Zoeken in deze blog

15 oktober 2026

Een maatje meer


Patricia Van den Eeckhout


Brussel imiteerde Parijs op tal van vlakken, maar liep voorop met de stichting van de Club des cent kilos in 1887. De Brusselaars verwezen naar Chicago waar ook zo’n vereniging bestond. Parijs zou pas in 1896 een club krijgen die mannen verzamelde die minstens 100 kg wogen. In het blad Paris-vélo reageerden de Belgen verontwaardigd omdat niemand had opgemerkt dat hun club zoveel ouder was dan de Franse tegenhanger.

 


Groepsfoto van de Parijse Club des cent kilos. De leden waren te herkennen aan hun panamahoed (Strand Magazine 1898, Google Books).


De wijze waarop de Courrier de l’Escaut de eerste bijeenkomst van de Brusselse club beschreef, gaf lezers impliciet de toelating met deze mannen te lachen: de bon vivants gaven immers zelf het voorbeeld. Als ze op hun eerste uitstap werden nageroepen, dienden ze de passanten al lachend van antwoord. De krant benadrukte de grote hoeveelheden eten en drank die de Brusselaars op hun eerste excursie verzetten. Nadat er menig glas van het lokale bier Lambic was geconsumeerd, volgde een banket met op het menu soep met gehaktballetjes, paling, tartaarsaus, rosbief, wortels, duif, erwten, kip, sla, kaas en fruit. Aangekomen in het Ter Kamerenbos wilden de mannen zich wegen op de automatische weegschaal. De krant berichtte geamuseerd dat dit niet lukte: het toestel kon maximaal 125 kg torsen. 

Ook in latere krantenberichten werden de clubleden als een soort circusact beschreven. Telkens werd gewezen op hun enorme eetlust: “pantagruélique”, naar de reusachtige zoon van de reus Gargantua. Een maaltijdverslag berichtte over een taart die zo’n 25 kg woog. Na een kwartier waren er enkel kruimels over. Toen in 1893 de leden van de Antwerpse dikke-mannenclub hun Brusselse collega’s bezochten, zouden ze samen een heel rund hebben verorberd. 

In de Brusselse club zaten vooral brouwers, slagers en cafébazen. Over de werking is er verder niet veel bekend. Allicht telde de vereniging hooguit 50 leden. Toen in 1898 een 48-jarige tekenaar in Brussel dood op straat neerviel, werd fijntjes vermeld dat de man lid was van de Club des cent kilos. 

Ook in Parijs was de voedingssector goed vertegenwoordigd in de dikke-mannenclub: heel wat leden handelden in wijn en andere dranken, maar er zaten ook architecten bij. Minstens 100 kg wegen was een voorwaarde tot lidmaatschap, maar men moest ook Fransman zijn. Wie om een of andere reden vermagerde, werd niet meteen uit de club gezet, maar kreeg wat tijd om terug op gewicht te komen. Politieke en religieuze discussies waren verboden. 

Aan het Engelse Strand Magazine vertelde een van de oprichters in 1898 waarom de Parijse club werd gesticht. Er waren steeds meer verenigingen voor de beoefening van atletiek en andere sporten, maar daar waren dikke mannen niet welkom. Ze werden zelfs als paria’s bekeken. Nu hadden ze hun eigen club. Die had tot doel de vriendschapsbanden tussen de leden te bevorderen, excursies en banketten te organiseren en een aanspreekpunt te zijn voor gelijkgestemden uit binnen- en buitenland. Sportbeoefening was geen taboe: de club organiseerde haar eigen loopwedstrijden. Daarom vonden de leden het onfair dat ze hun militaire dienst niet mochten doen. 

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten