Zoeken in deze blog

28 oktober 2026

  

Het Brusselse estaminet en zijn “baes”

 

Patricia Van den Eeckhout

 

In België was Frans de taal van de bourgeoisie en van iedereen die hoopte daar ooit toe te behoren. In de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw was die dominantie overweldigend. Maar teksten die integraal in het Frans gesteld waren, gebruikten een Vlaams woord om de sympathieke eigenaar van een Brussels estaminet aan te duiden: “le baes”. Te vertalen als “the boss” of “le patron”. Af en toe kwam ook zijn echtgenote ter sprake: “la baesine”.

 

“Le baes” tapt een pint bier. In Ph. Lesbroussart, V. Joly, Types et caractères belges, 1851 (Google Books).

 

Volgens Victor Joly was het Brusselse estaminet intrinsiek Vlaams. Over de oorsprong van het woord estaminet werd al veel gespeculeerd. Maar wat was een estaminet? Een plek waar mensen samenkomen om bier te drinken, leest men in bepaalde 19e-eeuwse woordenboeken.

De manier waarop Franstalige auteurs en journalisten het over Brusselse estaminets en hun eigenaars hadden, spoort echter niet met deze “neutrale” definitie. Het woord estaminet lijkt vooral te worden gebruikt voor laagdrempelige no-nonsense drankgelegenheden die niet mee waren met hun tijd, die niet moderniseerden, die geen pluchen zetels hadden, noch blinkend koper of weerkaatsende spiegels. Hier geen Franse, Duitse of Engelse invloeden, maar een “authentiek” Brussels instituut dat wortelde in het eigen verleden. En dat verleden was nu eenmaal Vlaams. Schrijven over Brusselse estaminets en “le baes” was kiezen voor een trip down memory lane.

Als de Belgische naturalistische schrijver Camille Lemonnier in La Belgique de Brusselse estaminets beschreef, legde hij de nadruk op het tijdloze karakter van die plekken. De stamgasten hadden er hun vaste zitplaats. De overgrote meerderheid van de klanten was mannelijk. “Le baes”, zijn echtgenote en serveersters zorgden voor de bediening. Buitenstaanders waren niet echt welkom. Er werd gediscussieerd, veel gerookt en met de domino en de kaarten gespeeld. Arm en rijk zaten er volgens Lemonnier broederlijk samen aan tafel, maar het estaminet leek toch vooral mannen van de (lagere) middenklasse aan te trekken: de kleine rentenier, de handelaar, de ambachtsman en de ambtenaar.

 

Een Brussels estaminet. In C. Lemonnier, La Belgique, 1888 (Google Books)

 

Volgens de Dictionnaire de la brasserie (1875) was de doorsnee “baes” zo’n veertig jaar oud en had hij het allure van de herbergiers die door de 17e-eeuwse Vlaamse barokschilder David Teniers werden vereeuwigd. Leurders mochten in zijn estaminet hardgekookte eieren, garnalen, karakollen, noten en gedroogde vis verkopen. Na tien jaar harde arbeid kon “le baes” gaan rentenieren.

In de Belgische kranten en tijdschriften werd “le baes” vooral voor de Eerste Wereldoorlog gebruikt. De tijdloze Brusselse estaminets werden minder talrijk. Na de Tweede Wereldoorlog kwam de uitdrukking “le baes” weinig voor, maar ze werd steevast gebruikt als het over de Brusselse folklore of “le vieux Bruxelles” ging. Tijdschriften zoals Pourquoi pas? en Le Soir illustré die men nooit op sympathie voor het Vlaams/Nederlands kon betrappen, hadden het over “le baes” als er een blik nostalgie moest worden opengetrokken.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten