maaltijd begon een van de meisjes te braken. Even later voelde ook de rest van de familie zich onwel. De hond die de soepborden had uitgelikt, stierf ter plekke. De kinderen werden naar het Sint-Janshospitaal gebracht. De negenjarige Henri Debuyl overleed dezelfde dag. De vierjarige Catherine stierf een dag later. 

Eerst dacht men aan vergiftiging door een slecht onderhouden koperen kasserol, die toxische stoffen zou hebben afgescheiden. Maar met de kookpot was niets mis. Vervolgens werd onderzocht hoe de soep was bereid. De experten concludeerden dat er per ongeluk een giftig kruid moest zijn terechtgekomen bij de kervel: de gevlekte scheerling of conium maculatum. Wie geen kenner was, kon gevlekte scheerling makkelijk verwarren met kervel en peterselie.


 


O.C. Berg, C.F. Schmidt, Atlas der officinellen Pflanzen, 1896 (Google Books)


Gevlekte scheerling ruikt vies. Als men de plant fijnwrijft, komt een muffe geur vrij. Peterselie en kervel hebben beide een zeer herkenbare, frisse geur. Toch kwamen vergissingen regelmatig voor. In 1869 werd een gezin in Luik ziek omdat de sla niet enkel met peterselie maar ook met het giftige kruid was gemengd. In hetzelfde jaar was een gezin uit Henegouwen slachtoffer omdat de kalfspaté met peterselie ongewenste ingrediënten bevatte. Een zeventigtal gasten van een bruiloft in Châtelet werd in 1880 na afloop van de feestelijkheden ziek. In plaats van peterselie had de kokkin per ongeluk gevlekte scheerling in de soep gedaan. De pers riep af en toe op tot waakzaamheid: het volstond om de plant wat fijn te wrijven om de weerzinwekkende geur te herkennen.

Ook de zaadjes van de gevlekte scheerling waren gevaarlijk. In Nederland werd regelmatig (maar vooral rond 1859) gewaarschuwd voor anijszaad. Daarmee werd bijvoorbeeld anijsmelk gemaakt. Het gekneusde zaad werd met melk gekookt, eruit gezeefd en vervolgens werd de anijsmelk warm opgedronken. Bij sommige kruideniers en drogisten bleek tussen het anijszaad een verontrustende hoeveelheid scheerlingzaad te zitten. In heel wat steden werden stalen anijszaad onderzocht. Eerst dacht men dat het problematische anijszaad enkel uit Rusland kwam, maar dan bleek dat ook het uit Groningen afkomstige zaad niet te vertrouwen was. De vermenging gebeurde blijkbaar op het veld. 

In Nederland waarschuwden lokale en provinciale overheden regelmatig voor ondeugdelijk anijszaad. Ze riepen kruideniers op hun voorraad te laten testen. Tegelijkertijd benadrukten ze dat het niet om bewuste pogingen van vervalsing ging. Maar gevlekte scheerling kon natuurlijk ook worden aangewend om misdaden te plegen. In 1861 gebruikte de Duitse arts Hermann Jahn uit Quellendorf de giftige plant om een meisje waarmee hij een relatie had gehad uit de weg te ruimen. Hij kreeg levenslang, maar verhing zich in zijn cel.


 Broodtentoonstellingen


Peter Scholliers


De Parijse wereldtentoonstelling van 1867 lokte 9,2 miljoen bezoekers, wat haar tot de grootste van haar tijd maakte. In de afdeling Boulangerie et pâtisserie kon men niet alleen heteluchtovens en kneedmachines bewonderen, maar ook diverse soorten brood, koek, beschuit en gebak. De Franse ingenieur Henri Villain schreef er een lang verslag over in de Études sur l’exposition universelle (volume 7, 1868). Hij had het over de technologische revolutie die zich in de bakkerij aankondigde en betreurde dat daardoor het aanbod zou verschralen.

 


De Boulangerie modèle van J. Timmermans – Wellens uit Elsene nam deel aan wereldtentoonstellingen in Amsterdam, Brussel en Parijs. Ze kreeg een zilveren medaille voor haar Frans brood op de expo van Parijs in 1889 (L’Illustration européenne, 6 november 1880, KBR – Belgicaperiodicals)


De volgende wereldtentoonstellingen ruimden steeds veel plaats in voor bakkerijen en hun producten, maar ambitieuze producenten en nieuwsgierige consumenten wilden meer. Daarom ontstonden in heel Europa aparte tentoonstellingen. België en Nederland hadden er samen 14 tussen 1886 en 1914, waarbij Amsterdam de kroon spande (1886, 1887, 1894 en 1907), gevolgd door Gent (1893 en 1907). Ook elders in Europa verschenen er broodtentoonstellingen.

Die waren meestal internationaal. De Antwerpse expo van 1886, bijvoorbeeld, had 300 inzendingen uit Duitsland, Engeland, Frankrijk en Nederland, naast 80 uit België. Internationale jury’s gaven gouden, zilveren en bronzen medailles, maar ook geldprijzen. Zo betaalde de Gentse tentoonstelling van 1893 de mooie som van 100 frank (circa 750 euro) voor het grootste (niet het beste of smakelijkste!) rozijnenbrood.

Elke broodtentoonstelling had randevenementen. Bakkers organiseerden een congres, muziekkorpsen traden op en de geschiedenis van het brood werd uitgelegd. Deze activiteiten lokten duizenden bezoekers die doorgaans gratis toegang hadden, maar voor hun gebakje of croissant moesten betalen.

 

De kaft van de catalogus van de broodtentoonstelling van Amsterdam van 1894 (Officiële catalogus van de internationale bakkerij-tentoonstelling, Amsterdam, 1894, Delpher.nl)


Initiatiefnemers waren bakkersverenigingen, vaak met de steun van de lokale of nationale overheid. De Amsterdamse expo van 1894, bijvoorbeeld, ging door onder de bescherming van de koningin-regentes en de Gentse expo van 1907 kreeg de formele steun van de Belgische minister van nijverheid en arbeid. 

De expo’s wilden bakkers aanzetten moderner te werken: machines gebruiken, de boekhouding bijhouden en de winkel verfraaien. Bijkomend doel was het promoten van goedkoop en zuiver brood met het juiste gewicht en, na 1890, het bekendmaken van nieuwe broodsoorten en viennoiseries.

Maar rond 1900 legden de broodtentoonstellingen almaar meer de nadruk op de verdediging van de door de broodfabrieken bedreigde ambachtelijke bakkers. Lokale middenstandsorganisaties namen almaar meer het initiatief. La Sauvegarde du commerce et de la petite industrie de Liège (Bescherming van handel en kleine nijverheid van Luik) illustreerde dat goed door de Luikse expo van 1913 in te richten.

Tussen beide wereldoorlogen waren aparte broodtentoonstellingen even succesvol als voor 1914. Na 1960 vervelden ze tot vakbeurzen, waarvan Artisan (Kortrijk, om de twee jaar sinds 2023) een voorbeeld is.


*

Lees over het brood van de S.M. Vooruit op de tentoonstelling van Oostende in 1888: https://histetenkoken.blogspot.com/2026/08/brood-op-de-expo-peter-scholliers.html. Lees veel meer over bakkers en hun brood in een fraai boek.